Een tijdje geleden schreef ik over een baby die de eerste weken na zijn geboorte naamloos door het leven ging. Intussen weten we dat hij Theodor heet, maar het gebeuren rond namen liet me niet zomaar los.
Wat hier al snel opvalt, is dat veel mensen dezelfde naam hebben. Dit geldt voor zowel voornamen als achternamen als voor combinaties daarvan. Je kunt in een maand tijd rustig meerdere overlijdensadvertenties tegenkomen met namen van mensen die je kent, zonder dat de overledene in de verste verte ook maar iets met jouw kennissen te maken had. Op een of andere manier vind ik dat iets lugubers hebben.
Dan is er het verschijnsel van de dubbele namen (voornamen en achternamen). Gebruiken we in Nederland een tweede voornaam vaak alleen voor de leuk of om de grootouders tevreden te stellen, hier wordt deze actief gebruikt. Wij staan dan ook met onze volledige voornamen geregistreerd bij alle enigszins formele instanties en krijgen consequent post (bijvoorbeeld rekeningen voor elektriciteit enzo) met onze hele naam van A tot Z erop.
Kinderen gebruiken vaak de achternaam van zowel vader als moeder. Iemand die Ole Alexander Jensen Halvorsen heet (ik noem maar een dwarsstraat), heeft dus Ole Alexander als voornaam (waarschijnlijk heette opa 1 Ole en opa 2 Alexander), een moeder die Jensen heet, en een vader die Halvorsen heet.
Niet zo verbazingwekkend dat veel brievenbussen van boven tot onder vol staan met namen van gezinsleden. Dat is overigens echt nodig, want de post wordt hier op naam bezorgd, niet op postcode + huisnummer. Staat je naam niet op je brievenbus, dan krijg je na enige tijd een briefje van de postbode met het verzoek je naam op de bus te kalken.
Wie het zat is om met de naam van opa en een doorsnee achternaam door het leven te gaan, heeft het in Noorwegen makkelijk. Een aantal jaar geleden is er een wet gekomen die het mogelijk maakt van naam te wisselen zonder dat je daar een goede reden voor hoeft te hebben. Zo'n beetje alle achternamen zijn toegestaan, mits niet kwetsend of aanstootgevend. Je komt werkelijk de vreemdste dingen tegen. Wat te denken van een colaliefhebber die als eerste van twee achternamen voor "kolaautomat" heeft gekozen. Of ene Janis Joplin Pedersen die in onze buurgemeente Gjerstad woont. Ook zijn er diverse mensen die de achternaam Alstublieft-Dankuwel (in het Noors dan) gekozen hebben.
Heeft iemand misschien een leuke suggestie voor ons?
vrijdag 19 juni 2009
zondag 24 mei 2009
Help, de Russen komen!

Midden in de nacht is het raak: een bataljon wild geworden Russen stormt onze voortuin in. Ze zijn door het dolle heen. Ik heb geen keus: in mijn ondergoed meld ik me bij de voordeur, voor ze de boel compleet afbreken.
Wat is dit? Een nachtelijke razzia? Een verslag van een invasie in een obscuur staatje nabij Rusland? Nee, niets van dat alles, we zitten nog steeds in het rustige Noorwegen (alhoewel dat inderdaad een buurland van Rusland is, maar dat terzijde). Mei is in Noorwegen 'russentijd'. En dan heb ik het niet over inwoners van Rusland, maar over eindexamenkandidaten van de middelbare school, die in Noorwegen de bijnaam russen hebben. In mei voeren de russen een waar schrikbewind, menen sommigen. Vrijwel elke dag weet de krant wel een meer of minder geslaagde russenstunt voor het voetlicht te brengen.
Russenbusje
Voor de argeloze bezoeker van Noorwegen valt allereerst de klederdracht van de russen op. Het merendeel hult zich tijdens de russentijd in een vuurrode katoenen broek, voorzien van allerlei provocerende of leuk bedoelde teksten. Ze verplaatsen zich bij voorkeur in een 'russenbusje', een klein personenbusje dat een opvallende overeenkomst met de broeken vertoont, want steevast vuurrood en met veel tekst. Over de vraag wie er in een bepaald russenbusje rondtoeren, hoef je je nooit druk te maken: de namen van de eigenaars staan gegarandeerd met grote letters op de bus gekalkt.
Rituelen
De russentijd kent vele rituelen, sommige legaal, andere illegaal. Onder de illegale valt bijvoorbeeld de kidnapping: een willekeurig kind wordt van de straat geplukt, in een russenbusje gepleurd, en na een onvrijwillig tripje in de omgeving weer buiten de auto gezet. De reis naar huis mag het slachtoffer uiteraard te voet volbrengen, en dan kan best eens een uurtje (of twee) duren. Een andere vaste gewoonte is om leerlingen uit lagere klassen flink te pakken te nemen met een batterij uit de kluiten gewassen waterpistolen. Doorweekte leerlingen op het schoolplein zijn de gewoonste zaak van de wereld in deze periode.
Vriendelijker getinte rituelen zijn bijvoorbeeld het vaste bezoekje aan alle lagere scholen, waar de russen meestal spelletjes en andere aardige activiteiten voor de leerlingen organiseren. Onder lagere schoolleerlingen zijn de russen trouwens behoorlijk populair, ondanks een kidnapping hier en daar. Veel kinderen sparen russenkaartjes: ludieke visitekaartjes die elke rus bij zich draagt. Tijdens de russentijd zie je dan ook vaak kinderen die russen op straat aanklampen in de hoop een nog ontbrekend russenkaartje te scoren.
Een andere russenactiviteit die wel gewaardeerd wordt is de verkleedweek. In deze week komen de russen elke dag verkleed op school, steeds met een ander thema voor de verkleedpartij. De eerste dag heeft elk jaar hetzelfde thema: hoeren en pooiers. Eerlijk is eerlijk: hierbij worden vaak zeer geslaagde karikaturen neergezet, en de parade van de verklede russen door de lerarenkamer wordt dagelijks met applaus begroet.
Knopen
In de schoolbanken zijn het vooral de 'russenknopen' die opvallen. Dit zijn opdrachten die de russen tijdens de lessen moeten uitvoeren. Dit kunnen werkelijk de vreemdste dingen zijn: tijdens de gehele les onder de tafel zitten, elke vijf minuten massaal opstaan en 'proost' roepen, je kunt het zo gek niet verzinnen. Waar deze knopen precies goed voor zijn heb ik nog niet kunnen achterhalen, maar hoe meer knopen, hoe meer respect je als rus verwerft, zoveel is wel duidelijk.
17 mei
De nacht van 17 mei (de Noorse nationale feestdag) markeert het einde van de russentijd. Jammer genoeg voor hun leraren is het dan tijd voor een ander vast ritueel: elke docent van een eindexamenklas wordt dan midden in de nacht uit zijn bed gehaald. Dat gaat als volgt. Er komt een colonne van russenbusjes de straat in rijden, uiteraard met veel gebral, luide muziek, sirenes, enzovoort. De colonne houdt halt voor het huis van de docent. De russen stappen lallend uit, bellen aan, stampen massaal op de grond, bonken op ramen, enzovoort. Verschijnt de leraar niet snel genoeg in de deuropening dan wordt werkelijk alles uit de kast gehaald om het doel te bereiken.
