Op 1 januari 2008 woonden er 6888 mensen in Risør, 15 meer dan een jaar eerder. Het SSB (het Noorse CBS) heeft de cijfers voor januari 2009 nog niet op internet staan, dus we wachten gespannen af. Uit een krantenbericht meen ik me te herinneren dat we op plus twee zaten, maar het kan ook min twee geweest zijn.
Veel kleine gemeentes in Noorwegen worstelen met het probleem van een dalend (of in elk geval niet-stijgend) aantal inwoners. Steeds meer mensen trekken weg uit de kleinere plaatsen, op naar een grotere stad met meer werkgelegenheid en betere opleidingsmogelijkheden. Minder inwoners betekent minder geld en zo komen de gemeentes in kwestie al snel in een negatieve spiraal terecht.
Noren staan niet bepaald bekend als de meest vindingrijke handelslui, dus moesten er een paar Nederlanders aan te pas komen om het tij te keren. De organisatie Placement bemiddelt nu alweer een aantal jaren met (over het algemeen) succes tussen Noorse gemeentes die behoefte hebben aan nieuwe inwoners en Nederlanders - en Duitsers- die graag hun geluk willen beproeven in het hoge noorden. Het succes is niet onopgemerkt gebleven. De kranten schrijven er graag over, van het kleinste lokale sufferdje tot aan Aftenposten. De verhalen zijn voornamelijk lovend, maar zo nu en dan ook kritisch. De “projectgemeentes” leggen namelijk een aardige duit op tafel om klant te mogen zijn bij Placement en niet iedereen is er van gecharmeerd dat gemeenschapsgeld op deze manier gebruikt wordt.
Door die krantenverhalen krijg je wel eens de indruk dat er wekelijks hele bootladingen Nederlanders naar Noorwegen komen. De ene week een verhaal over een stel dat een bloemenzaak overneemt, kort erna een paginagroot bericht over een kaasmaakster. En dan heb ik het alleen nog maar over onze eigen regionale krant. Uit de cijfers blijkt overigens dat het met die bootladingen wel meevalt. Misschien vallen de berichten ons vooral op omdat we zelf uit Nederland komen.
Het had niet veel gescheeld of ook wij waren in een projectgemeente terecht gekomen. De eerste school die John een baan aanbood, lag namelijk in Sauda, een projectplaatsje in het westen van het land. Toen Risør zich een paar weken later ook meldde, was het echter niet moeilijk om te kiezen. De school in Sauda sprak John weliswaar wat meer aan dan die in Risør, maar al met al vonden we Risør toch een stuk aantrekkelijker. Belangrijkste redenen: klimaat en ligging.
Projectgemeentes vind je verspreid over het hele land, maar één ding hebben ze gemeen: ze liggen allemaal nogal afgelegen. Nu is dat in Noorwegen niet zo moeilijk, aangezien driekwart van de plaatsjes afgelegen ligt, maar toch...
Neem nu Åmli, een gehucht met een kleine 1900 inwoners, een uurtje rijden hier vandaan. In Åmli zijn het afgelopen jaar heel wat Nederlanders neergestreken, waaronder de nieuwe eigenaars van eerdergenoemde bloemenzaak. De bevolkingsgroei in Åmli wordt vanuit Risør met belangstelling, enige afgunst, en vooral onbegrip gevolgd. De echte Risøring snapt er geen bal van dat er mensen bestaan die liever in een gehucht in het binnenland wonen dan in een schattig plaatsje aan zee. Het binnenland, ok, daar kun je een hytte hebben zodat je ‘s winters op langlaufweekend kunt, maar veel gekker dan dat moet het niet worden.
Ik moet zeggen dat ik zelf de belangstelling voor Åmli ook niet helemaal begreep, maar ik was er nog nooit geweest en dat kon natuurlijk de oorzaak van mijn onbegrip zijn. Een paar weken geleden deed zich een goede gelegenheid voor de zaak eens van nabij te onderzoeken: een projectoverleg met een aantal collega’s van verschillende buurgemeenten. Plaats van handeling: Åmli. Op een maandagmorgen na een sneeuwrijk weekend tufte ik richting binnenland. Naarmate de reis vorderde, werd de sneeuw hoger en het bos dichter terwijl het aantal huizen evenredig afnam. Ik reed en reed en reed...en toen was ik er opeens. Een lieflijk plaatsje temidden van beboste heuvels, een prachtige oude brug over een besneeuwde rivier. Een bijna sprookjesachtig landschap, ik kan niet anders zeggen.
Een sprookje als je van een beetje afgelegen houdt...
zondag 15 februari 2009
zondag 1 februari 2009
Flinke meid!
Gemeentehuis in Risør, ruim een week geleden. Else, onze op-één-na-hoogste baas, komt mijn kamer binnen. “Komende donderdag moeten de resultaten van het medewerkerstevredenheidsonderzoek gepresenteerd worden aan de gemeenteraad. Dat kan jij wel doen, toch?”
Ja hoor, natuurlijk kan ik dat...
Het werken in de publieke sector stelt me nog regelmatig voor verrassingen, en waar ik vooral maar moeilijk aan kan wennen is de bemoeienis van de politiek. Met de lokale politici als werkgever, beland je als organisatie vaak in situaties waar gezonde bedrijfsmatige redeneringen opeens niet meer opgaan, maar waarin je bent overgelaten aan de nukken en grillen van tweederangs politici met een ongebreidelde territoriumdrift.
Dat we in een kleine (al is het voor Noorse begrippen eerder middelgroot) gemeenschap wonen, maakt het er niet makkelijker op. Bij alles wat je doet, moet je er rekening mee houden dat je mensen altijd weer opnieuw tegen gaat komen. Wij zijn ons er dan ook erg van bewust dat de “knusheidsmedaille” van het leven in Risør twee kanten heeft.
Terug naar het tevredenheidsonderzoek. Ik heb de eer in de werkgroep “onderzoeken” te zitten. Als gemeente willen we niet alleen weten of onze medewerkers het naar hun zin hebben, maar ook wat de burger vindt van de zorg, de parkeersituatie, de belastingen etc etc. Ja, er wordt door de jaren heen heel wat onderzocht. Alles met behulp van internet, dus gelukkig geen stapels papier op het bureau.
Nadat het medewerkerstevredenheidsonderzoek was afgerond, moesten natuurlijk de afdelingen op de hoogte worden gebracht van de uitkomst, en kon ik her en der opdraven om de grafiekjes nader uit te leggen. Dat had echter niet zo veel meer om het lijf dan een koffiebezoek aan de bibliotheek en op een andere afdeling een overleg gecombineerd met kerstlunch: eerst grafiekjes en daarna traditionele rijstepap met kaneel en kerstliedjes zingen. Niet al te angstaanjagend allemaal.
Maar een presentatie voor de gemeenteraad, dat valt in een iets andere categorie. Ik voelde dat ik onmiddellijk in de “prestatiestand” schoot, en ging aan de slag met de voorbereidingen.
Donderdagavond, half zeven: ik sluip op mijn tenen de trap van het raadhuis op. Het raadhuis is gevestigd in een oud centrumpand, en wordt voornamelijk gebruikt voor vergaderingen en bruiloften. In het hele gebouw ligt parket, waardoor je al snel de vergadering verstoort als je normaal de trap op loopt. Ik ben ruim op tijd om goed in de stemming te kunnen komen, de opstelling van microfoon, projectiescherm en publiek in me op te nemen, en te kijken welke collega’s aanwezig zijn.
Ik voel me ongeveer zoals die keer dat ik in de wachtkamer van de kaakchirurg zat omdat er twee verstandskiezen uitgezaagd moesten worden. Waar is de nooduitgang?
Ik luister naar een verhaal over een schoolproject dat als doel heeft de kinderen in Aust Agder beter te leren lezen en schrijven. Vervolgens komt er een verhaal van de politie (landelijk vaak in het nieuws de laatste tijd vanwege een enorm personeelstekort en cao-onderhandelingen waarin de partijen het nooit met elkaar eens lijken te worden). Daarna is het broodjespauze en kan ik mijn laatste voorbereidingen treffen, en een babbeltje maken met de burgemeester.
In Noorwegen hebben we de gekozen burgemeester. Die van ons is een sympathieke vijftiger met vrolijke krullen en een eigen timmerbedrijf dat hij voor deze vierjaarsperiode op een laag pitje heeft gezet.
Dan is het zover. Ik ga van start en zoals meestal verdwijnen de zenuwen bijna meteen. Ik vertel zo ongeveer wat ik van plan was te vertellen en maak geen al te grote taalblunders. Ook het vragenrondje verloopt zonder noemenswaardige problemen.
