Zaterdagochtend werd ik wakker en het eerste wat ik dacht was: "Oef, dat hebben we ook weer gehad."
Bij de gemeente Risør hadden we een uiterst beperkt budget voor sociale activiteiten en dit jaar was de hele pot was besteed aan een zomerfeest (waar ik niet bij kon zijn, maar dat was niet zo heel erg aangezien het op de bewuste avond goot van de lucht waardoor het geen bruisend buitenfeest werd maar een slappe avond in een triest hotel met een enigszins depressieve aftandse zanger die voortijdig het toneel verliet).
Met een lege feestkas is het slecht feesten en dus was besloten dat er dit jaar geen kerstetentje zou komen. Ach, wat jammer nou......
Maar ja, toen kwam de verhuizing.
Op 5 oktober begon ik in mijn nieuwe baan. Op 8 oktober kwam er een mailtje: "Goedemorgen Emmy, op 11 december is het jaarlijkse julebord. We hopen dat je komt. Groetjes, de feestcommissie."
Tja, wat nu?
Eén van de hoofdpunten in mijn functieomschrijving is aandacht voor het werkklimaat, zowel het fysieke (voorkomen van muisarmen enzo) als het sociale. Mooie verhalen houden en dan vervolgens niet op komen dagen op het julebord, dat vind ik eigenlijk niet kunnen. Ik voel me moreel verplicht om er heen te gaan. En eerlijk gezegd was ik ook wel een klein beetje nieuwsgierig, want het zou geen standaard kerstetentje in een restaurant zijn, maar een koud buffet in een "hut" in het bos.
Ik begon tijdig met de voorbereidingen. Zoals ik vorig jaar al schreef, is kleding erg belangrijk tijdens het kerstgebeuren. Om stress te voorkomen, toog ik naar een winkel waar ze kleding verkochten die ik leuk vond. Ik sprak de woorden "julebord in boshut" en voilà, een uurtje later stond ik buiten met een volledige julebordgarderobe (ok, nog iets meer ook....). Tjonge, wat kan het leven soms toch eenvoudig zijn.
Naarmate de feestavond dichterbij kwam, kreeg ik steeds meer zin om me net zo hard af te melden als ik me had aangemeld. Matig eten, flauwe toespraken, dronken collega's, tja, ik weet niet, ik word er gewoon niet vrolijk van.
Maar op 11 december, om 18 uur, bevond ik me natuurlijk toch gewoon in de bus die ons naar de hut zou brengen.
De feestcommissie had hard gewerkt om er wat van te maken: knus gedekte tafels, een kerstboom, een brandende open haard. Eerlijk is eerlijk, het zag er leuk uit.
Hoewel de traditionele ribbe en pinnekjøtt me dit jaar bespaard bleven, was het eten weer niet om over naar huis te schrijven: spekemat, ook zoiets typisch Noors. Spekemat laat zich nog het beste vertalen als "vleesschotel". In de praktijk betekent het schalen met worst en vleeswaren, schalen met salades - liefst aardappelsalade in een vettige saus -, en brood. De feestcommissie had nog wel een gezonde twist aan het geheel gegeven door ook schalen met voorgesneden fruit op tafel te zetten. En er was natuurlijk taart en chocolade. Dat laatste in grote hoeveelheden ingeslagen in Zweden, samen met het bier en de vleeswaren. We wonen hier tenslotte vlak bij de boot naar Strömstad, dus een harrytur is een fluitje van een cent.
De avond zelf dan? Mwah, goed te doen, al is het voor mij toch meer overleven dan beleven. De persoonsverandering die sommige collega's ondergaan, is over het algemeen geen verandering "ten goede", maar die beelden zet ik in een hoekje ver weg in mijn geheugen. Helemaal wissen van de harde schijf, dat lukt nog niet. Misschien over een paar jaar. Noren zijn er in elk geval heel goed in, dat weet ik zeker. Op maandagochtend is er geen kip die nog met een woord rept over het julebord van vrijdagavond, behalve dan de mensen die er niet bij waren en die vragen hoe het was. De rest lijkt het volledig te zijn vergeten. Misschien maar beter ook...