Dit jaar was ik voor het eerst de klos. Half vier ’s nachts ging de bel, en stond er een joelende menigte in onze tuin. Gelukkig was ik door collega's voorbereid op deze actie. ‘Niet doen alsof je er niet bent,’ hadden ze me verzekerd, ‘want dan breekt de hel pas echt los’. Dus ik meldde me rap bij de voordeur, alwaar ik juichend begroet werd door een kudde enthousiaste en niet zo heel nuchtere russen, onder het toeziend oog van onze eveneens gewekte buren. Na een vriendelijk gesprekje van enkele minuten vertrok de meute weer, op weg naar het volgende slachtoffer.
De rest van de nacht sliep ik extra lekker, in de wetenschap dat ik weer voor een jaar verlost ben van deze fratsen.
zondag 17 mei 2009
Dubbel feest

Onze tweede 17 mei-viering in Noorwegen. Dit jaar is het dubbel feest. We vieren niet alleen dat het land jarig is, maar we vieren ook de overwinning tijdens het songfestival gisteravond. Om met dat laatste te beginnen: de laatste weken/maanden was het Alexander Rybak voor en Alexander Rybak na hier. Hij had de voorrondes nog niet gewonnen of hij werd in de media al gebombardeerd tot favoriet voor de eindoverwinning. Je kon de radio niet aanzetten of Alex kwam wel voorbij met zijn viool. Ter illustratie: de enige plek waar ik naar de radio luister, is in de auto en daar zit ik gemiddeld een kwartier per week in. Toch heb ik voor mijn gevoel dat songfestivallied al talloze keren gehoord.
Nu hebben “we” dus gewonnen en mag Noorwegen volgend jaar het songfestival organiseren. De kosten zijn voorlopig beraamd op 130 miljoen kronen, een bedrag waarmee de Noorse overheid ook fijn een boel andere dingen zou kunnen doen. De liefhebbers van politieke discussies hoeven zich het komende jaar in elk geval niet te vervelen.
Dan de verjaardag van het land. De afgelopen dagen was het heerlijk zonnig weer hier en er werd in eerste instantie dan ook een schitterende 17 mei voorspeld, maar uiteindelijk sloegen de weergoden toch traditiegetrouw toe met bewolking en een kille wind. Konden we weer met z’n allen kleumend over straat. Op 17 mei draag je of je bunad (klederdracht) of iets anders feestelijks en dan trek je dus geen windjack aan. Dat is absoluut “not done”.
Na mijn uitgebreide onderzoek tijdens de vorige 17 mei-viering, vond ik dat ik vandaag kon volstaan met ‘s ochtends een bezoek aan de kinderoptocht en ‘s middags samen met John een bezoek aan de russenparade. De russen, dat zijn in dit geval geen mensen uit Rusland, maar laatstejaars scholieren van de Videregående. Over het russengebeuren valt een hoop te vertellen, maar dat moet ik aan John overlaten.
Tja, 17 mei, wat moet je ervan zeggen? Het is net als de Noorse kerstviering: veel tradities, weinig mensen die het echt leuk vinden, maar iedereen komt elk jaar weer trouw opdraven. Aan het eind van de dag wurmen de vrouwen zich met een zucht van verlichting uit hun iets te krap geworden bunad, die ze over het algemeen al hebben sinds hun vijftiende. Meisjes krijgen vaak een bunad voor hun konfirmasjon, een soort van kerkelijke inwijding (dit is niet helemaal goed uitgelegd, maar ik heb geen idee met welk Nederlands gebeuren de konfirmasjon te vergelijken is). Er bestaat hier overigens ook een niet-kerkelijke variant van de konfirmasjon, zodat iedereen gezellig mee kan doen.
De mannen hangen hun zondagse pak weer in de kast. Daar zal het hangen tot aan kerst. Als er tenminste niet onverhoopt een bruiloft of doopplechtigheid tussendoor komt.
dinsdag 5 mei 2009
Harrytur
Vorige week dinsdag en woensdag was ik in Strömstad, aan de Zweedse westkust.
Strömstad = harrytur. Ik heb al eens kort verteld wat een harrytur is, maar om het geheugen op te frissen, hier nog een keer een beschrijving: “harrytur is een -ietwat negatief geladen- uitdrukking voor een reisje naar een buurland, vooral Zweden, om goedkoop eten, alcohol en tabak te kopen.” De uitdrukking harrytur werd populair nadat een minister het shoppen in Zweden “harry” had genoemd. “Harry” wordt al sinds begin vorige eeuw gebruikt om aan te geven dat iets of iemand ordinair, plat, smakeloos is.
Wat bracht mij op twee doodgewone werkdagen in Strömstad? Ik was daar om een workshop te geven. Een paar weken eerder was mijn collega Turid bij me langs geweest. Zij is hoofd van de schoonmaakafdeling en zou nu voor het eerst in het lange bestaan van die afdeling “op seminar” gaan. Of ik een idee had voor een leuke workshop, eens een keer wat anders dan het geijkte “hoe houd ik de stofzuiger ergonomisch verantwoord vast?”.
“Iets met communicatie ofzo”, stelde ik voor. Dat leek haar wel wat. Ik had nog genoeg materiaal liggen vanuit Nederland en sloeg aan het voorbereiden. Spannend, voor het eerst een workshop geven in het Noors, en dan ook nog voor een groep van 25 vrouwen waarvan ik er maar een stuk of drie kende (we hebben bij de gemeente zoveel verschillende afdelingen met ongeveer evenveel gebouwen/werkplekken dat ik eigenlijk alleen de mensen kende die op het gemeentehuis schoonmaken).
Om zeven uur ‘s ochtends stap ik in de bus. Even opletten, want het is hier niet gebruikelijk naast elkaar te zitten, collega’s of niet. Niet echt handig als je mensen moet leren kennen, maar ok, geduld...
De hele eerste dag zijn we, op het avondeten na, vrij om te doen wat we willen. Voor sommigen is dat winkelen, voor anderen een terrasje pakken, en voor weer anderen is dat met de in de tax free gekochte flessen drank op de hotelkamer zitten. O ja, en er was ook nog iemand die een rondje ging hardlopen... Tja, het was lekker weer en redelijk vlak daar, dus die kans liet ik me niet ontnemen. Toen ik na de training een ijsje ging kopen, trof ik bij het naburige worstenloket een paar dames aan die onmiddellijk een schuldbewust gezicht trokken. Maar we hebben vervolgens evengoed met z’n allen in het zonnetje zitten smikkelen.
De avond verloopt rustig en voor de meesten in redelijke staat van nuchterheid. Het was duidelijk een goede tactische zet van Turid om de workshop op de ochtend van de tweede dag te zetten.
Om 9 uur stipt zitten alle dames kaarsrecht en verwachtingsvol in de cursuszaal. Dit type workshop is iets heel anders dan ze gewend zijn en ik ben benieuwd wat ze ervan vinden. Het loopt gelukkig goed. Ze doen enthousiast mee en zeggen dat ze het leuk en leerzaam vinden. Als we in kleine groepjes uiteen gaan en ook later, na een pauze om te kunnen uitchecken uit het hotel, zijn ze steeds exact op de afgesproken tijd terug. Zo braaf, dat was ik in Nederland niet gewend.
Na afloop krijg ik als dank een.......professionele stofmop.