Dat was dan dat!
Terwijl de volgende spreker de microfoon pakt, word ik enthousiast ingehaald door de aanwezige collega’s. De complimenten vliegen me om de oren en dat is leuk. Tegelijkertijd is het een beetje gek. Want als Noren vinden dat je iets goed gedaan hebt of goed kunt, gebruiken ze het woord flink. “Så flink du var!” roepen ze enthousiast. Misschien dat ik er ooit aan gewend raak, maar voorlopig geeft dat “flink” me het gevoel weer kleuter te zijn. Flinke meid!.....
Beetje jammer, maar toch was het een geslaagde avond.
Ja hoor, natuurlijk kan ik dat...
Het werken in de publieke sector stelt me nog regelmatig voor verrassingen, en waar ik vooral maar moeilijk aan kan wennen is de bemoeienis van de politiek. Met de lokale politici als werkgever, beland je als organisatie vaak in situaties waar gezonde bedrijfsmatige redeneringen opeens niet meer opgaan, maar waarin je bent overgelaten aan de nukken en grillen van tweederangs politici met een ongebreidelde territoriumdrift.
Dat we in een kleine (al is het voor Noorse begrippen eerder middelgroot) gemeenschap wonen, maakt het er niet makkelijker op. Bij alles wat je doet, moet je er rekening mee houden dat je mensen altijd weer opnieuw tegen gaat komen. Wij zijn ons er dan ook erg van bewust dat de “knusheidsmedaille” van het leven in Risør twee kanten heeft.
Terug naar het tevredenheidsonderzoek. Ik heb de eer in de werkgroep “onderzoeken” te zitten. Als gemeente willen we niet alleen weten of onze medewerkers het naar hun zin hebben, maar ook wat de burger vindt van de zorg, de parkeersituatie, de belastingen etc etc. Ja, er wordt door de jaren heen heel wat onderzocht. Alles met behulp van internet, dus gelukkig geen stapels papier op het bureau.
Nadat het medewerkerstevredenheidsonderzoek was afgerond, moesten natuurlijk de afdelingen op de hoogte worden gebracht van de uitkomst, en kon ik her en der opdraven om de grafiekjes nader uit te leggen. Dat had echter niet zo veel meer om het lijf dan een koffiebezoek aan de bibliotheek en op een andere afdeling een overleg gecombineerd met kerstlunch: eerst grafiekjes en daarna traditionele rijstepap met kaneel en kerstliedjes zingen. Niet al te angstaanjagend allemaal.
Maar een presentatie voor de gemeenteraad, dat valt in een iets andere categorie. Ik voelde dat ik onmiddellijk in de “prestatiestand” schoot, en ging aan de slag met de voorbereidingen.
Donderdagavond, half zeven: ik sluip op mijn tenen de trap van het raadhuis op. Het raadhuis is gevestigd in een oud centrumpand, en wordt voornamelijk gebruikt voor vergaderingen en bruiloften. In het hele gebouw ligt parket, waardoor je al snel de vergadering verstoort als je normaal de trap op loopt. Ik ben ruim op tijd om goed in de stemming te kunnen komen, de opstelling van microfoon, projectiescherm en publiek in me op te nemen, en te kijken welke collega’s aanwezig zijn.
Ik voel me ongeveer zoals die keer dat ik in de wachtkamer van de kaakchirurg zat omdat er twee verstandskiezen uitgezaagd moesten worden. Waar is de nooduitgang?
Ik luister naar een verhaal over een schoolproject dat als doel heeft de kinderen in Aust Agder beter te leren lezen en schrijven. Vervolgens komt er een verhaal van de politie (landelijk vaak in het nieuws de laatste tijd vanwege een enorm personeelstekort en cao-onderhandelingen waarin de partijen het nooit met elkaar eens lijken te worden). Daarna is het broodjespauze en kan ik mijn laatste voorbereidingen treffen, en een babbeltje maken met de burgemeester.
In Noorwegen hebben we de gekozen burgemeester. Die van ons is een sympathieke vijftiger met vrolijke krullen en een eigen timmerbedrijf dat hij voor deze vierjaarsperiode op een laag pitje heeft gezet.
Dan is het zover. Ik ga van start en zoals meestal verdwijnen de zenuwen bijna meteen. Ik vertel zo ongeveer wat ik van plan was te vertellen en maak geen al te grote taalblunders. Ook het vragenrondje verloopt zonder noemenswaardige problemen.
Dat was dan dat!
Terwijl de volgende spreker de microfoon pakt, word ik enthousiast ingehaald door de aanwezige collega’s. De complimenten vliegen me om de oren en dat is leuk. Tegelijkertijd is het een beetje gek. Want als Noren vinden dat je iets goed gedaan hebt of goed kunt, gebruiken ze het woord flink. “Så flink du var!” roepen ze enthousiast. Misschien dat ik er ooit aan gewend raak, maar voorlopig geeft dat “flink” me het gevoel weer kleuter te zijn. Flinke meid!.....
Beetje jammer, maar toch was het een geslaagde avond.
vrijdag 23 januari 2009
Tochtje op de fjord
Na dagen van regen en papsneeuw kunnen we het ons nauwelijks meer voorstellen, maar een paar weken geleden was het heerlijk schaatsweer hier. En er lag nog ijs ook! Toen we terug waren van Tenerife hebben we dus snel de zwemspullen opgeborgen en de schaatsen uit de kast gehaald (we hoefden er niet eens naar te zoeken!). Nu nog een geschikte schaatsplek vinden.
Na een voorzichtige start op een meertje in een klein natuurgebied boven het dorp, was het tijd voor het echte werk: de fjord. Niet dat je bij een beetje vriesweer op elke fjord in Noorwegen kunt schaatsen, maar hier hebben we er één die snel bevriest. Wij er op af natuurlijk. Ik vond het nogal wat, schaatsen op de fjord. In het begin ook wel een klein beetje eng. Het is toch net iets anders dan de gemiddelde Hollandse sloot, en op een ongewenste vriesduik zat ik niet echt te wachten.
Maar het ijs was dik en op de meeste plekken glad. We schaatsten en schaatsten. Was het Nederland geweest, dan was er zeker een toertocht georganiseerd, kompleet met stempels, koek en zopie en kluunplaatsen. Honderden schaatsliefhebbers zouden zich bij de startplek gemeld hebben, natuurlijk na hun auto te hebben geparkeerd op een overvol parkeerterrein of -de laatkomers- in de berm.
Veel schaatsers zijn er niet op het ijs hier. Meest kleine kinderen en een enkele volwassene met ijshockey- of kunstschaatsen onder. Noren mogen dan noren heten, hier zijn ze lang niet overal te koop. Stoer vinden de meeste Noren het wel, die schoentjes met die lange ijzers eronder. Ze denken dat alle Nederlanders goed kunnen schaatsen en wij laten ze natuurlijk graag in die waan...
Weinig schaatsers dus, maar er is wel volk op het ijs: vissers. Gat in het ijs boren, hengel erin, stoeltje erbij, houtgrill in de aanslag en vissen maar. Ziet er best gezellig uit. Afgekeurde vangst wordt gewoon op het ijs achter gelaten. De gemiddelde Noor neemt het niet zo nauw met een beetje afvaldumping meer of minder. In dit geval leverde dat een paar mooie plaatjes op.
dinsdag 20 januari 2009
maandag 29 december 2008
Zonnig eiland

Kerstvakantie. Ik zag mezelf al helemaal zitten: met een boek op de poef voor de houtkachel, kat ernaast, heerlijk! Maar ergens in november stelde John opeens voor met kerst een weekje naar het zonnige zuiden te gaan. Ik liep er niet direct warm voor, maar ok, een week in een leuk klein huisje, liefst een beetje afgelegen, op één van de kleinere Canarische eilanden, dat zou misschien toch wel leuk zijn.
Na avonden van overleg en uitgebreide internet-research door John boekten we uiteindelijk een week in een all inclusive resort op Tenerife. Tja...
Of we met kerst nog "naar huis" gingen, vroegen de collega's. Naar Nederland, bedoelen ze daarmee. Die vraag komt twee keer per jaar voorbij, namelijk met kerst en in de zomer. Twee keer per jaar antwoord ik dat "thuis" hier in Risør is, iets wat ze tegelijkertijd wel en niet begrijpen. En nu meldde ik dus dat we naar Tenerife zouden gaan. Ik zag ze denken: "geen ribbe, geen pinnekjøtt, niet de voltallige schoonfamilie minimaal drie dagen en nachten over de vloer... Misschien is het zo gek nog niet om immigrant te zijn."