Posts tonen met het label sport. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sport. Alle posts tonen
maandag 14 december 2009
dinsdag 17 februari 2009
Jan en Ole Einar
Jan Bols rijdt op het EK schaatsen van 1971 een buitenbocht te veel. De Noren dringen aan op diskwalificatie. Resultaat: Jan verdwijnt uit de uitslag en de Noor Dag Fornæss wordt Europees kampioen (dat was hij misschien evengoed wel geworden, maar dat zullen we nooit weten). Behalve een gouden plak kon hij ook een klap op zijn hoofd met een paraplu, sinaasappels op het ijs en hevig boegeroep incasseren. Het Nederlandse schaatspubliek leefde mee, zullen we maar zeggen.
Ole Einar Bjørndalen skiet deze week op het WK biathlon over een bruggetje dat niet op, maar naast het parcours ligt. Hij maakt te veel meters, maar wint toch met overmacht. De Russen dienen een protest in met de bedoeling zelf op te schuiven van zilver naar goud. In eerste instantie met succes, maar na lang soebatten gaat het goud toch terug naar Ole Einar.
Rond 1 miljoen Noorse TV-kijkers volgden de ontwikkelingen in Zuid Korea op de voet, stond er vandaag in de krant. Hoeveel mensen de gang van zaken via internet volgden, stond er niet, maar dat waren er ook vast een heleboel. Ik was er in elk geval één van. Biathlon mag dan nog niet zo’n hele grote plek in mijn sporthart veroverd hebben, ik wilde natuurlijk wel weten hoe het afliep!
Terwijl de juryleden debatteerden, plaatsten talloze mensen reacties op de website van de krant. Het ging er niet bepaald zachtzinnig aan toe. Allerlei relevante en vooral irrelevante details werden aangevoerd om het eigen gelijk te illustreren. Grofweg waren de reacties in te delen in drie groepen:
1. Tja, als je zo suf bent om verkeerd te skiën, moet je tijdstraf krijgen/gediskwalificeerd worden.
2. Die vuile.........onsportieve.........Russen die allemaal aan de doping zijn, kunnen alleen op deze manier nog maar winnen. Ze zouden ze moeten......etc. etc.
3. Dom, dom, dom, maar als je teveel meters maakt en toch ruim wint, ben je gewoon de beste, of niet soms? Hier met die medaille dus.
Ik sloot me aan bij stelling nummer 3. Wij hadden recht op goud, punt uit. Ehh, wij? Was ik opeens Noorse geworden? Daar moest ik even over nadenken, maar ik kwam tot de conclusie dat dat nog niet het geval was. Gelukkig, want als je je half Noors/half Nederlands voelt, “win” je in een sportjaar veel meer prijzen dan wanneer je een keuze maakt.
Nee, stelling 3 sloot gewoon het beste aan bij mijn eigen sportlogica. De chef d’equipe van de Noorse biatleten zei het als volgt: “het verstand heeft uiteindelijk gezegevierd. Wij hebben van het begin af gezegd dat er volgens de reglementen in een dergelijke situatie altijd twee vragen moeten worden gesteld: 1. Ben je van het parcours afgeweken? 2. Heb je daarmee tijd gewonnen of juist tijd verloren? Heb je tijd verloren, dan kan er nooit straf gegeven worden.”
Helemaal mee eens hoor, maar ehh, golden die regels in 1971 nog niet dan?
Ole Einar Bjørndalen skiet deze week op het WK biathlon over een bruggetje dat niet op, maar naast het parcours ligt. Hij maakt te veel meters, maar wint toch met overmacht. De Russen dienen een protest in met de bedoeling zelf op te schuiven van zilver naar goud. In eerste instantie met succes, maar na lang soebatten gaat het goud toch terug naar Ole Einar.