Op de boot terug sla ik een paar porties voordelige eendenborst in. Ik kan natuurlijk niet met lege handen terugkomen van een harrytur!
donderdag 30 april 2009
Cultuurnacht

Elke zichzelf respecterende gemeente heeft natuurlijk een visie, een motto, en een pakkende slagzin waarmee ze zich aan het publiek presenteert. Zo ook Risør. Of eigenlijk is het zo dat we er meerdere hebben, en dat ik de draad een beetje kwijt begin te raken. Even op de website van de gemeente kijken dan maar. “Risør, het witte stadje aan het Skagerak”. Klopt, dat zijn we. Die beschrijving heeft bij mijn weten ook niet ter discussie gestaan.
Ook het oude motto “Risør: kunst, cultuur en houtbouw” is nog steeds op de site te vinden. In de jaren 70 trok een groep kunstenaars het zedige Risør binnen en zette het biblebelt-plaatsje volledig op z’n kop. Toen de ergste stofwolken waren opgetrokken, besloot iemand kennelijk dat het zo gek nog niet was, een beetje kunst en cultuur. Ook leuk voor de toeristen. Houtbouw was er al, en zo ontstond het nieuwe gemeentelijke motto.
Kunst, kultur, trehus, zoals het in het Noors heet, als nieuwkomer vond ik het wel ok: makkelijk, en het klopt nog met de werkelijkheid ook. Maar vorig jaar was er iemand, ik heb zo’n vermoeden dat het een politicus was, die vond dat er een nieuw motto moest komen. Horend bij een nieuwe visie, een visie die Risør-city moest doen groeien. Na lang debatteren was-ie er dan, het nieuwe motto: “Risør, voor gastvrijheid, ontwikkeling en diversiteit”. Ik zal het maar bekennen, ik moest het opzoeken voordat ik het kon opschrijven. Gastvrijheid, dat wist ik nog. Diversiteit, dat kwam een tijdje geleden bovendrijven toen er niet zo heel positief gereageerd werd op de mogelijke komst van een asielzoekerscentrum. Hoezo diversiteit...
Maar het totale motto had ik niet op mijn netvlies. Ik weet het niet met dat motto. Het bekt niet lekker, ik heb er geen beeld bij. Het is misschien niet voor niks dat het niet op de website van de gemeente is terug te vinden.
In de praktijk cultuurt Risør gewoon lekker door. De zomer staat weer voor de deur en daarmee de diverse festivals die ons stadje rijk ik. Afgelopen vrijdag werd het festivalseizoen geopend met de cultuurnacht. Dat is eigenlijk meer een cultuuravond (als je weet dat avondopenstelling hier betekent dat de winkels tot 18 uur open zijn, dan kun je het begrip cultuurnacht wat meer in perspectief zien).
In elke kroeg en ook op andere plekken was van alles te doen: optredens van lokale muzikanten, voorlezende schrijvers, mogelijkheden tot debat. Op het plein stonden kraampjes waar eten uit verschillende landen werd verkocht: Irak, Thailand, Tsjetsjenië, Somalië. Oeps......toch diversiteit!
Zoals gebruikelijk stortten we ons eerst vol overgave op het eten. Vervolgens belandden we na wat omzwervingen in een café waar een leerling van John (tevens dochter van collega’s van mij) haar zelf geschreven teksten voorlas. Dat was eigenlijk het enige optreden waar we echt naartoe wilden. Het werd dan ook geen lange cultuurnacht. Nadat een plaatselijke zangeres haar liedjes ten gehore had gebracht, togen we huiswaarts. Koffie drinken. Douwe Egberts, lekker Nederlands.
maandag 27 april 2009
Rondje lopen
Sinds september hebben we een abonnement op de regionale krant Agderposten. We hebben ‘m overigens ook al weer opgezegd, want Agderposten is eigenlijk een beetje van alles niets: veel over Arendal (net te ver bij ons vandaan), weinig over onze kant van de regio (en dus ook niet de lokale weetjes die soms zo handig zijn), weinig internationaal nieuws en geen leuke bijlagen met lekker-lezen reportages. Maar een paar dagen geleden viel mijn oog zowaar op iets interessants. Het was een mini-advertentie: “zaterdag 13.00 uur, 5 km loop in Fevik.”
Sinds we hier naartoe zijn verhuisd, heb ik nog aan geen enkel loopevenement meegedaan. Er zijn er niet zo heel veel, als je geen uren in de auto wilt zitten om er te komen en als er iets te doen is, zijn er vaak alleen lange afstanden. Mijn laatste halve marathon herinner ik me alsof ik hem gisteren gelopen heb - nee bedankt, ik hoef niet meer...
Maar een 5 km in een redelijk vlakke omgeving, daar kreeg ik spontaan zin in. Op naar Fevik!
De atletiekbaan had zo te zien zijn beste tijd gehad: er zaten heel wat scheuren en hobbels in het tartan. Maar dat mocht de pret niet drukken. De zon scheen en de stemming rond de baan was opperbest. Tien man- en vier vrouw-sterk stonden we aan de start. Anders dan in Nederland gebruikelijk is, was het parcours niet afgezet en ik maakte me een beetje zorgen of ik wel de juiste route zou kunnen vinden. De route bleek geen probleem. Een paar fietsers in gele hesjes wezen de weg en na iets meer dan vijfentwintig minuten draven, kwam ik als tweede vrouw over de finish. Daar was ik dik tevreden mee, maar het meest tevreden was ik eigenlijk met het feit dat ik onderweg niet één keer gedacht had “waarom doe ik dit in vredesnaam?!”.
Ik kreeg een schitterende herinneringsmedaille en een nog fraaiere prijsbeker uitgereikt en beloonde mezelf met een heerlijk warme douche (de douches waren duidelijk in betere staat dan de baan). We bleven nog even hangen om de lopers van de halve marathon te zien starten. Onder hen een plaatsgenoot, vader van een leerling van John. Het blijft een klein wereldje hier...
Vijf minuten later finishte de eerste halvemarathonloper al. Nee, geen nieuw supertalent, geen afhaker, maar gewoon iemand die vroeger op de dag gestart was. Met toestemming van de organisatie. Door vroeger te starten, kon hij ‘s avonds nog op tijd op een verjaardagsfeest ergens ver weg zijn. Sympathiek toch? Wie maalt er dan nog om een bobbelig stuk tartan.
Op de terugweg brachten we een kort bezoek aan Arendal. We konden nog net de boerenmarkt meepikken, waar we een lekker stukje kaas kochten bij de Nederlandse kaasmaakster Miriam. Goed om te weten dat we niet totaal afhankelijk zijn van importkaas. Daarna een hapje gegeten bij Café Victor in Arendal, een on-Noors leuke lunchplek.
En dat allemaal dankzij een advertentie'tje van twee bij vier.
zaterdag 18 april 2009
Boom
Voor ons huis stond een enorme naaldboom. Het voordeel van die boom was dat hij de buurvrouw het uitzicht op onze keuken ontnam. Niet dat door de keukenramen erg veel te bekijken valt, maar de boom gaf toch wel enige privacy.
Helaas had het ding ook nadelen. Om te beginnen was hij oerlelijk. Dat vond ik in elk geval. Het was niet zo’n mooie oude boom waar je acuut nostalgische gevoelens van krijgt. Nee, het was een tamelijk nietszeggend geval waar enorme hoeveelheden dennenappels en in een bepaald jaargetijde ook kleverige dennennaalden vanaf vielen. Toen hij vorige winter tijdens een hevige storm ook nog eens vervaarlijk heen en weer begon te zwaaien, wist ik het zeker: die boom moest weg. John was het met me eens, dus het project kon van start.
Het eerste dat ik deed, was bij een collega navragen of we een kapvergunning nodig hadden.”Hoezo vergunning, hij staat toch in je eigen tuin?”, zei hij. O ja, dat is waar ook, we wonen niet meer in Nederland. Aan de slag dan maar!