Het vliegtuig vertrekt zondagochtend vroeg vanaf Gardermoen bij Oslo en daarom stappen we zaterdagmiddag al in de auto. De meeste hotels bij Gardermoen hebben speciale aanbiedingen voor charter-stakkers zoals wij (overnachting plus auto parkeren) en daar maken we dankbaar gebruik van.
Vierentwintig uur later zitten we bij het zwembad kipkluifjes te kanen. Vooruit, het all inclusive concept heeft zo z'n voordelen. Na een toch wel vermoeiende reis hoef je niet meer op zoek naar een plek om te eten. Geen eindeloze debatten meer over zullen we hier of zullen we daar, terwijl de gevoelstemperatuur maar stijgt en stijgt en minimaal een van de twee wenste dat-ie lekker thuis zat. Nee, je wandelt gewoon door de prachtig aangelegde tuin, langs palmen en zwembaden, naar de buitenbar, en bestelt kipkluifjes. Zoveel kluifjes als je maar wilt, en je hoeft er niet eens je portemonnee voor mee te nemen.
Om die kluifjes en ook ontbijt, lunch, diner, koffie etc. etc. te kunnen krijgen, hoef je dan weliswaar ter plekke geen cash op tafel te leggen, je moet natuurlijk wel herkenbaar zijn als gast van het resort. Daartoe kregen we bij het inchecken een felrood bandje om de pols geklipt. Zo één die je niet meer afkrijgt tenzij je 'm doorknipt. Ik voelde een golf van weerstand in me opkomen toen ik die gevangenis-armband om kreeg. Vreselijk, zo'n verplicht kenmerk. Maar goed, dat was vóór de kipkluifjes...
De vakantieweek laat zich verder nogal makkelijk samenvatten: eten, zwemmen, lezen, eten, slapen, eten, eiland bekijken, eten (of had ik dat nou al eerder genoemd?). Heerlijke vakantie, al zie ik ons niet direct weer naar Tenerife gaan. We vonden het het minste eiland van de drie Canarische eilanden die we tot nu toe bezocht hebben.
De overgang van +20 naar -10 verliep gladjes. Na een kwartiertje ijs krabben en een kop koffie bij MacDonalds waren we helemaal klaar voor de thuisreis. Aanvankelijk waren we van plan nog een keer op Gardermoen te overnachten, maar de drang naar de hereniging met Nelson en Pebbles (en het eigen bed) was sterker. Iets na twee uur 's nachts waren we terug op Ringveien 29. Zo te zien hadden de katten elkaar en de huiskamer aardig afgetuigd, maar verder stond alles er prima bij.
We hebben nog lekker een paar dagen vrij. Ik hoorde net van de badmintonmannen dat het ijs hier in de buurt goed is. Tijd om de schaatsen uit de kast te halen!
woensdag 10 december 2008
Kerstdiner
De vorige week gevallen sneeuw ligt er nog steeds en in het dorp is de feestverlichting opgehangen. Risør begint in kerststemming te komen.
Noren hebben een tweeslachtige verhouding met kerst. Op het eerste gezicht lijkt het of ze er stapeldol op zijn, maar als je het allemaal wat nader bestudeert, blijkt kerst voor veel mensen hier vooral een hoop stress met zich mee te brengen. Allereerst vanwege de cadeaus natuurlijk. Elk jaar maar weer een berg cadeaus bij elkaar schrapen voor familieleden die eigenlijk alles al hebben. Ga er maar aan staan. Maar de grootste stressfactor is toch wel het eten. De Nederlandse kerstproblematiek (eten we dit jaar op eerste of op tweede kerstdag bij de schoonfamilie?) valt in het niet bij wat de gemiddelde Noor moet doormaken. De kerstboom moet klaarstaan, op de juiste plekken geflankeerd door een bonte verzameling kaarsen en engelen. Voordat de gasten komen, boent en schrobt Noormans het hele huis, en er moeten koekjes en taarten gebakken worden, liefst zoveel dat je maanden later de voorraden nog terugvindt in koektrommels en vrieskist. Tot slot moet er traditioneel gekookt worden: ribbe (een vettige homp vlees), pinnekjøtt (drogige gezouten schapenkluif) of lutefisk (in een vloeibaar iets geweekte stokvis), of een combinatie van die drie. Krijg je al trek?
Onlosmakelijk verbonden met kerst is het julebord (juuleboer) oftewel het kerstetentje met bedrijf en/of vereniging. Ook dan wordt er over het algemeen traditioneel gegeten, in combinatie met de inmiddels bekende Noorse alcoholconsumptie. Als slagroom op de taart komt daar in veel gevallen nog een portie traditoneel kerstgezang bij. Tja, dat is wel even slikken hoor voor een immigrant met inburgeringsdrang...
Wat valt er te vertellen over mijn eerste julebordervaringen? (Jaja, Sinterklaas is nog maar koud terug in Spanje, maar ik heb mijn kerstetentjes al achter de rug.)
Nou, het begon goed, dat moet gezegd. Het eerste etentje was met de badmintonclub. Vorige week zaterdag zaten we met z’n achten (een opkomst van 80%) rond de eettafel van Olav die het koken op zich had genomen. Hij bleek geen aanhanger van de traditionele kerstkeuken. We kregen een heerlijke salade met zalm en geitenkaas, een stoofschotel met hertenvlees en groente en een soort noten-chocoladetaart om je vingers bij af te likken. Iedereen blij! Zo blij zelfs dat we probleemloos de door Olav (muziekleraar) gecomponeerde badmintonpsalm ten gehore brachten. Voor mij met mijn beperkte zangtalent viel het niet mee de juiste toonhoogte te vinden tussen alle mannenstemmen (de club heeft buiten mij geen vrouwelijke leden), maar dat mocht de pret niet drukken. Een geslaagde avond. Op naar julebord nummer twee!
Het kerstetentje met de collega’s van het gemeentehuis vond afgelopen vrijdag plaats in het beste restaurant van Risør. Iedereen kwam prachtig uitgedost aanstappen. Ook dat is een traditie: mooie kleding, vrouwen liefst een jurk of rok, mannen een pak. Ik vond een plekje aan een van de lange tafels, het gesprek kwam lekker op gang, er heerste een ontspannen sfeer. En toen kwam het eten: ribbe, pinnekjøtt, lutefisk, aardappels en wat ondefinieerbare prutjes. Wat moet ik ervan zeggen? Ik houd van eten, allerlei eten, maar dit vond ik echt niet lekker. Het lag bovendien als een steen op mijn maag, die vette hap. Het hele weekend heb ik geen warm eten gemaakt (John was in Nederland) en dat terwijl we normaal gesproken elke dag koken. Geschikte manier om een beetje af te vallen, zo’n kerstetentje.
Maandag polste ik voorzichtig of er meer mensen waren die “een beetje last” hadden gekregen van het eten. Nee hoor, niemand, heerlijk was het allemaal geweest.
Ik heb zo’n vermoeden dat het met dit deel van de inburgering niet helemaal goed gaat komen...
Noren hebben een tweeslachtige verhouding met kerst. Op het eerste gezicht lijkt het of ze er stapeldol op zijn, maar als je het allemaal wat nader bestudeert, blijkt kerst voor veel mensen hier vooral een hoop stress met zich mee te brengen. Allereerst vanwege de cadeaus natuurlijk. Elk jaar maar weer een berg cadeaus bij elkaar schrapen voor familieleden die eigenlijk alles al hebben. Ga er maar aan staan. Maar de grootste stressfactor is toch wel het eten. De Nederlandse kerstproblematiek (eten we dit jaar op eerste of op tweede kerstdag bij de schoonfamilie?) valt in het niet bij wat de gemiddelde Noor moet doormaken. De kerstboom moet klaarstaan, op de juiste plekken geflankeerd door een bonte verzameling kaarsen en engelen. Voordat de gasten komen, boent en schrobt Noormans het hele huis, en er moeten koekjes en taarten gebakken worden, liefst zoveel dat je maanden later de voorraden nog terugvindt in koektrommels en vrieskist. Tot slot moet er traditioneel gekookt worden: ribbe (een vettige homp vlees), pinnekjøtt (drogige gezouten schapenkluif) of lutefisk (in een vloeibaar iets geweekte stokvis), of een combinatie van die drie. Krijg je al trek?