Rond 1 miljoen Noorse TV-kijkers volgden de ontwikkelingen in Zuid Korea op de voet, stond er vandaag in de krant. Hoeveel mensen de gang van zaken via internet volgden, stond er niet, maar dat waren er ook vast een heleboel. Ik was er in elk geval één van. Biathlon mag dan nog niet zo’n hele grote plek in mijn sporthart veroverd hebben, ik wilde natuurlijk wel weten hoe het afliep!
Terwijl de juryleden debatteerden, plaatsten talloze mensen reacties op de website van de krant. Het ging er niet bepaald zachtzinnig aan toe. Allerlei relevante en vooral irrelevante details werden aangevoerd om het eigen gelijk te illustreren. Grofweg waren de reacties in te delen in drie groepen:
1. Tja, als je zo suf bent om verkeerd te skiën, moet je tijdstraf krijgen/gediskwalificeerd worden.
2. Die vuile.........onsportieve.........Russen die allemaal aan de doping zijn, kunnen alleen op deze manier nog maar winnen. Ze zouden ze moeten......etc. etc.
3. Dom, dom, dom, maar als je teveel meters maakt en toch ruim wint, ben je gewoon de beste, of niet soms? Hier met die medaille dus.
Ik sloot me aan bij stelling nummer 3. Wij hadden recht op goud, punt uit. Ehh, wij? Was ik opeens Noorse geworden? Daar moest ik even over nadenken, maar ik kwam tot de conclusie dat dat nog niet het geval was. Gelukkig, want als je je half Noors/half Nederlands voelt, “win” je in een sportjaar veel meer prijzen dan wanneer je een keuze maakt.
Nee, stelling 3 sloot gewoon het beste aan bij mijn eigen sportlogica. De chef d’equipe van de Noorse biatleten zei het als volgt: “het verstand heeft uiteindelijk gezegevierd. Wij hebben van het begin af gezegd dat er volgens de reglementen in een dergelijke situatie altijd twee vragen moeten worden gesteld: 1. Ben je van het parcours afgeweken? 2. Heb je daarmee tijd gewonnen of juist tijd verloren? Heb je tijd verloren, dan kan er nooit straf gegeven worden.”
Helemaal mee eens hoor, maar ehh, golden die regels in 1971 nog niet dan?
maandag 1 december 2008
‘Club Zonder Naam’
Als we in Nederland lid wilden worden van een sportvereniging, was dat niet al te ingewikkeld, zelfs niet bij verhuizing naar een andere plaats. Gewoon even op internet kijken (of - in het pré-internet tijdperk - in de gemeentegids) en je wist waar je zijn moest.
In Noorwegen bleek het minder eenvoudig. Om te beginnen wilden we het hardlopen weer op de rails krijgen. Dat lijkt simpel, want hardlopen kun je overal. Toch? Ja, dat klopt, maar het is wel prettig als je kunt zien waar je loopt. Op Sandnes, in de omgeving van de camping waar we woonden, was geen straatverlichting en als het niet toevallig volle maan was, was het daar ’s avonds echt pikdonker. Die paar keer dat ik me toch aan een training in het donker waagde, had ik het gevoel dat ik aan een evenwichtsstoornis leed. John had nog een ander probleempje. Ter voorbereiding op het (atletiek-)baanseizoen wilde hij het liefst zijn intervallen op een vlak parcours lopen. Vlak, tja, kom daar maar eens om in Noorwegen. Als je van een Noor een tip krijgt over een plek waarvan hij vindt dat het er goed hardlopen is, kom je meestal terecht op smalle bospaadjes vol met boomstronken en rotsen. Beter geschikt voor uitstapjes van het type ‘bergwandeling’, vinden wij. Het is natuurlijk maar net wat je gewend bent. Na enig speurwerk was John er overigens wel in geslaagd her en der zijn parcoursjes uit te zetten, maar ideaal was het niet.