Zelf de boom omzagen, leek ons niet zo’n goede optie. We hadden weliswaar voor een vriendenprijsje een goede kettingzaag overgenomen van de vorige bewoners van het huis, maar om nu als onervaren bomenzager in de weer te gaan met dit metershoge geval leek ons een slecht plan. Niet ver bij de boom vandaan liep bovendien een stroomkabel. Die dingen lopen hier nog altijd grotendeels bovengronds. Het is ook beetje lastig graven in zo’n rotsbodem natuurlijk. Ik zag de boom de stroomkabel al in tweeën klieven. Er zijn leukere manieren denkbaar om op de voorpagina van het plaatselijke sufferdje te komen.
We besloten op zoek te gaan naar een “mannetje”.
Maar waar vind je zo’n mannetje? Ik belde eerst naar het lokale klusbedrijf. “Geen klus te klein” is hun motto. Dat leek me wel wat. Hen leek het ook wel wat. Voor een flink bedrag konden ze eventueel misschien op een niet nader vast te leggen datum (typisch Noors) de klus klaren. Nog maar even verder kijken dan. John vond een mannetje uit Arendal. Die noemde een lager bedrag, maar werd evenmin erg concreet en drong niet bepaald aan (ook zo typisch: het lijkt wel of geen bedrijf hier er in geïnteresseerd is iets aan je te verkopen. Je vraagt je af waar ze van leven). Het project ging in de ijskast.
Een maand of twee geleden dook er plotseling een alternatief op. John raakte aan de praat met onze dierenarts die niet zo ver bij ons vandaan woont. Hij was in zijn tuin verwoed bomen aan het omzagen. “Als je het zelf niet ziet zitten, probeer dan houtboer Lars eens”, tipte hij. Zo gezegd, zo gedaan. “Tuurlijk”, zei Lars, “geen probleem en kost je weinig.” “Ehh, wanneer denk je......” probeerde ik voorzichtig. “Binnenkort”, verzekerde hij me. En inderdaad, donderdagavond om een uur of acht stond er opeens een laadauto voor de deur met daarin twee jongens en een paar kettingzagen. “Klopt ‘t dat er hier een boom om moet?”, vroeg de één, terwijl de ander de auto in positie manoeuvreerde. Ik had nog nauwelijks bevestigend geantwoord of de mannen waren al aan de slag. John rende naar boven om zijn camera te halen en kon nog net een foto maken voordat de boom helemaal om was. Binnen twintig minuten waren alle takken en de stam op de wagen geladen.
“Nou, dat was ‘m dan. Tot ziens he”, riepen de mannen vrolijk, en tuften de straat uit.
Verbijsterd bleef ik achter, starend naar de plek waar zojuist nog de boom had gestaan.
Noren kunnen blijkbaar toch heel erg snel zijn.....




Helaas had het ding ook nadelen. Om te beginnen was hij oerlelijk. Dat vond ik in elk geval. Het was niet zo’n mooie oude boom waar je acuut nostalgische gevoelens van krijgt. Nee, het was een tamelijk nietszeggend geval waar enorme hoeveelheden dennenappels en in een bepaald jaargetijde ook kleverige dennennaalden vanaf vielen. Toen hij vorige winter tijdens een hevige storm ook nog eens vervaarlijk heen en weer begon te zwaaien, wist ik het zeker: die boom moest weg. John was het met me eens, dus het project kon van start.
Het eerste dat ik deed, was bij een collega navragen of we een kapvergunning nodig hadden.”Hoezo vergunning, hij staat toch in je eigen tuin?”, zei hij. O ja, dat is waar ook, we wonen niet meer in Nederland. Aan de slag dan maar!
Zelf de boom omzagen, leek ons niet zo’n goede optie. We hadden weliswaar voor een vriendenprijsje een goede kettingzaag overgenomen van de vorige bewoners van het huis, maar om nu als onervaren bomenzager in de weer te gaan met dit metershoge geval leek ons een slecht plan. Niet ver bij de boom vandaan liep bovendien een stroomkabel. Die dingen lopen hier nog altijd grotendeels bovengronds. Het is ook beetje lastig graven in zo’n rotsbodem natuurlijk. Ik zag de boom de stroomkabel al in tweeën klieven. Er zijn leukere manieren denkbaar om op de voorpagina van het plaatselijke sufferdje te komen.
We besloten op zoek te gaan naar een “mannetje”.
Maar waar vind je zo’n mannetje? Ik belde eerst naar het lokale klusbedrijf. “Geen klus te klein” is hun motto. Dat leek me wel wat. Hen leek het ook wel wat. Voor een flink bedrag konden ze eventueel misschien op een niet nader vast te leggen datum (typisch Noors) de klus klaren. Nog maar even verder kijken dan. John vond een mannetje uit Arendal. Die noemde een lager bedrag, maar werd evenmin erg concreet en drong niet bepaald aan (ook zo typisch: het lijkt wel of geen bedrijf hier er in geïnteresseerd is iets aan je te verkopen. Je vraagt je af waar ze van leven). Het project ging in de ijskast.
Een maand of twee geleden dook er plotseling een alternatief op. John raakte aan de praat met onze dierenarts die niet zo ver bij ons vandaan woont. Hij was in zijn tuin verwoed bomen aan het omzagen. “Als je het zelf niet ziet zitten, probeer dan houtboer Lars eens”, tipte hij. Zo gezegd, zo gedaan. “Tuurlijk”, zei Lars, “geen probleem en kost je weinig.” “Ehh, wanneer denk je......” probeerde ik voorzichtig. “Binnenkort”, verzekerde hij me. En inderdaad, donderdagavond om een uur of acht stond er opeens een laadauto voor de deur met daarin twee jongens en een paar kettingzagen. “Klopt ‘t dat er hier een boom om moet?”, vroeg de één, terwijl de ander de auto in positie manoeuvreerde. Ik had nog nauwelijks bevestigend geantwoord of de mannen waren al aan de slag. John rende naar boven om zijn camera te halen en kon nog net een foto maken voordat de boom helemaal om was. Binnen twintig minuten waren alle takken en de stam op de wagen geladen.
“Nou, dat was ‘m dan. Tot ziens he”, riepen de mannen vrolijk, en tuften de straat uit.
Verbijsterd bleef ik achter, starend naar de plek waar zojuist nog de boom had gestaan.
Noren kunnen blijkbaar toch heel erg snel zijn.....




vrijdag 10 april 2009
Tv
Toen we hier naartoe verhuisden, had ik het voornemen om veel tv te kijken. Ik had namelijk bedacht dat dat me zou helpen de taal beter te verstaan. Er was wel een praktisch probleem: ik ben niet echt een tv-mens. Doe mij maar een boek.
Toch begon ik vol goede moed aan mijn missie. Zoals ik eerder al eens schreef, keek ik de eerste weken trouw naar de Noorse ontbijt-tv. Wat zal ik daar eens over zeggen? Gelukkig vond ik snel een baan...
Voor de taal hielp het overigens wel, dus wat dat betreft kan ik het van harte aanbevelen aan nieuwe nedernoren.
Noorse en Nederlandse tv verschillen niet zo veel van elkaar. Vind ik. Al is het voor iemand die weinig kijkt natuurlijk lastig om de verschillen te ontdekken.