Onlosmakelijk verbonden met kerst is het julebord (juuleboer) oftewel het kerstetentje met bedrijf en/of vereniging. Ook dan wordt er over het algemeen traditioneel gegeten, in combinatie met de inmiddels bekende Noorse alcoholconsumptie. Als slagroom op de taart komt daar in veel gevallen nog een portie traditoneel kerstgezang bij. Tja, dat is wel even slikken hoor voor een immigrant met inburgeringsdrang...
Wat valt er te vertellen over mijn eerste julebordervaringen? (Jaja, Sinterklaas is nog maar koud terug in Spanje, maar ik heb mijn kerstetentjes al achter de rug.)
Nou, het begon goed, dat moet gezegd. Het eerste etentje was met de badmintonclub. Vorige week zaterdag zaten we met z’n achten (een opkomst van 80%) rond de eettafel van Olav die het koken op zich had genomen. Hij bleek geen aanhanger van de traditionele kerstkeuken. We kregen een heerlijke salade met zalm en geitenkaas, een stoofschotel met hertenvlees en groente en een soort noten-chocoladetaart om je vingers bij af te likken. Iedereen blij! Zo blij zelfs dat we probleemloos de door Olav (muziekleraar) gecomponeerde badmintonpsalm ten gehore brachten. Voor mij met mijn beperkte zangtalent viel het niet mee de juiste toonhoogte te vinden tussen alle mannenstemmen (de club heeft buiten mij geen vrouwelijke leden), maar dat mocht de pret niet drukken. Een geslaagde avond. Op naar julebord nummer twee!
Het kerstetentje met de collega’s van het gemeentehuis vond afgelopen vrijdag plaats in het beste restaurant van Risør. Iedereen kwam prachtig uitgedost aanstappen. Ook dat is een traditie: mooie kleding, vrouwen liefst een jurk of rok, mannen een pak. Ik vond een plekje aan een van de lange tafels, het gesprek kwam lekker op gang, er heerste een ontspannen sfeer. En toen kwam het eten: ribbe, pinnekjøtt, lutefisk, aardappels en wat ondefinieerbare prutjes. Wat moet ik ervan zeggen? Ik houd van eten, allerlei eten, maar dit vond ik echt niet lekker. Het lag bovendien als een steen op mijn maag, die vette hap. Het hele weekend heb ik geen warm eten gemaakt (John was in Nederland) en dat terwijl we normaal gesproken elke dag koken. Geschikte manier om een beetje af te vallen, zo’n kerstetentje.
Maandag polste ik voorzichtig of er meer mensen waren die “een beetje last” hadden gekregen van het eten. Nee hoor, niemand, heerlijk was het allemaal geweest.
Ik heb zo’n vermoeden dat het met dit deel van de inburgering niet helemaal goed gaat komen...
maandag 1 december 2008
‘Club Zonder Naam’
Als we in Nederland lid wilden worden van een sportvereniging, was dat niet al te ingewikkeld, zelfs niet bij verhuizing naar een andere plaats. Gewoon even op internet kijken (of - in het pré-internet tijdperk - in de gemeentegids) en je wist waar je zijn moest.
In Noorwegen bleek het minder eenvoudig. Om te beginnen wilden we het hardlopen weer op de rails krijgen. Dat lijkt simpel, want hardlopen kun je overal. Toch? Ja, dat klopt, maar het is wel prettig als je kunt zien waar je loopt. Op Sandnes, in de omgeving van de camping waar we woonden, was geen straatverlichting en als het niet toevallig volle maan was, was het daar ’s avonds echt pikdonker. Die paar keer dat ik me toch aan een training in het donker waagde, had ik het gevoel dat ik aan een evenwichtsstoornis leed. John had nog een ander probleempje. Ter voorbereiding op het (atletiek-)baanseizoen wilde hij het liefst zijn intervallen op een vlak parcours lopen. Vlak, tja, kom daar maar eens om in Noorwegen. Als je van een Noor een tip krijgt over een plek waarvan hij vindt dat het er goed hardlopen is, kom je meestal terecht op smalle bospaadjes vol met boomstronken en rotsen. Beter geschikt voor uitstapjes van het type ‘bergwandeling’, vinden wij. Het is natuurlijk maar net wat je gewend bent. Na enig speurwerk was John er overigens wel in geslaagd her en der zijn parcoursjes uit te zetten, maar ideaal was het niet.
Toen we naar Ringveien verhuisden besloten we dan ook dat het tijd was om een loopband aan te schaffen. Zo gezegd, zo gedaan. Op een dag werd er een loeizwaar pakket bezorgd. Ja hoor, de loopband. We hadden gedacht beneden een trimkamer te maken, maar het kreng was nauwelijks van z’n plaats te krijgen. Wat nu? Een loopband in de voortuin, dat was ook niet echt de bedoeling. Uiteindelijk kozen we voor een kamer boven en nadat we hersteld waren van onze rugfractuur konden we de band in gebruik nemen. Hij doet nog steeds dienst, zeker nu het weer regelmatig glad is buiten.
John traint, als het weer het toelaat, ook veel in het dorp en is daardoor een lokale bekendheid geworden, erg grappig (“Oooh, dat kleine mannetje dat zulke harde intervallen loopt op Solsiden, jahaaa, die ken ik wel hoor, oh, is dàt nou John?”).
Het asociale deel van ons sportieve leven hadden we dus aardig op orde, maar zelfs wij willen af en toe in onze vrije tijd wel eens contact met andere mensen. John had het snel voor elkaar door mee te gaan doen aan het wekelijkse zaalvoetbalavondje voor leraren, ex-leraren en gepensioneerde leraren, maar ik kon mijn draai niet echt vinden.
In januari haalde een collega me over om mee te gaan naar conditietraining. Nee, het was echt geen aerobics, verzekerde ze me toen ik vertwijfeld wat bezwaren begon te mompelen. Ik mee, en na vijf minuten wist ik het eigenlijk al: dit is he-le-maal niks voor mij. Okee, veel mensen vinden het leuk (bleek ook wel uit het feit dat we als sardientjes opeengepakt in het gymzaaltje stonden), maar zo'n training op muziek met pasjes enzo, daar krijg ik acuut allergische reacties van.
Mijn eerste poging tot deelname aan het lokale clubleven konden we als mislukt beschouwen en in de maanden die volgden, modderde ik een beetje aan met hardlopen en baantjes trekken in het zwembad.
Na de zomervakantie besloot ik het nog een keer te proberen. Ik was er intussen achter dat de meeste sportclubs in Risør alleen actief zijn voor jeugdleden. Het lijkt wel of hier bijna niemand van boven de 18 geïnteresseerd is in competitief sporten. Gelukkig is er de innebandyclub. Tot vorig jaar had ik nog nooit van innebandy gehoord, maar hier is het een populaire sport. Het is, simpel gezegd, ijshockey zonder ijs. Een snelle, felle sport, leuk om te doen. Klein nadeel is dat ik sinds de middelbare school geen hockeystick meer in mijn handen heb gehad (en daarbij is innebandy toch anders dan het Nederlandse hockey), maar dat mag de pret niet drukken. Nu, na een maandje of drie, heb ik zelfs af en toe het idee dat de bal doet wat ik wil.
Sinds kort ben ik bij een tweede club(je): badminton. Oude liefde roest niet, dat blijkt maar weer. Zoals veel andere kleine verenigingen, staat ook deze club nergens vermeld. Het is gewoon een verzameling mensen die op een of andere manier bij elkaar in een gymzaal zijn beland. Eén van die mensen is toevallig de kamergenoot van John en zo kwam het dat ik nu ook lid ben van de ‘Club Zonder Naam’.
In Noorwegen bleek het minder eenvoudig. Om te beginnen wilden we het hardlopen weer op de rails krijgen. Dat lijkt simpel, want hardlopen kun je overal. Toch? Ja, dat klopt, maar het is wel prettig als je kunt zien waar je loopt. Op Sandnes, in de omgeving van de camping waar we woonden, was geen straatverlichting en als het niet toevallig volle maan was, was het daar ’s avonds echt pikdonker. Die paar keer dat ik me toch aan een training in het donker waagde, had ik het gevoel dat ik aan een evenwichtsstoornis leed. John had nog een ander probleempje. Ter voorbereiding op het (atletiek-)baanseizoen wilde hij het liefst zijn intervallen op een vlak parcours lopen. Vlak, tja, kom daar maar eens om in Noorwegen. Als je van een Noor een tip krijgt over een plek waarvan hij vindt dat het er goed hardlopen is, kom je meestal terecht op smalle bospaadjes vol met boomstronken en rotsen. Beter geschikt voor uitstapjes van het type ‘bergwandeling’, vinden wij. Het is natuurlijk maar net wat je gewend bent. Na enig speurwerk was John er overigens wel in geslaagd her en der zijn parcoursjes uit te zetten, maar ideaal was het niet.