Toen we naar Ringveien verhuisden besloten we dan ook dat het tijd was om een loopband aan te schaffen. Zo gezegd, zo gedaan. Op een dag werd er een loeizwaar pakket bezorgd. Ja hoor, de loopband. We hadden gedacht beneden een trimkamer te maken, maar het kreng was nauwelijks van z’n plaats te krijgen. Wat nu? Een loopband in de voortuin, dat was ook niet echt de bedoeling. Uiteindelijk kozen we voor een kamer boven en nadat we hersteld waren van onze rugfractuur konden we de band in gebruik nemen. Hij doet nog steeds dienst, zeker nu het weer regelmatig glad is buiten.
John traint, als het weer het toelaat, ook veel in het dorp en is daardoor een lokale bekendheid geworden, erg grappig (“Oooh, dat kleine mannetje dat zulke harde intervallen loopt op Solsiden, jahaaa, die ken ik wel hoor, oh, is dàt nou John?”).
Het asociale deel van ons sportieve leven hadden we dus aardig op orde, maar zelfs wij willen af en toe in onze vrije tijd wel eens contact met andere mensen. John had het snel voor elkaar door mee te gaan doen aan het wekelijkse zaalvoetbalavondje voor leraren, ex-leraren en gepensioneerde leraren, maar ik kon mijn draai niet echt vinden.
In januari haalde een collega me over om mee te gaan naar conditietraining. Nee, het was echt geen aerobics, verzekerde ze me toen ik vertwijfeld wat bezwaren begon te mompelen. Ik mee, en na vijf minuten wist ik het eigenlijk al: dit is he-le-maal niks voor mij. Okee, veel mensen vinden het leuk (bleek ook wel uit het feit dat we als sardientjes opeengepakt in het gymzaaltje stonden), maar zo'n training op muziek met pasjes enzo, daar krijg ik acuut allergische reacties van.
Mijn eerste poging tot deelname aan het lokale clubleven konden we als mislukt beschouwen en in de maanden die volgden, modderde ik een beetje aan met hardlopen en baantjes trekken in het zwembad.
Na de zomervakantie besloot ik het nog een keer te proberen. Ik was er intussen achter dat de meeste sportclubs in Risør alleen actief zijn voor jeugdleden. Het lijkt wel of hier bijna niemand van boven de 18 geïnteresseerd is in competitief sporten. Gelukkig is er de innebandyclub. Tot vorig jaar had ik nog nooit van innebandy gehoord, maar hier is het een populaire sport. Het is, simpel gezegd, ijshockey zonder ijs. Een snelle, felle sport, leuk om te doen. Klein nadeel is dat ik sinds de middelbare school geen hockeystick meer in mijn handen heb gehad (en daarbij is innebandy toch anders dan het Nederlandse hockey), maar dat mag de pret niet drukken. Nu, na een maandje of drie, heb ik zelfs af en toe het idee dat de bal doet wat ik wil.
Sinds kort ben ik bij een tweede club(je): badminton. Oude liefde roest niet, dat blijkt maar weer. Zoals veel andere kleine verenigingen, staat ook deze club nergens vermeld. Het is gewoon een verzameling mensen die op een of andere manier bij elkaar in een gymzaal zijn beland. Eén van die mensen is toevallig de kamergenoot van John en zo kwam het dat ik nu ook lid ben van de ‘Club Zonder Naam’.
In Noorwegen bleek het minder eenvoudig. Om te beginnen wilden we het hardlopen weer op de rails krijgen. Dat lijkt simpel, want hardlopen kun je overal. Toch? Ja, dat klopt, maar het is wel prettig als je kunt zien waar je loopt. Op Sandnes, in de omgeving van de camping waar we woonden, was geen straatverlichting en als het niet toevallig volle maan was, was het daar ’s avonds echt pikdonker. Die paar keer dat ik me toch aan een training in het donker waagde, had ik het gevoel dat ik aan een evenwichtsstoornis leed. John had nog een ander probleempje. Ter voorbereiding op het (atletiek-)baanseizoen wilde hij het liefst zijn intervallen op een vlak parcours lopen. Vlak, tja, kom daar maar eens om in Noorwegen. Als je van een Noor een tip krijgt over een plek waarvan hij vindt dat het er goed hardlopen is, kom je meestal terecht op smalle bospaadjes vol met boomstronken en rotsen. Beter geschikt voor uitstapjes van het type ‘bergwandeling’, vinden wij. Het is natuurlijk maar net wat je gewend bent. Na enig speurwerk was John er overigens wel in geslaagd her en der zijn parcoursjes uit te zetten, maar ideaal was het niet.