Om zenders te kunnen ontvangen, gebruik je een schotel of een digikastje (vanwege het landschap en de vele afgelegen plekken zijn die twee opties hier gangbaarder dan in Nederland) of ‘gewoon’ de kabel, zoals wij.
Bij onze kabelboer kunnen we kiezen tussen een pakket met veel kanalen waarvan we de helft nooit bekijken en een pakket met nog meer kanalen waarvan we driekwart nooit bekijken. Ook hier is het niet ongewoon dat de leverancier plotseling zenders uit het pakket gooit. Sinds we hier wonen, zijn er twee zenders ‘op blauw’ gegaan, maar als je me vraagt welke zenders dat waren, moet ik je het antwoord schuldig blijven.
Mis ik iets? Ja, atletiek op de BBC. Niemand zendt zo leuk atletiek uit als onze Britse vrienden. Zo is het gewoon.
Wij doen het met de NRK. En dat is zo slecht nog niet. Natuurlijk is het even wennen dat Zweedse atleten de vragen in het Noors voorgeschoteld krijgen en in het Zweeds antwoorden, maar zo gaat dat nou eenmaal hier. Noren, Zweden en Denen kunnen hele gesprekken met elkaar voeren waarbij ze allemaal lekker hun eigen taaltje blijven spreken. Naderhand natuurlijk wel klagend dat de ander zo moeilijk te verstaan was...
Voor ons buitenlanders is het een soort drie halen, één betalen. Je investeert in het Noors en krijgt het Deens en Zweeds er gratis bij.
Het aantal tv-programma’s waar ik vast naar kijk, is op één hand te tellen (en dan houd je nog een paar vingers over). Daarvan zijn er twee authentiek Noors. Op nummer 1 staat het journaal. Het Noorse journaal geeft me de hoop dat het nog wel meevalt met de ellende in de wereld. Er is relatief weinig aandacht voor internationaal nieuws en veel voor binnenlands nieuws, vaak van het niveau ‘Russische wolf waargenomen in de bossen in Oost-Noorwegen’. Heerlijk!
Op nummer 2 staat de Noorse dramaserie Himmelblå (‘hemelsblauw’). Eigenlijk moet ik zeggen stond, want de acht afleveringen van het tweede seizoen zitten er al weer op. Himmelblå werd uitgezonden op zondagavond om half negen en was een fijne ontspannende afsluiting van het weekend. Een zacht voortkabbelende serie over het wel en wee van de bevolking op een klein eilandje, waar men kampt met alle bekende problemen die het wonen in een mini-gemeenschap met zich mee brengt. Ik vroeg me wel eens af of er nog meer mensen naar deze serie keken.
Antwoord op die vraag kreeg ik toen in aflevering zeven een van de hoofdrolspelers verdween. Op zee natuurlijk, zoals het hoort te gaan in het Noord-Noorse eilandleven.
Er barstte een waar mediaspektakel los. Waar was Kim en zou hij nog terugkomen? Het werd me opeens duidelijk dat ik volger was van ’s lands populairste serie.
Aflevering acht was de best bekeken Noorse drama-aflevering ooit. Kim kwam niet terug. Samen met ruim een miljoen lotgenoten moet ik wachten tot volgend jaar. Dan wordt het derde en laatste seizoen uitgezonden.
Nu maar hopen dat NRK1 in de tussentijd niet uit het pakket verdwijnt.
Toch begon ik vol goede moed aan mijn missie. Zoals ik eerder al eens schreef, keek ik de eerste weken trouw naar de Noorse ontbijt-tv. Wat zal ik daar eens over zeggen? Gelukkig vond ik snel een baan...
Voor de taal hielp het overigens wel, dus wat dat betreft kan ik het van harte aanbevelen aan nieuwe nedernoren.
Noorse en Nederlandse tv verschillen niet zo veel van elkaar. Vind ik. Al is het voor iemand die weinig kijkt natuurlijk lastig om de verschillen te ontdekken.
Om zenders te kunnen ontvangen, gebruik je een schotel of een digikastje (vanwege het landschap en de vele afgelegen plekken zijn die twee opties hier gangbaarder dan in Nederland) of ‘gewoon’ de kabel, zoals wij.
Bij onze kabelboer kunnen we kiezen tussen een pakket met veel kanalen waarvan we de helft nooit bekijken en een pakket met nog meer kanalen waarvan we driekwart nooit bekijken. Ook hier is het niet ongewoon dat de leverancier plotseling zenders uit het pakket gooit. Sinds we hier wonen, zijn er twee zenders ‘op blauw’ gegaan, maar als je me vraagt welke zenders dat waren, moet ik je het antwoord schuldig blijven.
Mis ik iets? Ja, atletiek op de BBC. Niemand zendt zo leuk atletiek uit als onze Britse vrienden. Zo is het gewoon.
Wij doen het met de NRK. En dat is zo slecht nog niet. Natuurlijk is het even wennen dat Zweedse atleten de vragen in het Noors voorgeschoteld krijgen en in het Zweeds antwoorden, maar zo gaat dat nou eenmaal hier. Noren, Zweden en Denen kunnen hele gesprekken met elkaar voeren waarbij ze allemaal lekker hun eigen taaltje blijven spreken. Naderhand natuurlijk wel klagend dat de ander zo moeilijk te verstaan was...
Voor ons buitenlanders is het een soort drie halen, één betalen. Je investeert in het Noors en krijgt het Deens en Zweeds er gratis bij.
Het aantal tv-programma’s waar ik vast naar kijk, is op één hand te tellen (en dan houd je nog een paar vingers over). Daarvan zijn er twee authentiek Noors. Op nummer 1 staat het journaal. Het Noorse journaal geeft me de hoop dat het nog wel meevalt met de ellende in de wereld. Er is relatief weinig aandacht voor internationaal nieuws en veel voor binnenlands nieuws, vaak van het niveau ‘Russische wolf waargenomen in de bossen in Oost-Noorwegen’. Heerlijk!
Op nummer 2 staat de Noorse dramaserie Himmelblå (‘hemelsblauw’). Eigenlijk moet ik zeggen stond, want de acht afleveringen van het tweede seizoen zitten er al weer op. Himmelblå werd uitgezonden op zondagavond om half negen en was een fijne ontspannende afsluiting van het weekend. Een zacht voortkabbelende serie over het wel en wee van de bevolking op een klein eilandje, waar men kampt met alle bekende problemen die het wonen in een mini-gemeenschap met zich mee brengt. Ik vroeg me wel eens af of er nog meer mensen naar deze serie keken.
Antwoord op die vraag kreeg ik toen in aflevering zeven een van de hoofdrolspelers verdween. Op zee natuurlijk, zoals het hoort te gaan in het Noord-Noorse eilandleven.
Er barstte een waar mediaspektakel los. Waar was Kim en zou hij nog terugkomen? Het werd me opeens duidelijk dat ik volger was van ’s lands populairste serie.
Aflevering acht was de best bekeken Noorse drama-aflevering ooit. Kim kwam niet terug. Samen met ruim een miljoen lotgenoten moet ik wachten tot volgend jaar. Dan wordt het derde en laatste seizoen uitgezonden.
Nu maar hopen dat NRK1 in de tussentijd niet uit het pakket verdwijnt.
zaterdag 28 maart 2009
Naar de film
Vorige week vrijdag gingen we naar de film. In ons eigen Risør natuurlijk. Het gebouw waarin bioscoop/theater en bibliotheek zijn gehuisvest, ligt op nog geen tien minuten lopen van ons huis. Best een goede voorziening voor zo’n klein dorp.