Toen we naar Ringveien verhuisden besloten we dan ook dat het tijd was om een loopband aan te schaffen. Zo gezegd, zo gedaan. Op een dag werd er een loeizwaar pakket bezorgd. Ja hoor, de loopband. We hadden gedacht beneden een trimkamer te maken, maar het kreng was nauwelijks van z’n plaats te krijgen. Wat nu? Een loopband in de voortuin, dat was ook niet echt de bedoeling. Uiteindelijk kozen we voor een kamer boven en nadat we hersteld waren van onze rugfractuur konden we de band in gebruik nemen. Hij doet nog steeds dienst, zeker nu het weer regelmatig glad is buiten.
John traint, als het weer het toelaat, ook veel in het dorp en is daardoor een lokale bekendheid geworden, erg grappig (“Oooh, dat kleine mannetje dat zulke harde intervallen loopt op Solsiden, jahaaa, die ken ik wel hoor, oh, is dàt nou John?”).
Het asociale deel van ons sportieve leven hadden we dus aardig op orde, maar zelfs wij willen af en toe in onze vrije tijd wel eens contact met andere mensen. John had het snel voor elkaar door mee te gaan doen aan het wekelijkse zaalvoetbalavondje voor leraren, ex-leraren en gepensioneerde leraren, maar ik kon mijn draai niet echt vinden.
In januari haalde een collega me over om mee te gaan naar conditietraining. Nee, het was echt geen aerobics, verzekerde ze me toen ik vertwijfeld wat bezwaren begon te mompelen. Ik mee, en na vijf minuten wist ik het eigenlijk al: dit is he-le-maal niks voor mij. Okee, veel mensen vinden het leuk (bleek ook wel uit het feit dat we als sardientjes opeengepakt in het gymzaaltje stonden), maar zo'n training op muziek met pasjes enzo, daar krijg ik acuut allergische reacties van.
Mijn eerste poging tot deelname aan het lokale clubleven konden we als mislukt beschouwen en in de maanden die volgden, modderde ik een beetje aan met hardlopen en baantjes trekken in het zwembad.
Na de zomervakantie besloot ik het nog een keer te proberen. Ik was er intussen achter dat de meeste sportclubs in Risør alleen actief zijn voor jeugdleden. Het lijkt wel of hier bijna niemand van boven de 18 geïnteresseerd is in competitief sporten. Gelukkig is er de innebandyclub. Tot vorig jaar had ik nog nooit van innebandy gehoord, maar hier is het een populaire sport. Het is, simpel gezegd, ijshockey zonder ijs. Een snelle, felle sport, leuk om te doen. Klein nadeel is dat ik sinds de middelbare school geen hockeystick meer in mijn handen heb gehad (en daarbij is innebandy toch anders dan het Nederlandse hockey), maar dat mag de pret niet drukken. Nu, na een maandje of drie, heb ik zelfs af en toe het idee dat de bal doet wat ik wil.
Sinds kort ben ik bij een tweede club(je): badminton. Oude liefde roest niet, dat blijkt maar weer. Zoals veel andere kleine verenigingen, staat ook deze club nergens vermeld. Het is gewoon een verzameling mensen die op een of andere manier bij elkaar in een gymzaal zijn beland. Eén van die mensen is toevallig de kamergenoot van John en zo kwam het dat ik nu ook lid ben van de ‘Club Zonder Naam’.
zaterdag 22 november 2008
Spar
Na een prachtige dag met strakblauwe lucht en volop zon, warm ik me nu heerlijk aan het vuur van de houtkachel terwijl John zich in de keuken uitleeft op een nieuw recept. Net als in Nederland hanteren we hier wat het koken betreft ons "twee dagen op-twee dagen af" systeeem. Voor wie het systeem niet kent: om en om hebben we twee dagen kookbeurt, twee dagen vrij. Degene die kookt, zorgt ook voor boodschappen, afwas en avondkoffie, de ander luiert. Bevalt nog steeds! Dankzij de kortere werkdagen en dito reistijd hebben we hier netto meer vrije tijd dan we in Nederland hadden. Dus ook meer tijd om in de keuken door te brengen. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat vooral John meer tijd in de keuken doorbrengt. Niet alleen om te koken, maar ook om te bakken. Er is al maanden geen supermarktkoekje meer ons huis binnengekomen, om precies te zijn sinds John het boek "500 koekjes" kocht. Het duurt natuurlijk wel even voordat we die allemaal gemaakt en geproefd hebben...
De ingrediënten voor al dat heerlijks halen we voor het overgrote deel gewoon bij de plaatselijke supermarkt (bij één van de vijf plaatselijke supermarkten) en daar redden we ons goed mee. Eens in de zoveel weken echter wijken we uit naar een grotere supermarkt om wat speciale dingetjes te kopen. Tot nu toe gingen we daarvoor meestal naar Arendal, maar sinds een paar dagen kunnen we dichter bij huis terecht. Op 20 minuten rijden zit nu namelijk een Eurospar. Een wat-Spar? Een Eurospar ja. Misschien heb je die in Nederland ook wel. Ik zou het niet weten.
Voor mijn eerste Spar-herinneringen moeten we zo'n 30-35 jaar terug in de tijd. Als ik bij mijn oma in Uitgeest logeerde (of bij mijn tante die er tegenover woonde), deden we namelijk boodschappen bij de Spar in "de nieuwbouw" (ja, dat moet wel in de jaren 70 geweest zijn, dat was toch de tijd dat je het over "de nieuwbouw" had). Ze kwamen overigens ook wel bij Appie H., herinner ik me, maar dat was de andere kant op. Voor het boodschappen doen zelf had ik geen bijzondere passie, maar wel voor twee bijkomstigheden: het voorttrekken van de enigszins ouderwetse, maar later hip geworden boodschappentas op wieltjes en het plakken van spaarzegeltjes. Ontelbare boekjes zijn er volgeplakt. Alles met behulp van zo'n zompig postzegelkussen. Vond ik ook te gek, dat kussentje, en de plakervaring is later nog goed van pas gekomen, bij mijn vakantiewerk op het postkantoor.
Maar de Spar zelf, tja. Ik zie niet veel anders voor me dan een aftands buurtwinkeltje in een dorp in Limburg waar we een keer op vakantie waren. Van geen enkele plek waar ik gewoond heb, kan ik me een behoorlijke Spar herinneren. Toch bestaat-ie nog steeds. De Spar was blijkbaar al die tijd ergens anders dan ik. Maar nu dus niet meer. Nu hebben we de Eurospar mèt 22 meter lange "vers-counter". Ook al heb ik nog nooit het aantal meters Vers geteld in een supermarkt, ik ben meteen bereid te geloven dat 22 meter een heleboel is. We hoefden dan ook niet lang na te denken toen we het fantastische Spar-nieuws in de krant lazen. Daar moesten we heen!
En zo ging ons weekenduitstapje van deze week naar de Eurospar. We hebben ons prima vermaakt. Hoewel we maar een paar boodschappen op ons lijstje hadden staan, slaagden we er in bijna een uur in de winkel door te brengen. We vergaapten ons aan een zeeduivel met opengesperde bek, antilopebiefstuk en vacuüm verpakte schapenkoppen (in bepaalde regio's is het gebruikelijk in deze tijd van het jaar schapenkop-etentjes te organiseren. Het fijne weet ik er niet van en dat wilde ik voorlopig maar zo houden ook). De krant had niet overdreven, het is een prachtige zaak die in niets doet denken aan de buurtsuper uit mijn herinnering. Op 1 ding na misschien: op de buitengevel hangt het vertrouwde, ietwat oubollige, groen-rode kerstboomlogo. Sommige dingen veranderen gelukkig niet.
De ingrediënten voor al dat heerlijks halen we voor het overgrote deel gewoon bij de plaatselijke supermarkt (bij één van de vijf plaatselijke supermarkten) en daar redden we ons goed mee. Eens in de zoveel weken echter wijken we uit naar een grotere supermarkt om wat speciale dingetjes te kopen. Tot nu toe gingen we daarvoor meestal naar Arendal, maar sinds een paar dagen kunnen we dichter bij huis terecht. Op 20 minuten rijden zit nu namelijk een Eurospar. Een wat-Spar? Een Eurospar ja. Misschien heb je die in Nederland ook wel. Ik zou het niet weten.
