donderdag 30 april 2009

Cultuurnacht


Elke zichzelf respecterende gemeente heeft natuurlijk een visie, een motto, en een pakkende slagzin waarmee ze zich aan het publiek presenteert. Zo ook Risør. Of eigenlijk is het zo dat we er meerdere hebben, en dat ik de draad een beetje kwijt begin te raken. Even op de website van de gemeente kijken dan maar. “Risør, het witte stadje aan het Skagerak”. Klopt, dat zijn we. Die beschrijving heeft bij mijn weten ook niet ter discussie gestaan.

Ook het oude motto “Risør: kunst, cultuur en houtbouw” is nog steeds op de site te vinden. In de jaren 70 trok een groep kunstenaars het zedige Risør binnen en zette het biblebelt-plaatsje volledig op z’n kop. Toen de ergste stofwolken waren opgetrokken, besloot iemand kennelijk dat het zo gek nog niet was, een beetje kunst en cultuur. Ook leuk voor de toeristen. Houtbouw was er al, en zo ontstond het nieuwe gemeentelijke motto.

Kunst, kultur, trehus, zoals het in het Noors heet, als nieuwkomer vond ik het wel ok: makkelijk, en het klopt nog met de werkelijkheid ook. Maar vorig jaar was er iemand, ik heb zo’n vermoeden dat het een politicus was, die vond dat er een nieuw motto moest komen. Horend bij een nieuwe visie, een visie die Risør-city moest doen groeien. Na lang debatteren was-ie er dan, het nieuwe motto: “Risør, voor gastvrijheid, ontwikkeling en diversiteit”. Ik zal het maar bekennen, ik moest het opzoeken voordat ik het kon opschrijven. Gastvrijheid, dat wist ik nog. Diversiteit, dat kwam een tijdje geleden bovendrijven toen er niet zo heel positief gereageerd werd op de mogelijke komst van een asielzoekerscentrum. Hoezo diversiteit...
Maar het totale motto had ik niet op mijn netvlies. Ik weet het niet met dat motto. Het bekt niet lekker, ik heb er geen beeld bij. Het is misschien niet voor niks dat het niet op de website van de gemeente is terug te vinden.

In de praktijk cultuurt Risør gewoon lekker door. De zomer staat weer voor de deur en daarmee de diverse festivals die ons stadje rijk ik. Afgelopen vrijdag werd het festivalseizoen geopend met de cultuurnacht. Dat is eigenlijk meer een cultuuravond (als je weet dat avondopenstelling hier betekent dat de winkels tot 18 uur open zijn, dan kun je het begrip cultuurnacht wat meer in perspectief zien).

In elke kroeg en ook op andere plekken was van alles te doen: optredens van lokale muzikanten, voorlezende schrijvers, mogelijkheden tot debat. Op het plein stonden kraampjes waar eten uit verschillende landen werd verkocht: Irak, Thailand, Tsjetsjenië, Somalië. Oeps......toch diversiteit!

Zoals gebruikelijk stortten we ons eerst vol overgave op het eten. Vervolgens belandden we na wat omzwervingen in een café waar een leerling van John (tevens dochter van collega’s van mij) haar zelf geschreven teksten voorlas. Dat was eigenlijk het enige optreden waar we echt naartoe wilden. Het werd dan ook geen lange cultuurnacht. Nadat een plaatselijke zangeres haar liedjes ten gehore had gebracht, togen we huiswaarts. Koffie drinken. Douwe Egberts, lekker Nederlands.

maandag 27 april 2009

Rondje lopen


Sinds september hebben we een abonnement op de regionale krant Agderposten. We hebben ‘m overigens ook al weer opgezegd, want Agderposten is eigenlijk een beetje van alles niets: veel over Arendal (net te ver bij ons vandaan), weinig over onze kant van de regio (en dus ook niet de lokale weetjes die soms zo handig zijn), weinig internationaal nieuws en geen leuke bijlagen met lekker-lezen reportages. Maar een paar dagen geleden viel mijn oog zowaar op iets interessants. Het was een mini-advertentie: “zaterdag 13.00 uur, 5 km loop in Fevik.”