Lidmaatschap van de bibliotheek is, zoals in heel Noorwegen, gratis. Voor bioscoopkaartjes betaal je Nederlandse prijzen.
Als boekenwurm ben ik natuurlijk vaste klant van de bieb, en ook in de bioscoop komen we min of meer regelmatig. Als we een film graag willen zien, is het altijd opletten geblazen, want de meeste films draaien maximaal een week.
De bioscoop heeft twee zalen: een behoorlijk grote, die ook voor theatervoorstellingen wordt gebruikt en een knus kleintje. Vorige week zaten we in het kleintje. We waren niet alleen, nee, er was maar liefst één andere bezoeker!...
Zo is het meestal hier. Het is al meerdere keren gebeurd dat we alleen-met-z’n-tweeën in de zaal zaten. Niet echt wat je je voorstelt bij een gezellig avondje uit. Al heeft het natuurlijk ook voordelen, zoals je dat je altijd de beste plaatsen hebt en ongestoord commentaar kunt leveren op de film.
Een enkele keer draait er een heuse kaskraker waar het dorp voor uitloopt en waar zelfs op het werk over wordt nagepraat. Twee weken geleden (het lijkt nu misschien alsof we wekelijks naar de film gaan, maar dat is niet zo) waren we bij zo’n succesfilm. We gingen naar “Mannen die vrouwen haten”, een Zweedse thriller, gebaseerd op het eerste deel van een goed verkochte trilogie. Ook ik heb alle drie de delen verslonden. Heerlijk verslavend leesvoer, en deel drie is nog bijna net zo spannend als deel één. De schrijver, Stieg Larsson, is overleden voordat de boeken gepubliceerd werden, dus helaas hoeven we niet op nieuwe boeken van zijn hand te rekenen.
Het was stampvol in de kaartverkoopruimte, er was zelfs een tweede kassa geopend. We kwamen de ene bekende na de andere tegen en er hing een verwachtingsvolle stemming die me deed denken aan hoe het “vroeger” was als je naar de nieuwste James Bond mocht. De tweeënhalf uur durende film stelde niet teleur. Vonden wij, vond iedereen die ik er over sprak. De volgende dag dan, want aan nazitten na de film doen ze hier niet. Terwijl de aftiteling nog loopt, stromen de bioscoopbezoekers naar buiten. Om vervolgens in gestrekte draf naar huis te gaan. Nee, voor de sfeer hoef je het niet te doen, maar het is toch leuk dat we hier naar de film kunnen, en over de kwaliteit van het aanbod hebben we niet te klagen.
Hoe lang we nog van dat aanbod kunnen genieten is een vraag die elk jaar tijdens de gemeentelijke budgetronde beantwoord wordt. Dat een bioscoop met weinig bezoekers en een bibliotheek met betaald personeel en niet-betalende leden niet rendabel zijn, is een duidelijke zaak. Gelukkig wil Risør graag een cultureel stadje zijn, dus ik reken er op dat we ook volgend jaar gewoon nog hier naar de film kunnen.
Lidmaatschap van de bibliotheek is, zoals in heel Noorwegen, gratis. Voor bioscoopkaartjes betaal je Nederlandse prijzen.
Als boekenwurm ben ik natuurlijk vaste klant van de bieb, en ook in de bioscoop komen we min of meer regelmatig. Als we een film graag willen zien, is het altijd opletten geblazen, want de meeste films draaien maximaal een week.
De bioscoop heeft twee zalen: een behoorlijk grote, die ook voor theatervoorstellingen wordt gebruikt en een knus kleintje. Vorige week zaten we in het kleintje. We waren niet alleen, nee, er was maar liefst één andere bezoeker!...
Zo is het meestal hier. Het is al meerdere keren gebeurd dat we alleen-met-z’n-tweeën in de zaal zaten. Niet echt wat je je voorstelt bij een gezellig avondje uit. Al heeft het natuurlijk ook voordelen, zoals je dat je altijd de beste plaatsen hebt en ongestoord commentaar kunt leveren op de film.
Een enkele keer draait er een heuse kaskraker waar het dorp voor uitloopt en waar zelfs op het werk over wordt nagepraat. Twee weken geleden (het lijkt nu misschien alsof we wekelijks naar de film gaan, maar dat is niet zo) waren we bij zo’n succesfilm. We gingen naar “Mannen die vrouwen haten”, een Zweedse thriller, gebaseerd op het eerste deel van een goed verkochte trilogie. Ook ik heb alle drie de delen verslonden. Heerlijk verslavend leesvoer, en deel drie is nog bijna net zo spannend als deel één. De schrijver, Stieg Larsson, is overleden voordat de boeken gepubliceerd werden, dus helaas hoeven we niet op nieuwe boeken van zijn hand te rekenen.
Het was stampvol in de kaartverkoopruimte, er was zelfs een tweede kassa geopend. We kwamen de ene bekende na de andere tegen en er hing een verwachtingsvolle stemming die me deed denken aan hoe het “vroeger” was als je naar de nieuwste James Bond mocht. De tweeënhalf uur durende film stelde niet teleur. Vonden wij, vond iedereen die ik er over sprak. De volgende dag dan, want aan nazitten na de film doen ze hier niet. Terwijl de aftiteling nog loopt, stromen de bioscoopbezoekers naar buiten. Om vervolgens in gestrekte draf naar huis te gaan. Nee, voor de sfeer hoef je het niet te doen, maar het is toch leuk dat we hier naar de film kunnen, en over de kwaliteit van het aanbod hebben we niet te klagen.
Hoe lang we nog van dat aanbod kunnen genieten is een vraag die elk jaar tijdens de gemeentelijke budgetronde beantwoord wordt. Dat een bioscoop met weinig bezoekers en een bibliotheek met betaald personeel en niet-betalende leden niet rendabel zijn, is een duidelijke zaak. Gelukkig wil Risør graag een cultureel stadje zijn, dus ik reken er op dat we ook volgend jaar gewoon nog hier naar de film kunnen.
zondag 15 maart 2009
Risør ademt weer
Het is voorjaar! Natuurlijk kan er best nog een keer een lading sneeuw komen in maart of april, maar toch heb ik besloten dat het voorjaar is. Alles wijst er op: op het terras koesteren de katten zich in het zonnetje. Met half dichtgeknepen oogjes rollen ze zich van de ene zij op de andere en rekken zich uit zodat ze wel een meter lang zijn. Op een paar plekken in de tuin beginnen de bloembollen die ik in september heb geplant voorzichtig boven de grond uit te piepen. Nu is het wachten op de eerste tulp/narcis. Toen ik gisteren wat boodschappen ging doen in het dorp, merkte ik het ook al: Risør ademt weer. Het leek wel of we collectief uit onze winterslaap waren ontwaakt. Tijd om de jacht te openen om een paar gordijnen die tijdens de lichte, lange zomeravonden de slaapkamer wat donkerder kunnen maken en vooral tijd om een paar treurig geworden kamerplanten te vervangen door verse exemplaren.
De seizoenen mogen hier dan niet zo heel erg anders zijn dan in Nederland, je merkt toch dat je een paar honderd kilometer noordelijker zit. Ik herinner me nog goed dat we hier net woonden en iemand op 1 september de uitspraak deed: "nu is het herfst." Dat vond ik niet grappig. Kom op zeg, mij een beetje drie weken zomer ontnemen! Maar de realiteit is dat hier de winterjas een week of drie eerder uit de mottenballen moet dan in Nederland en de zomerjas een paar weken later. Verder hebben we echter niet te klagen, vooral niet wat de zon betreft. Als we paar dagen geen zon zien, beginnen we al te mokken en dan komt-ie meestal niet lang daarna weer tevoorschijn.