Toen we naar Ringveien verhuisden besloten we dan ook dat het tijd was om een loopband aan te schaffen. Zo gezegd, zo gedaan. Op een dag werd er een loeizwaar pakket bezorgd. Ja hoor, de loopband. We hadden gedacht beneden een trimkamer te maken, maar het kreng was nauwelijks van z’n plaats te krijgen. Wat nu? Een loopband in de voortuin, dat was ook niet echt de bedoeling. Uiteindelijk kozen we voor een kamer boven en nadat we hersteld waren van onze rugfractuur konden we de band in gebruik nemen. Hij doet nog steeds dienst, zeker nu het weer regelmatig glad is buiten.
John traint, als het weer het toelaat, ook veel in het dorp en is daardoor een lokale bekendheid geworden, erg grappig (“Oooh, dat kleine mannetje dat zulke harde intervallen loopt op Solsiden, jahaaa, die ken ik wel hoor, oh, is dàt nou John?”).
Het asociale deel van ons sportieve leven hadden we dus aardig op orde, maar zelfs wij willen af en toe in onze vrije tijd wel eens contact met andere mensen. John had het snel voor elkaar door mee te gaan doen aan het wekelijkse zaalvoetbalavondje voor leraren, ex-leraren en gepensioneerde leraren, maar ik kon mijn draai niet echt vinden.
In januari haalde een collega me over om mee te gaan naar conditietraining. Nee, het was echt geen aerobics, verzekerde ze me toen ik vertwijfeld wat bezwaren begon te mompelen. Ik mee, en na vijf minuten wist ik het eigenlijk al: dit is he-le-maal niks voor mij. Okee, veel mensen vinden het leuk (bleek ook wel uit het feit dat we als sardientjes opeengepakt in het gymzaaltje stonden), maar zo'n training op muziek met pasjes enzo, daar krijg ik acuut allergische reacties van.
Mijn eerste poging tot deelname aan het lokale clubleven konden we als mislukt beschouwen en in de maanden die volgden, modderde ik een beetje aan met hardlopen en baantjes trekken in het zwembad.
Na de zomervakantie besloot ik het nog een keer te proberen. Ik was er intussen achter dat de meeste sportclubs in Risør alleen actief zijn voor jeugdleden. Het lijkt wel of hier bijna niemand van boven de 18 geïnteresseerd is in competitief sporten. Gelukkig is er de innebandyclub. Tot vorig jaar had ik nog nooit van innebandy gehoord, maar hier is het een populaire sport. Het is, simpel gezegd, ijshockey zonder ijs. Een snelle, felle sport, leuk om te doen. Klein nadeel is dat ik sinds de middelbare school geen hockeystick meer in mijn handen heb gehad (en daarbij is innebandy toch anders dan het Nederlandse hockey), maar dat mag de pret niet drukken. Nu, na een maandje of drie, heb ik zelfs af en toe het idee dat de bal doet wat ik wil.
Sinds kort ben ik bij een tweede club(je): badminton. Oude liefde roest niet, dat blijkt maar weer. Zoals veel andere kleine verenigingen, staat ook deze club nergens vermeld. Het is gewoon een verzameling mensen die op een of andere manier bij elkaar in een gymzaal zijn beland. Eén van die mensen is toevallig de kamergenoot van John en zo kwam het dat ik nu ook lid ben van de ‘Club Zonder Naam’.
zaterdag 8 november 2008
Schaatsseizoen
Zoals elk jaar werd ik ook nu weer een beetje overvallen door de start van het schaatsseizoen. Begin ik er net aan te wennen dat het herfst is, krijgen we meteen de winter over ons heen. Maar goed, het heeft hier ook al een keer gesneeuwd, dus waar heb ik het eigenlijk over?