Sinds we hier naartoe zijn verhuisd, heb ik nog aan geen enkel loopevenement meegedaan. Er zijn er niet zo heel veel, als je geen uren in de auto wilt zitten om er te komen en als er iets te doen is, zijn er vaak alleen lange afstanden. Mijn laatste halve marathon herinner ik me alsof ik hem gisteren gelopen heb - nee bedankt, ik hoef niet meer...
Maar een 5 km in een redelijk vlakke omgeving, daar kreeg ik spontaan zin in. Op naar Fevik!

De atletiekbaan had zo te zien zijn beste tijd gehad: er zaten heel wat scheuren en hobbels in het tartan. Maar dat mocht de pret niet drukken. De zon scheen en de stemming rond de baan was opperbest. Tien man- en vier vrouw-sterk stonden we aan de start. Anders dan in Nederland gebruikelijk is, was het parcours niet afgezet en ik maakte me een beetje zorgen of ik wel de juiste route zou kunnen vinden. De route bleek geen probleem. Een paar fietsers in gele hesjes wezen de weg en na iets meer dan vijfentwintig minuten draven, kwam ik als tweede vrouw over de finish. Daar was ik dik tevreden mee, maar het meest tevreden was ik eigenlijk met het feit dat ik onderweg niet één keer gedacht had “waarom doe ik dit in vredesnaam?!”.

Ik kreeg een schitterende herinneringsmedaille en een nog fraaiere prijsbeker uitgereikt en beloonde mezelf met een heerlijk warme douche (de douches waren duidelijk in betere staat dan de baan). We bleven nog even hangen om de lopers van de halve marathon te zien starten. Onder hen een plaatsgenoot, vader van een leerling van John. Het blijft een klein wereldje hier...
Vijf minuten later finishte de eerste halvemarathonloper al. Nee, geen nieuw supertalent, geen afhaker, maar gewoon iemand die vroeger op de dag gestart was. Met toestemming van de organisatie. Door vroeger te starten, kon hij ‘s avonds nog op tijd op een verjaardagsfeest ergens ver weg zijn. Sympathiek toch? Wie maalt er dan nog om een bobbelig stuk tartan.

Op de terugweg brachten we een kort bezoek aan Arendal. We konden nog net de boerenmarkt meepikken, waar we een lekker stukje kaas kochten bij de Nederlandse kaasmaakster Miriam. Goed om te weten dat we niet totaal afhankelijk zijn van importkaas. Daarna een hapje gegeten bij Café Victor in Arendal, een on-Noors leuke lunchplek.
En dat allemaal dankzij een advertentie'tje van twee bij vier.

zaterdag 18 april 2009

Boom

Voor ons huis stond een enorme naaldboom. Het voordeel van die boom was dat hij de buurvrouw het uitzicht op onze keuken ontnam. Niet dat door de keukenramen erg veel te bekijken valt, maar de boom gaf toch wel enige privacy.
Helaas had het ding ook nadelen. Om te beginnen was hij oerlelijk. Dat vond ik in elk geval. Het was niet zo’n mooie oude boom waar je acuut nostalgische gevoelens van krijgt. Nee, het was een tamelijk nietszeggend geval waar enorme hoeveelheden dennenappels en in een bepaald jaargetijde ook kleverige dennennaalden vanaf vielen. Toen hij vorige winter tijdens een hevige storm ook nog eens vervaarlijk heen en weer begon te zwaaien, wist ik het zeker: die boom moest weg. John was het met me eens, dus het project kon van start.