Eigen seizoens"mijlpalen" hebben we hier ook. Vanaf oktober is het "bijna kerst", vanaf maart is het "bijna zomer". Pasen betekent het einde van het skiseizoen en is tevens het weekend waarin de boten van stal worden gehaald. Vanaf de zondag na Pasen zijn spijkerbanden -in principe- taboe. Dit ongeacht op welke datum Pasen valt. Wat daar de logica achter is, begrijp ik nog steeds niet. Ik dacht toch dat de weergoden zich niet door de paashaas lieten leiden. Maar goed, sommige dingen zijn zoals ze zijn.
Vanaf 17 mei raken we in echte zomerstemming en na Sankt Hans (van oorsprong religieus feest, maar nu vooral bekend als het midzomernachtfeest op 23 juni) komt het openbare leven zo'n beetje stil te liggen.
Maar nu eerst genieten van het voorjaar!
De seizoenen mogen hier dan niet zo heel erg anders zijn dan in Nederland, je merkt toch dat je een paar honderd kilometer noordelijker zit. Ik herinner me nog goed dat we hier net woonden en iemand op 1 september de uitspraak deed: "nu is het herfst." Dat vond ik niet grappig. Kom op zeg, mij een beetje drie weken zomer ontnemen! Maar de realiteit is dat hier de winterjas een week of drie eerder uit de mottenballen moet dan in Nederland en de zomerjas een paar weken later. Verder hebben we echter niet te klagen, vooral niet wat de zon betreft. Als we paar dagen geen zon zien, beginnen we al te mokken en dan komt-ie meestal niet lang daarna weer tevoorschijn.
Eigen seizoens"mijlpalen" hebben we hier ook. Vanaf oktober is het "bijna kerst", vanaf maart is het "bijna zomer". Pasen betekent het einde van het skiseizoen en is tevens het weekend waarin de boten van stal worden gehaald. Vanaf de zondag na Pasen zijn spijkerbanden -in principe- taboe. Dit ongeacht op welke datum Pasen valt. Wat daar de logica achter is, begrijp ik nog steeds niet. Ik dacht toch dat de weergoden zich niet door de paashaas lieten leiden. Maar goed, sommige dingen zijn zoals ze zijn.
Vanaf 17 mei raken we in echte zomerstemming en na Sankt Hans (van oorsprong religieus feest, maar nu vooral bekend als het midzomernachtfeest op 23 juni) komt het openbare leven zo'n beetje stil te liggen.
Maar nu eerst genieten van het voorjaar!
maandag 23 februari 2009
"Jongetje" en winterweekend
Eens in de zoveel tijd stuiten we weer eens op dingen die anders zijn dan wij dachten of gewend waren. Neem nu vorige week vrijdag. Het was lunchtijd en ik zat aan tafel bij een collega die twee weken eerder vader was geworden van een zoon. Ze wisten vooraf al dat het een jongetje zou worden en er was in de weken voor de geboorte druk gediscussieerd over mogelijke namen. Ik vroeg wat het nu uiteindelijk geworden was. "Tja, we zijn er nog niet helemaal uit", was het antwoord. "Euh, zit je me nu in de maling te nemen?", vroeg ik stomverbaasd. Een baby van twee weken oud die nog geen naam had, dat vond ik nogal wonderlijk. Ik had mijn zin nog niet uitgesproken of ik voelde al dat we hier weer bij zo'n befaamd "cultuurverschil" waren aangeland. Je merkt het gewoon aan de reacties om je heen, mensen die je met een verdwaasde blik aanstaren, geen idee hebbend waar je nou toch zo'n probleem van zit te maken. Ze leken mijn verwondering oprecht niet te begrijpen. Ik moest natuurlijk even verder vissen. "Hoe kun je 'm dan inschrijven in het bevolkingsregister?". Nou, dat was geen probleem, hij had gewoon een persoonsnummer gekregen. "Maar ehh, hoe noemen jullie hem thuis dan?". "Voorlopig houden we het bij lillegutt (jongetje)", antwoordde mijn collega monter. Ik besefte dat ik me gewonnen moest geven en droop af om een wafel met jam te kopen. Sommige dingen zijn nu eenmaal alleen met eten te bestrijden.
Toen was het weekend. Wat doen we hier eigenlijk 's winters in het weekend?
Afgelopen zaterdag ging mijn wekker, zoals op de meeste andere zaterdagen, om 7 uur. Tijd om de katten te voeren, een licht ontbijt te eten en, niet te vergeten, een thermos koffie te maken. Vervolgens zette ik koers naar de gymzaal (heuvel af-heuvel op) waar ik zo'n 6 tot 10 andere vroege vogels trof: de badmintonmannen. Sporten op zaterdagochtend van 8 tot 10, ik zou er zelf niet opgekomen zijn, maar het bevalt verrassend goed. Spelen we op de maandagavond meestal onafgebroken, op de zaterdag lassen we standaard twee koffiepauzes in. Vandaar die thermos dus. Typisch Noors. Of je nou gaat langlaufen, kanoën of badmintonnen, die thermos moet en zal mee.
Het sneeuwde weer eens. We hebben onderhand wel genoeg gehad, dacht ik zo. Na een welverdiende douche en uitgebreid ontbijt thuis, ploeter ik door de striemende natte sneeuw naar het huis van Mette-Marit om haar kat eten te geven. Het blijft sneeuwen en de rest van de dag zitten we binnen, tot de sneeuw overgaat in regen en het tijd is om de auto uit te graven, zodat we die zondag kunnen gebruiken.
Zondag schijnt zoals beloofd de zon en we rijden richting Vrådal om te gaan skiën. Twee uur rijden (enkele reis) om een paar uurtjes te skiën, dat is net zoiets als van Maastricht naar Zandvoort rijden om in zee te zwemmen, maar OK. Vorig weekend waren we in Gautefall geweest, een half uurtje dichterbij, maar dat vonden we nogal sloom allemaal. Nu maar eens Vrådal proberen dus, en dat beviel inderdaad beter. Voordeel van die kleine skigebiedjes is dat je besluitvaardigheid niet erg op de proef gesteld wordt. "Welke lift zullen we nemen?" "Nou, die ene hè". "Welke piste nemen we, links of rechts?" "Laten we eerst links nemen, dan rechts, en dan beginnen we weer opnieuw."
Een paar uurtjes ontstressen op de skipiste en we waren klaar voor een nieuwe werkweek.
Volgende week is het wintervakantie en dan hebben we lekker allebei vrij.
Toen was het weekend. Wat doen we hier eigenlijk 's winters in het weekend?
Afgelopen zaterdag ging mijn wekker, zoals op de meeste andere zaterdagen, om 7 uur. Tijd om de katten te voeren, een licht ontbijt te eten en, niet te vergeten, een thermos koffie te maken. Vervolgens zette ik koers naar de gymzaal (heuvel af-heuvel op) waar ik zo'n 6 tot 10 andere vroege vogels trof: de badmintonmannen. Sporten op zaterdagochtend van 8 tot 10, ik zou er zelf niet opgekomen zijn, maar het bevalt verrassend goed. Spelen we op de maandagavond meestal onafgebroken, op de zaterdag lassen we standaard twee koffiepauzes in. Vandaar die thermos dus. Typisch Noors. Of je nou gaat langlaufen, kanoën of badmintonnen, die thermos moet en zal mee.