Voor mijn eerste Spar-herinneringen moeten we zo'n 30-35 jaar terug in de tijd. Als ik bij mijn oma in Uitgeest logeerde (of bij mijn tante die er tegenover woonde), deden we namelijk boodschappen bij de Spar in "de nieuwbouw" (ja, dat moet wel in de jaren 70 geweest zijn, dat was toch de tijd dat je het over "de nieuwbouw" had). Ze kwamen overigens ook wel bij Appie H., herinner ik me, maar dat was de andere kant op. Voor het boodschappen doen zelf had ik geen bijzondere passie, maar wel voor twee bijkomstigheden: het voorttrekken van de enigszins ouderwetse, maar later hip geworden boodschappentas op wieltjes en het plakken van spaarzegeltjes. Ontelbare boekjes zijn er volgeplakt. Alles met behulp van zo'n zompig postzegelkussen. Vond ik ook te gek, dat kussentje, en de plakervaring is later nog goed van pas gekomen, bij mijn vakantiewerk op het postkantoor.
Maar de Spar zelf, tja. Ik zie niet veel anders voor me dan een aftands buurtwinkeltje in een dorp in Limburg waar we een keer op vakantie waren. Van geen enkele plek waar ik gewoond heb, kan ik me een behoorlijke Spar herinneren. Toch bestaat-ie nog steeds. De Spar was blijkbaar al die tijd ergens anders dan ik. Maar nu dus niet meer. Nu hebben we de Eurospar mèt 22 meter lange "vers-counter". Ook al heb ik nog nooit het aantal meters Vers geteld in een supermarkt, ik ben meteen bereid te geloven dat 22 meter een heleboel is. We hoefden dan ook niet lang na te denken toen we het fantastische Spar-nieuws in de krant lazen. Daar moesten we heen!
En zo ging ons weekenduitstapje van deze week naar de Eurospar. We hebben ons prima vermaakt. Hoewel we maar een paar boodschappen op ons lijstje hadden staan, slaagden we er in bijna een uur in de winkel door te brengen. We vergaapten ons aan een zeeduivel met opengesperde bek, antilopebiefstuk en vacuüm verpakte schapenkoppen (in bepaalde regio's is het gebruikelijk in deze tijd van het jaar schapenkop-etentjes te organiseren. Het fijne weet ik er niet van en dat wilde ik voorlopig maar zo houden ook). De krant had niet overdreven, het is een prachtige zaak die in niets doet denken aan de buurtsuper uit mijn herinnering. Op 1 ding na misschien: op de buitengevel hangt het vertrouwde, ietwat oubollige, groen-rode kerstboomlogo. Sommige dingen veranderen gelukkig niet.
zaterdag 8 november 2008
Schaatsseizoen
Zoals elk jaar werd ik ook nu weer een beetje overvallen door de start van het schaatsseizoen. Begin ik er net aan te wennen dat het herfst is, krijgen we meteen de winter over ons heen. Maar goed, het heeft hier ook al een keer gesneeuwd, dus waar heb ik het eigenlijk over?
Tv-zender NRK heeft ook dit jaar een ‘Hoera het is winter’-filmpje in elkaar gedraaid om ons warm te maken voor alle sportuitzendingen waar we de komende maanden van kunnen gaan genieten. Ik moet toegeven: wie van wintersport houdt, hoeft zich, ook op de dagen dat hij er zelf niet op uit gaat in de sneeuw, niet te vervelen hier. Het populairst (op tv dan) zijn langlaufen, biatlon en schansspringen, op enige afstand gevolgd door skiën, schaatsen en ijshockey. Een wintertje langlaufen (met of zonder geweer op de rug) op tv volgen, en je bent precies op de hoogte van zowel het sportieve als het persoonlijke wel en wee van de toppers. Nu begin ik die sport inmiddels aardig te waarderen, maar als rechtgeaarde Nederlander ben ik natuurlijk vooral geïnteresseerd in het schaatsen. Daarmee kan ik dan in elk geval één cliché-beeld dat Noren van Nederlanders hebben (‘houden van schaatsen’) bevestigen. Een hele opluchting na de eerdere teleurstellingen op het gebied van klompen en hasjcake.
Tijdens gesprekken over schaatsen komen vaak dezelfde onderwerpen aan de orde. Met stip op nummer één staat Ard Schenk. Daar moest ik even aan wennen, want Ard is eigenlijk van voor mijn tijd. En als het dan over schaatsers van die tijd gaat, zou ik eerder denken aan Kees Verkerk. Die runt tenslotte een camping hier niet zo ver vandaan. Maar het gaat dus over Ard. Die is waanzinnig populair. ‘Spreekt zo goed Noors’, zeggen de heren. ‘Zo’n knappe man’, zwijmelen de dames. Ja, ik ben er nu achter dat Ard in zijn glorietijd op veel Noorse meisjeskamers aan de muur heeft gehangen. In posterformaat dan.
Gespreksonderwerp nummer twee is het schaatsen op de grachten, je weet wel, dat tafereel dat je weleens ziet op oude romantische foto’s en schilderijen. Mijn Noorse collega’s denken dat dit een standaard Nederlands winterbeeld is en zijn altijd een beetje teleurgesteld als ik vertel dat je in Nederland niet elke winter op de grachten kunt schaatsen (ondertussen verwoed in mijn geheugen gravend naar de laatste keer dat ik op natuurijs stond).
Over het schaatsen anno nu wordt niet zoveel gepraat, behalve dan af en toe de verzuchting dat het met het Noorse schaatsen niet meer is wat het geweest is.
Tja, schaatsen in Noorwegen. Tijdens wedstrijden in Hamar bestaat het publiek voor driekwart uit geëmigreerde of meegereisde Nederlanders. De rest van de aanwezigen is waarschijnlijk familie van Håvard Bøkko (en van zijn zusje, die kan namelijk ook hard schaatsen). Arme Håvard, moet de schaatsdroom van een heel land zien te verwezenlijken. En in elk interview de vraag beantwoorden wanneer hij Sven Kramer gaat verslaan. In elk interview geeft hij monter hetzelfde antwoord: ‘Ik ga hard mijn best doen om zo dicht mogelijk bij Sven te komen, en hopelijk er voorbij’. En dan schaatst of traint hij weer verder. Weinig tumult rond de enige Noorse schaats-ster van dit moment. Lawaai komt hier hoofdzakelijk van de trainer, Peter Mueller. Jaren staat hij alweer naast de baan hier, en net als in Nederland is hij elk seizoen wel goed voor een paar fikse rellen.
Grappig is dat we nu zowel de Noorse als de Nederlandse versie van de gebeurtenissen op en rond het ijs kunnen volgen. Vermaak in stereo.
Toch wel leuk dat het weer winter is.
Tv-zender NRK heeft ook dit jaar een ‘Hoera het is winter’-filmpje in elkaar gedraaid om ons warm te maken voor alle sportuitzendingen waar we de komende maanden van kunnen gaan genieten. Ik moet toegeven: wie van wintersport houdt, hoeft zich, ook op de dagen dat hij er zelf niet op uit gaat in de sneeuw, niet te vervelen hier. Het populairst (op tv dan) zijn langlaufen, biatlon en schansspringen, op enige afstand gevolgd door skiën, schaatsen en ijshockey. Een wintertje langlaufen (met of zonder geweer op de rug) op tv volgen, en je bent precies op de hoogte van zowel het sportieve als het persoonlijke wel en wee van de toppers. Nu begin ik die sport inmiddels aardig te waarderen, maar als rechtgeaarde Nederlander ben ik natuurlijk vooral geïnteresseerd in het schaatsen. Daarmee kan ik dan in elk geval één cliché-beeld dat Noren van Nederlanders hebben (‘houden van schaatsen’) bevestigen. Een hele opluchting na de eerdere teleurstellingen op het gebied van klompen en hasjcake.
Tijdens gesprekken over schaatsen komen vaak dezelfde onderwerpen aan de orde. Met stip op nummer één staat Ard Schenk. Daar moest ik even aan wennen, want Ard is eigenlijk van voor mijn tijd. En als het dan over schaatsers van die tijd gaat, zou ik eerder denken aan Kees Verkerk. Die runt tenslotte een camping hier niet zo ver vandaan. Maar het gaat dus over Ard. Die is waanzinnig populair. ‘Spreekt zo goed Noors’, zeggen de heren. ‘Zo’n knappe man’, zwijmelen de dames. Ja, ik ben er nu achter dat Ard in zijn glorietijd op veel Noorse meisjeskamers aan de muur heeft gehangen. In posterformaat dan.