Tv-zender NRK heeft ook dit jaar een ‘Hoera het is winter’-filmpje in elkaar gedraaid om ons warm te maken voor alle sportuitzendingen waar we de komende maanden van kunnen gaan genieten. Ik moet toegeven: wie van wintersport houdt, hoeft zich, ook op de dagen dat hij er zelf niet op uit gaat in de sneeuw, niet te vervelen hier. Het populairst (op tv dan) zijn langlaufen, biatlon en schansspringen, op enige afstand gevolgd door skiën, schaatsen en ijshockey. Een wintertje langlaufen (met of zonder geweer op de rug) op tv volgen, en je bent precies op de hoogte van zowel het sportieve als het persoonlijke wel en wee van de toppers. Nu begin ik die sport inmiddels aardig te waarderen, maar als rechtgeaarde Nederlander ben ik natuurlijk vooral geïnteresseerd in het schaatsen. Daarmee kan ik dan in elk geval één cliché-beeld dat Noren van Nederlanders hebben (‘houden van schaatsen’) bevestigen. Een hele opluchting na de eerdere teleurstellingen op het gebied van klompen en hasjcake.
Tijdens gesprekken over schaatsen komen vaak dezelfde onderwerpen aan de orde. Met stip op nummer één staat Ard Schenk. Daar moest ik even aan wennen, want Ard is eigenlijk van voor mijn tijd. En als het dan over schaatsers van die tijd gaat, zou ik eerder denken aan Kees Verkerk. Die runt tenslotte een camping hier niet zo ver vandaan. Maar het gaat dus over Ard. Die is waanzinnig populair. ‘Spreekt zo goed Noors’, zeggen de heren. ‘Zo’n knappe man’, zwijmelen de dames. Ja, ik ben er nu achter dat Ard in zijn glorietijd op veel Noorse meisjeskamers aan de muur heeft gehangen. In posterformaat dan.
Gespreksonderwerp nummer twee is het schaatsen op de grachten, je weet wel, dat tafereel dat je weleens ziet op oude romantische foto’s en schilderijen. Mijn Noorse collega’s denken dat dit een standaard Nederlands winterbeeld is en zijn altijd een beetje teleurgesteld als ik vertel dat je in Nederland niet elke winter op de grachten kunt schaatsen (ondertussen verwoed in mijn geheugen gravend naar de laatste keer dat ik op natuurijs stond).
Over het schaatsen anno nu wordt niet zoveel gepraat, behalve dan af en toe de verzuchting dat het met het Noorse schaatsen niet meer is wat het geweest is.
Tja, schaatsen in Noorwegen. Tijdens wedstrijden in Hamar bestaat het publiek voor driekwart uit geëmigreerde of meegereisde Nederlanders. De rest van de aanwezigen is waarschijnlijk familie van Håvard Bøkko (en van zijn zusje, die kan namelijk ook hard schaatsen). Arme Håvard, moet de schaatsdroom van een heel land zien te verwezenlijken. En in elk interview de vraag beantwoorden wanneer hij Sven Kramer gaat verslaan. In elk interview geeft hij monter hetzelfde antwoord: ‘Ik ga hard mijn best doen om zo dicht mogelijk bij Sven te komen, en hopelijk er voorbij’. En dan schaatst of traint hij weer verder. Weinig tumult rond de enige Noorse schaats-ster van dit moment. Lawaai komt hier hoofdzakelijk van de trainer, Peter Mueller. Jaren staat hij alweer naast de baan hier, en net als in Nederland is hij elk seizoen wel goed voor een paar fikse rellen.