Het eerste dat ik deed, was bij een collega navragen of we een kapvergunning nodig hadden.”Hoezo vergunning, hij staat toch in je eigen tuin?”, zei hij. O ja, dat is waar ook, we wonen niet meer in Nederland. Aan de slag dan maar!

Zelf de boom omzagen, leek ons niet zo’n goede optie. We hadden weliswaar voor een vriendenprijsje een goede kettingzaag overgenomen van de vorige bewoners van het huis, maar om nu als onervaren bomenzager in de weer te gaan met dit metershoge geval leek ons een slecht plan. Niet ver bij de boom vandaan liep bovendien een stroomkabel. Die dingen lopen hier nog altijd grotendeels bovengronds. Het is ook beetje lastig graven in zo’n rotsbodem natuurlijk. Ik zag de boom de stroomkabel al in tweeën klieven. Er zijn leukere manieren denkbaar om op de voorpagina van het plaatselijke sufferdje te komen.

We besloten op zoek te gaan naar een “mannetje”.
Maar waar vind je zo’n mannetje? Ik belde eerst naar het lokale klusbedrijf. “Geen klus te klein” is hun motto. Dat leek me wel wat. Hen leek het ook wel wat. Voor een flink bedrag konden ze eventueel misschien op een niet nader vast te leggen datum (typisch Noors) de klus klaren. Nog maar even verder kijken dan. John vond een mannetje uit Arendal. Die noemde een lager bedrag, maar werd evenmin erg concreet en drong niet bepaald aan (ook zo typisch: het lijkt wel of geen bedrijf hier er in geïnteresseerd is iets aan je te verkopen. Je vraagt je af waar ze van leven). Het project ging in de ijskast.

Een maand of twee geleden dook er plotseling een alternatief op. John raakte aan de praat met onze dierenarts die niet zo ver bij ons vandaan woont. Hij was in zijn tuin verwoed bomen aan het omzagen. “Als je het zelf niet ziet zitten, probeer dan houtboer Lars eens”, tipte hij. Zo gezegd, zo gedaan. “Tuurlijk”, zei Lars, “geen probleem en kost je weinig.” “Ehh, wanneer denk je......” probeerde ik voorzichtig. “Binnenkort”, verzekerde hij me. En inderdaad, donderdagavond om een uur of acht stond er opeens een laadauto voor de deur met daarin twee jongens en een paar kettingzagen. “Klopt ‘t dat er hier een boom om moet?”, vroeg de één, terwijl de ander de auto in positie manoeuvreerde. Ik had nog nauwelijks bevestigend geantwoord of de mannen waren al aan de slag. John rende naar boven om zijn camera te halen en kon nog net een foto maken voordat de boom helemaal om was. Binnen twintig minuten waren alle takken en de stam op de wagen geladen.
“Nou, dat was ‘m dan. Tot ziens he”, riepen de mannen vrolijk, en tuften de straat uit.
Verbijsterd bleef ik achter, starend naar de plek waar zojuist nog de boom had gestaan.

Noren kunnen blijkbaar toch heel erg snel zijn.....




vrijdag 10 april 2009

Tv

Toen we hier naartoe verhuisden, had ik het voornemen om veel tv te kijken. Ik had namelijk bedacht dat dat me zou helpen de taal beter te verstaan. Er was wel een praktisch probleem: ik ben niet echt een tv-mens. Doe mij maar een boek.
Toch begon ik vol goede moed aan mijn missie. Zoals ik eerder al eens schreef, keek ik de eerste weken trouw naar de Noorse ontbijt-tv. Wat zal ik daar eens over zeggen? Gelukkig vond ik snel een baan...
Voor de taal hielp het overigens wel, dus wat dat betreft kan ik het van harte aanbevelen aan nieuwe nedernoren.