Gespreksonderwerp nummer twee is het schaatsen op de grachten, je weet wel, dat tafereel dat je weleens ziet op oude romantische foto’s en schilderijen. Mijn Noorse collega’s denken dat dit een standaard Nederlands winterbeeld is en zijn altijd een beetje teleurgesteld als ik vertel dat je in Nederland niet elke winter op de grachten kunt schaatsen (ondertussen verwoed in mijn geheugen gravend naar de laatste keer dat ik op natuurijs stond).
Over het schaatsen anno nu wordt niet zoveel gepraat, behalve dan af en toe de verzuchting dat het met het Noorse schaatsen niet meer is wat het geweest is.
Tja, schaatsen in Noorwegen. Tijdens wedstrijden in Hamar bestaat het publiek voor driekwart uit geëmigreerde of meegereisde Nederlanders. De rest van de aanwezigen is waarschijnlijk familie van Håvard Bøkko (en van zijn zusje, die kan namelijk ook hard schaatsen). Arme Håvard, moet de schaatsdroom van een heel land zien te verwezenlijken. En in elk interview de vraag beantwoorden wanneer hij Sven Kramer gaat verslaan. In elk interview geeft hij monter hetzelfde antwoord: ‘Ik ga hard mijn best doen om zo dicht mogelijk bij Sven te komen, en hopelijk er voorbij’. En dan schaatst of traint hij weer verder. Weinig tumult rond de enige Noorse schaats-ster van dit moment. Lawaai komt hier hoofdzakelijk van de trainer, Peter Mueller. Jaren staat hij alweer naast de baan hier, en net als in Nederland is hij elk seizoen wel goed voor een paar fikse rellen.
Grappig is dat we nu zowel de Noorse als de Nederlandse versie van de gebeurtenissen op en rond het ijs kunnen volgen. Vermaak in stereo.
Toch wel leuk dat het weer winter is.
zondag 19 oktober 2008
Congres
Afgelopen week was ik in Bergen op een congres met als thema "arbeidsmiljø". In Nederland zou het arbocongres geheten hebben denk ik. Kort samengevat ging het over veiligheid en gezondheid op het werk, de krapte op de arbeidsmarkt, import van buitenlandse werknemers en de vergrijzing. Een hoop onderwerpen voor je geld dus, en dat mocht ook wel want goedkoop was het niet. Daar komt nog bij dat je hier in de meeste gevallen niet alleen de deelnamekosten moet rekenen, maar ook (vlieg)reis en overnachting. We wonen nou eenmaal in een groot land met een beperkt wegennet.
Net als veel andere gemeenten zit Risør kommune krap bij kas (en dan staat het gemeentegeld nog niet eens geparkeerd bij een IJslandse bank, kun je nagaan). Het was daarom mooi dat we de verblijfskosten binnen de perken konden houden door te overnachten bij de zus van Marit, de collega met wie ik samen naar het congres ging. Nu kostte de overnachting slechts een bloempot van de lokale keramiekbakkerij plus een chrysant.
Goed, twee-en-een-halve dag congres dus. Nog wat opgestoken? Jazeker!
Om te beginnen was het een stoomcursus integratie voor gevorderden. Onder de sprekers waren een staatssecretaris en andere politici, professoren, een filosoof, een universitair onderzoeker tevens bekend van een populair tv-programma, en een komiek. Die laatste persifleerde een groot aantal vooraanstaande Noren waarvan ik er zowaar een paar (her)kende.
Daarnaast voorzag het congres in een verdieping van mijn kennis van de Noorse taal en overige Scandinavische talen. Er waren niet alleen sprekers uit de verschillende uithoeken van Noorwegen, maar ook uit Denemarken en Zweden en die hielden, zoals dat hier gaat, hun verhaal in hun eigen taal. Grofweg kun je stellen dat voor ons en de meeste Noren het Zweeds goed te verstaan is en wat moeilijker te lezen, terwijl het met Deens precies andersom is. Omdat alle sprekers naast hun mondelinge verhaal ook een Powerpointpresentatie met tekst bij zich hadden, kwamen we onder de streep toch nog in de plus uit, om het zo maar eens te zeggen.
Tot slot leerde ik weer iets bij over de mens. Dat ging zo: de laatste avond was er een diner voor alle congresgangers. Daartoe was een deel van een enorme parkeergarage afgezet en aangekleed. Ik hoorde tot dan toe bij dat deel van de bevolking dat nog nooit warm heeft gegeten in een parkeergarage, dus ik vond het wel een apart idee. We belandden aan tafel bij twee vrouwen uit Oslo en raakten aan de praat. Toen ze hoorden dat ik uit Nederland kwam, werden ze enthousiast. Zij hadden ook een collega uit Nederland en zouden onder zijn leiding binnenkort een reisje naar Haag (zoals ze hier Den Haag noemen) en Amsterdam ondernemen. Daar hadden ze enorm veel zin in, maar ehh... wat ze zich afvroegen was hoe het in Nederland nou zat met zaken als hasjcake en coffeeshops enzo... Tja... Ik wilde natuurlijk niet onbeleefd zijn, en kon met enige moeite voorkomen dat ik dubbelklapte van het lachten. Coffeeshops zijn er inderdaad, legde ik geduldig uit, maar niet op elke straathoek en het is ook niet zo dat alle Nederlanders daar vaste klant zijn. Mijn tafelgenoten waren oprecht verbaasd. Tjonge, het zat daar in Nederland dus heel anders in elkaar dan ze altijd gedacht hadden!
Later vroeg ik me af wat dit nu eigenlijk betekende.
Zei het iets over de Noren? Het is tenslotte een volk dat relatief weinig buiten de eigen landsgrenzen komt, met uitzondering van af en toe een kant-en-klaar reis naar een warm eiland en een vluchtige "harry-tur" (alcohol en sigaretten inkooptrip) naar Zweden. Hmm, zou kunnen.
Zei het iets over Nederland? Presenteren we ons op zo'n eenzijdige manier dat het logisch is dat buitenlanders een verdraaid beeld van de werkelijkheid krijgen? Misschien.
Of zei het gewoon iets over de mens in het algemeen? Zijn we zo kortzichtig dat we ons op grond van een paar indrukken een totaalbeeld vormen van een land en een volk dat we eigenlijk niet kennen? Een beeld dat we vervolgens maar moeilijk kunnen nuanceren?
Ik houd het op het laatste.
Over arbeidsmiljø heb ik overigens ook nog het één en ander geleerd. Goed congres.
Net als veel andere gemeenten zit Risør kommune krap bij kas (en dan staat het gemeentegeld nog niet eens geparkeerd bij een IJslandse bank, kun je nagaan). Het was daarom mooi dat we de verblijfskosten binnen de perken konden houden door te overnachten bij de zus van Marit, de collega met wie ik samen naar het congres ging. Nu kostte de overnachting slechts een bloempot van de lokale keramiekbakkerij plus een chrysant.
Goed, twee-en-een-halve dag congres dus. Nog wat opgestoken? Jazeker!
Om te beginnen was het een stoomcursus integratie voor gevorderden. Onder de sprekers waren een staatssecretaris en andere politici, professoren, een filosoof, een universitair onderzoeker tevens bekend van een populair tv-programma, en een komiek. Die laatste persifleerde een groot aantal vooraanstaande Noren waarvan ik er zowaar een paar (her)kende.
Daarnaast voorzag het congres in een verdieping van mijn kennis van de Noorse taal en overige Scandinavische talen. Er waren niet alleen sprekers uit de verschillende uithoeken van Noorwegen, maar ook uit Denemarken en Zweden en die hielden, zoals dat hier gaat, hun verhaal in hun eigen taal. Grofweg kun je stellen dat voor ons en de meeste Noren het Zweeds goed te verstaan is en wat moeilijker te lezen, terwijl het met Deens precies andersom is. Omdat alle sprekers naast hun mondelinge verhaal ook een Powerpointpresentatie met tekst bij zich hadden, kwamen we onder de streep toch nog in de plus uit, om het zo maar eens te zeggen.