Grappig is dat we nu zowel de Noorse als de Nederlandse versie van de gebeurtenissen op en rond het ijs kunnen volgen. Vermaak in stereo.
Toch wel leuk dat het weer winter is.
Tv-zender NRK heeft ook dit jaar een ‘Hoera het is winter’-filmpje in elkaar gedraaid om ons warm te maken voor alle sportuitzendingen waar we de komende maanden van kunnen gaan genieten. Ik moet toegeven: wie van wintersport houdt, hoeft zich, ook op de dagen dat hij er zelf niet op uit gaat in de sneeuw, niet te vervelen hier. Het populairst (op tv dan) zijn langlaufen, biatlon en schansspringen, op enige afstand gevolgd door skiën, schaatsen en ijshockey. Een wintertje langlaufen (met of zonder geweer op de rug) op tv volgen, en je bent precies op de hoogte van zowel het sportieve als het persoonlijke wel en wee van de toppers. Nu begin ik die sport inmiddels aardig te waarderen, maar als rechtgeaarde Nederlander ben ik natuurlijk vooral geïnteresseerd in het schaatsen. Daarmee kan ik dan in elk geval één cliché-beeld dat Noren van Nederlanders hebben (‘houden van schaatsen’) bevestigen. Een hele opluchting na de eerdere teleurstellingen op het gebied van klompen en hasjcake.
Tijdens gesprekken over schaatsen komen vaak dezelfde onderwerpen aan de orde. Met stip op nummer één staat Ard Schenk. Daar moest ik even aan wennen, want Ard is eigenlijk van voor mijn tijd. En als het dan over schaatsers van die tijd gaat, zou ik eerder denken aan Kees Verkerk. Die runt tenslotte een camping hier niet zo ver vandaan. Maar het gaat dus over Ard. Die is waanzinnig populair. ‘Spreekt zo goed Noors’, zeggen de heren. ‘Zo’n knappe man’, zwijmelen de dames. Ja, ik ben er nu achter dat Ard in zijn glorietijd op veel Noorse meisjeskamers aan de muur heeft gehangen. In posterformaat dan.
Gespreksonderwerp nummer twee is het schaatsen op de grachten, je weet wel, dat tafereel dat je weleens ziet op oude romantische foto’s en schilderijen. Mijn Noorse collega’s denken dat dit een standaard Nederlands winterbeeld is en zijn altijd een beetje teleurgesteld als ik vertel dat je in Nederland niet elke winter op de grachten kunt schaatsen (ondertussen verwoed in mijn geheugen gravend naar de laatste keer dat ik op natuurijs stond).
Over het schaatsen anno nu wordt niet zoveel gepraat, behalve dan af en toe de verzuchting dat het met het Noorse schaatsen niet meer is wat het geweest is.
Tja, schaatsen in Noorwegen. Tijdens wedstrijden in Hamar bestaat het publiek voor driekwart uit geëmigreerde of meegereisde Nederlanders. De rest van de aanwezigen is waarschijnlijk familie van Håvard Bøkko (en van zijn zusje, die kan namelijk ook hard schaatsen). Arme Håvard, moet de schaatsdroom van een heel land zien te verwezenlijken. En in elk interview de vraag beantwoorden wanneer hij Sven Kramer gaat verslaan. In elk interview geeft hij monter hetzelfde antwoord: ‘Ik ga hard mijn best doen om zo dicht mogelijk bij Sven te komen, en hopelijk er voorbij’. En dan schaatst of traint hij weer verder. Weinig tumult rond de enige Noorse schaats-ster van dit moment. Lawaai komt hier hoofdzakelijk van de trainer, Peter Mueller. Jaren staat hij alweer naast de baan hier, en net als in Nederland is hij elk seizoen wel goed voor een paar fikse rellen.
Grappig is dat we nu zowel de Noorse als de Nederlandse versie van de gebeurtenissen op en rond het ijs kunnen volgen. Vermaak in stereo.
Toch wel leuk dat het weer winter is.
Abonneren op:
Posts (Atom)