Het sneeuwde weer eens. We hebben onderhand wel genoeg gehad, dacht ik zo. Na een welverdiende douche en uitgebreid ontbijt thuis, ploeter ik door de striemende natte sneeuw naar het huis van Mette-Marit om haar kat eten te geven. Het blijft sneeuwen en de rest van de dag zitten we binnen, tot de sneeuw overgaat in regen en het tijd is om de auto uit te graven, zodat we die zondag kunnen gebruiken.
Zondag schijnt zoals beloofd de zon en we rijden richting Vrådal om te gaan skiën. Twee uur rijden (enkele reis) om een paar uurtjes te skiën, dat is net zoiets als van Maastricht naar Zandvoort rijden om in zee te zwemmen, maar OK. Vorig weekend waren we in Gautefall geweest, een half uurtje dichterbij, maar dat vonden we nogal sloom allemaal. Nu maar eens Vrådal proberen dus, en dat beviel inderdaad beter. Voordeel van die kleine skigebiedjes is dat je besluitvaardigheid niet erg op de proef gesteld wordt. "Welke lift zullen we nemen?" "Nou, die ene hè". "Welke piste nemen we, links of rechts?" "Laten we eerst links nemen, dan rechts, en dan beginnen we weer opnieuw."
Een paar uurtjes ontstressen op de skipiste en we waren klaar voor een nieuwe werkweek.
Volgende week is het wintervakantie en dan hebben we lekker allebei vrij.
dinsdag 17 februari 2009
Jan en Ole Einar
Jan Bols rijdt op het EK schaatsen van 1971 een buitenbocht te veel. De Noren dringen aan op diskwalificatie. Resultaat: Jan verdwijnt uit de uitslag en de Noor Dag Fornæss wordt Europees kampioen (dat was hij misschien evengoed wel geworden, maar dat zullen we nooit weten). Behalve een gouden plak kon hij ook een klap op zijn hoofd met een paraplu, sinaasappels op het ijs en hevig boegeroep incasseren. Het Nederlandse schaatspubliek leefde mee, zullen we maar zeggen.
Ole Einar Bjørndalen skiet deze week op het WK biathlon over een bruggetje dat niet op, maar naast het parcours ligt. Hij maakt te veel meters, maar wint toch met overmacht. De Russen dienen een protest in met de bedoeling zelf op te schuiven van zilver naar goud. In eerste instantie met succes, maar na lang soebatten gaat het goud toch terug naar Ole Einar.
Rond 1 miljoen Noorse TV-kijkers volgden de ontwikkelingen in Zuid Korea op de voet, stond er vandaag in de krant. Hoeveel mensen de gang van zaken via internet volgden, stond er niet, maar dat waren er ook vast een heleboel. Ik was er in elk geval één van. Biathlon mag dan nog niet zo’n hele grote plek in mijn sporthart veroverd hebben, ik wilde natuurlijk wel weten hoe het afliep!
Terwijl de juryleden debatteerden, plaatsten talloze mensen reacties op de website van de krant. Het ging er niet bepaald zachtzinnig aan toe. Allerlei relevante en vooral irrelevante details werden aangevoerd om het eigen gelijk te illustreren. Grofweg waren de reacties in te delen in drie groepen:
1. Tja, als je zo suf bent om verkeerd te skiën, moet je tijdstraf krijgen/gediskwalificeerd worden.
2. Die vuile.........onsportieve.........Russen die allemaal aan de doping zijn, kunnen alleen op deze manier nog maar winnen. Ze zouden ze moeten......etc. etc.
3. Dom, dom, dom, maar als je teveel meters maakt en toch ruim wint, ben je gewoon de beste, of niet soms? Hier met die medaille dus.
Ik sloot me aan bij stelling nummer 3. Wij hadden recht op goud, punt uit. Ehh, wij? Was ik opeens Noorse geworden? Daar moest ik even over nadenken, maar ik kwam tot de conclusie dat dat nog niet het geval was. Gelukkig, want als je je half Noors/half Nederlands voelt, “win” je in een sportjaar veel meer prijzen dan wanneer je een keuze maakt.
Nee, stelling 3 sloot gewoon het beste aan bij mijn eigen sportlogica. De chef d’equipe van de Noorse biatleten zei het als volgt: “het verstand heeft uiteindelijk gezegevierd. Wij hebben van het begin af gezegd dat er volgens de reglementen in een dergelijke situatie altijd twee vragen moeten worden gesteld: 1. Ben je van het parcours afgeweken? 2. Heb je daarmee tijd gewonnen of juist tijd verloren? Heb je tijd verloren, dan kan er nooit straf gegeven worden.”
Helemaal mee eens hoor, maar ehh, golden die regels in 1971 nog niet dan?
Ole Einar Bjørndalen skiet deze week op het WK biathlon over een bruggetje dat niet op, maar naast het parcours ligt. Hij maakt te veel meters, maar wint toch met overmacht. De Russen dienen een protest in met de bedoeling zelf op te schuiven van zilver naar goud. In eerste instantie met succes, maar na lang soebatten gaat het goud toch terug naar Ole Einar.
Rond 1 miljoen Noorse TV-kijkers volgden de ontwikkelingen in Zuid Korea op de voet, stond er vandaag in de krant. Hoeveel mensen de gang van zaken via internet volgden, stond er niet, maar dat waren er ook vast een heleboel. Ik was er in elk geval één van. Biathlon mag dan nog niet zo’n hele grote plek in mijn sporthart veroverd hebben, ik wilde natuurlijk wel weten hoe het afliep!
Terwijl de juryleden debatteerden, plaatsten talloze mensen reacties op de website van de krant. Het ging er niet bepaald zachtzinnig aan toe. Allerlei relevante en vooral irrelevante details werden aangevoerd om het eigen gelijk te illustreren. Grofweg waren de reacties in te delen in drie groepen:
1. Tja, als je zo suf bent om verkeerd te skiën, moet je tijdstraf krijgen/gediskwalificeerd worden.
2. Die vuile.........onsportieve.........Russen die allemaal aan de doping zijn, kunnen alleen op deze manier nog maar winnen. Ze zouden ze moeten......etc. etc.
3. Dom, dom, dom, maar als je teveel meters maakt en toch ruim wint, ben je gewoon de beste, of niet soms? Hier met die medaille dus.
Ik sloot me aan bij stelling nummer 3. Wij hadden recht op goud, punt uit. Ehh, wij? Was ik opeens Noorse geworden? Daar moest ik even over nadenken, maar ik kwam tot de conclusie dat dat nog niet het geval was. Gelukkig, want als je je half Noors/half Nederlands voelt, “win” je in een sportjaar veel meer prijzen dan wanneer je een keuze maakt.
Nee, stelling 3 sloot gewoon het beste aan bij mijn eigen sportlogica. De chef d’equipe van de Noorse biatleten zei het als volgt: “het verstand heeft uiteindelijk gezegevierd. Wij hebben van het begin af gezegd dat er volgens de reglementen in een dergelijke situatie altijd twee vragen moeten worden gesteld: 1. Ben je van het parcours afgeweken? 2. Heb je daarmee tijd gewonnen of juist tijd verloren? Heb je tijd verloren, dan kan er nooit straf gegeven worden.”
Helemaal mee eens hoor, maar ehh, golden die regels in 1971 nog niet dan?
Abonneren op:
Posts (Atom)