Tot slot leerde ik weer iets bij over de mens. Dat ging zo: de laatste avond was er een diner voor alle congresgangers. Daartoe was een deel van een enorme parkeergarage afgezet en aangekleed. Ik hoorde tot dan toe bij dat deel van de bevolking dat nog nooit warm heeft gegeten in een parkeergarage, dus ik vond het wel een apart idee. We belandden aan tafel bij twee vrouwen uit Oslo en raakten aan de praat. Toen ze hoorden dat ik uit Nederland kwam, werden ze enthousiast. Zij hadden ook een collega uit Nederland en zouden onder zijn leiding binnenkort een reisje naar Haag (zoals ze hier Den Haag noemen) en Amsterdam ondernemen. Daar hadden ze enorm veel zin in, maar ehh... wat ze zich afvroegen was hoe het in Nederland nou zat met zaken als hasjcake en coffeeshops enzo... Tja... Ik wilde natuurlijk niet onbeleefd zijn, en kon met enige moeite voorkomen dat ik dubbelklapte van het lachten. Coffeeshops zijn er inderdaad, legde ik geduldig uit, maar niet op elke straathoek en het is ook niet zo dat alle Nederlanders daar vaste klant zijn. Mijn tafelgenoten waren oprecht verbaasd. Tjonge, het zat daar in Nederland dus heel anders in elkaar dan ze altijd gedacht hadden!
Later vroeg ik me af wat dit nu eigenlijk betekende.
Zei het iets over de Noren? Het is tenslotte een volk dat relatief weinig buiten de eigen landsgrenzen komt, met uitzondering van af en toe een kant-en-klaar reis naar een warm eiland en een vluchtige "harry-tur" (alcohol en sigaretten inkooptrip) naar Zweden. Hmm, zou kunnen.
Zei het iets over Nederland? Presenteren we ons op zo'n eenzijdige manier dat het logisch is dat buitenlanders een verdraaid beeld van de werkelijkheid krijgen? Misschien.
Of zei het gewoon iets over de mens in het algemeen? Zijn we zo kortzichtig dat we ons op grond van een paar indrukken een totaalbeeld vormen van een land en een volk dat we eigenlijk niet kennen? Een beeld dat we vervolgens maar moeilijk kunnen nuanceren?
Ik houd het op het laatste.
Over arbeidsmiljø heb ik overigens ook nog het één en ander geleerd. Goed congres.
zondag 12 oktober 2008
Obi
Gisteren hebben we Obi uitgezwaaid. Obi was onze eerste grote aanschaf in Noorwegen, een zwarte Honda Civic. Nou ja, eigenlijk was hij auberginekleurig (vandaar de naam), maar dat zag je alleen als hij net gewassen was.
We kwamen op een maandag aan in Noorwegen, dinsdag gingen we Obi bekijken en woensdag was hij van ons. Een week later kreeg hij een zusje, Sjø (zee), een zeegroene Nissan. In de maanden die volgden brachten Obi en Sjø ons dagelijks van ons campinghuis naar onze verschillende werkplekken. Tot we in december naar ‘de stad’ verhuisden. Toen woonden we op loopafstand van ons werk en hadden we eigenlijk geen twee auto's meer nodig. (En voor de verstokte OV-fans die zich afvragen of we ze dan eerst echt wel nodig hadden: ja! Met de bus van hier naar Arendal is geen feest en een trein hebben we niet.)
We besloten de nieuwe situatie even aan te kijken en na een maand of twee-drie te evalueren. Halverwege februari waren we wel uitgeëvalueerd. Het was duidelijk: we hadden genoeg aan één auto. Dat we de auto pas twee weken geleden te koop zetten, bewijst dat we al aardig ingeburgerd raken in het Noorse tempo: je hebt een project en je hebt geen idee wanneer het klaar is...
Maar goed, nu is Obi dus verkocht en weg. Het is natuurlijk niet veel meer dan een blik op wielen, maar ik moet toch even wennen aan het idee dat hij niet meer van ons is. Wat me wèl bevalt is dat het een stuk ruimer is in de garage, nu er vier winterbanden verdwenen zijn.
Ach ja, de garage, ook zo'n project. Beetje groot project, dat wel. Het is nu niet veel meer dan een paar planken op een stuk aarde. Donker en vochtig en met een deur die niet goed dicht kan. Al is dat laatste niet direct een probleem hier. Maar voor de garage hebben we alleen nog maar een vaag idee, geen concreet plan. Dat zal nog wel een paar jaar duren dus.
We kwamen op een maandag aan in Noorwegen, dinsdag gingen we Obi bekijken en woensdag was hij van ons. Een week later kreeg hij een zusje, Sjø (zee), een zeegroene Nissan. In de maanden die volgden brachten Obi en Sjø ons dagelijks van ons campinghuis naar onze verschillende werkplekken. Tot we in december naar ‘de stad’ verhuisden. Toen woonden we op loopafstand van ons werk en hadden we eigenlijk geen twee auto's meer nodig. (En voor de verstokte OV-fans die zich afvragen of we ze dan eerst echt wel nodig hadden: ja! Met de bus van hier naar Arendal is geen feest en een trein hebben we niet.)
We besloten de nieuwe situatie even aan te kijken en na een maand of twee-drie te evalueren. Halverwege februari waren we wel uitgeëvalueerd. Het was duidelijk: we hadden genoeg aan één auto. Dat we de auto pas twee weken geleden te koop zetten, bewijst dat we al aardig ingeburgerd raken in het Noorse tempo: je hebt een project en je hebt geen idee wanneer het klaar is...
Maar goed, nu is Obi dus verkocht en weg. Het is natuurlijk niet veel meer dan een blik op wielen, maar ik moet toch even wennen aan het idee dat hij niet meer van ons is. Wat me wèl bevalt is dat het een stuk ruimer is in de garage, nu er vier winterbanden verdwenen zijn.
Ach ja, de garage, ook zo'n project. Beetje groot project, dat wel. Het is nu niet veel meer dan een paar planken op een stuk aarde. Donker en vochtig en met een deur die niet goed dicht kan. Al is dat laatste niet direct een probleem hier. Maar voor de garage hebben we alleen nog maar een vaag idee, geen concreet plan. Dat zal nog wel een paar jaar duren dus.
zondag 5 oktober 2008
Herfstzondag

De storm die Nederland vannacht teisterde, heeft ook in delen van Noorwegen huisgehouden. Toen ik vanochtend beneden kwam, lagen de tuinstoelen op een hoop in een hoek van het terras en had de klimroos van de overbuurvrouw het loodje gelegd. Ik was eerlijk gezegd een beetje verrast, want toen ik zaterdag op de Noorse weersite yr.no keek, had ik niet gezien dat er zo'n storm voorspeld werd. Dat zeg misschien meer over mij dan over yr.no al is het natuurlijk de vraag in hoeverre je een weersite die zich vertaald in het Nederlands motregen.nl zou noemen, serieus kunt nemen.
Vandaag waait het nog steeds behoorlijk. De golven op zee hebben woeste witte schuimkoppen en denderen in volle vaart tegen de rotseilandjes voor de kust aan. Een mooi gezicht met de zon er op. Want die schijnt gelukkig weer. Behalve dat alles er leuker uit ziet, heeft de zon nog een ander voordeel. Het is een belangrijke verwarming voor ons huis. Zolang de zon schijnt, hoeft de kachel niet aan en dat is lekker voordelig. Ja, we blijven natuurlijk Nederlanders...
Helaas schijnt ook hier de zon niet elke dag, dus we hebben onze maatregelen voor het winterseizoen al getroffen. Vorige winter hebben we veel elektrisch gestookt (geen cv hier) en weinig op hout. Omdat we halverwege de winter verhuisden, hadden we namelijk geen grote houtvoorraad aangelegd. Elektrisch verwarmen is echter niet erg economisch, zeker niet nu de elektriciteitsprijzen stijgen, en daarnaast mist het ook nog eens de knusheid van de houtkachel. Dit jaar moest het anders, besloten we.
Wil je een beetje goed hout kopen tegen een redelijke prijs, dan moet je er op tijd bij zijn, dus John begon in augustus al met een belrondje. Enige tijd later belde de uitverkoren houtboer terug met de mededeling dat hij in de loop van de volgende week twee pallets zou komen bezorgen. Nu namen we dat bericht met een flinke korrel zout, want we hebben intussen wel geleerd dat men hier niet al te veel haast maakt als er iets geleverd moet worden. Maar deze houtboer was de uitzondering op de regel. Exact op het afgesproken tijdstip stopte zijn vrachtwagen voor de deur en even later stonden er twee pallets hout naast de weg. Nu kwam de grootste klus: het hout verslepen van de pallets naar de houtschuur. Die is onder het huis, aan de achterkant en het was dan ook een heel gesjouw om de voorraad daar te krijgen. Maar nu ligt alles netjes opgestapeld in de schuur. De kachel heeft al een paar keer gebrand. Laat de winter maar komen!
Abonneren op:
Posts (Atom)