Noorse en Nederlandse tv verschillen niet zo veel van elkaar. Vind ik. Al is het voor iemand die weinig kijkt natuurlijk lastig om de verschillen te ontdekken.
Om zenders te kunnen ontvangen, gebruik je een schotel of een digikastje (vanwege het landschap en de vele afgelegen plekken zijn die twee opties hier gangbaarder dan in Nederland) of ‘gewoon’ de kabel, zoals wij.
Bij onze kabelboer kunnen we kiezen tussen een pakket met veel kanalen waarvan we de helft nooit bekijken en een pakket met nog meer kanalen waarvan we driekwart nooit bekijken. Ook hier is het niet ongewoon dat de leverancier plotseling zenders uit het pakket gooit. Sinds we hier wonen, zijn er twee zenders ‘op blauw’ gegaan, maar als je me vraagt welke zenders dat waren, moet ik je het antwoord schuldig blijven.

Mis ik iets? Ja, atletiek op de BBC. Niemand zendt zo leuk atletiek uit als onze Britse vrienden. Zo is het gewoon.
Wij doen het met de NRK. En dat is zo slecht nog niet. Natuurlijk is het even wennen dat Zweedse atleten de vragen in het Noors voorgeschoteld krijgen en in het Zweeds antwoorden, maar zo gaat dat nou eenmaal hier. Noren, Zweden en Denen kunnen hele gesprekken met elkaar voeren waarbij ze allemaal lekker hun eigen taaltje blijven spreken. Naderhand natuurlijk wel klagend dat de ander zo moeilijk te verstaan was...
Voor ons buitenlanders is het een soort drie halen, één betalen. Je investeert in het Noors en krijgt het Deens en Zweeds er gratis bij.

Het aantal tv-programma’s waar ik vast naar kijk, is op één hand te tellen (en dan houd je nog een paar vingers over). Daarvan zijn er twee authentiek Noors. Op nummer 1 staat het journaal. Het Noorse journaal geeft me de hoop dat het nog wel meevalt met de ellende in de wereld. Er is relatief weinig aandacht voor internationaal nieuws en veel voor binnenlands nieuws, vaak van het niveau ‘Russische wolf waargenomen in de bossen in Oost-Noorwegen’. Heerlijk!
Op nummer 2 staat de Noorse dramaserie Himmelblå (‘hemelsblauw’). Eigenlijk moet ik zeggen stond, want de acht afleveringen van het tweede seizoen zitten er al weer op. Himmelblå werd uitgezonden op zondagavond om half negen en was een fijne ontspannende afsluiting van het weekend. Een zacht voortkabbelende serie over het wel en wee van de bevolking op een klein eilandje, waar men kampt met alle bekende problemen die het wonen in een mini-gemeenschap met zich mee brengt. Ik vroeg me wel eens af of er nog meer mensen naar deze serie keken.
Antwoord op die vraag kreeg ik toen in aflevering zeven een van de hoofdrolspelers verdween. Op zee natuurlijk, zoals het hoort te gaan in het Noord-Noorse eilandleven.
Er barstte een waar mediaspektakel los. Waar was Kim en zou hij nog terugkomen? Het werd me opeens duidelijk dat ik volger was van ’s lands populairste serie.
Aflevering acht was de best bekeken Noorse drama-aflevering ooit. Kim kwam niet terug. Samen met ruim een miljoen lotgenoten moet ik wachten tot volgend jaar. Dan wordt het derde en laatste seizoen uitgezonden.
Nu maar hopen dat NRK1 in de tussentijd niet uit het pakket verdwijnt.

zaterdag 28 maart 2009

Naar de film

Vorige week vrijdag gingen we naar de film. In ons eigen Risør natuurlijk. Het gebouw waarin bioscoop/theater en bibliotheek zijn gehuisvest, ligt op nog geen tien minuten lopen van ons huis. Best een goede voorziening voor zo’n klein dorp.

Lidmaatschap van de bibliotheek is, zoals in heel Noorwegen, gratis. Voor bioscoopkaartjes betaal je Nederlandse prijzen.
Als boekenwurm ben ik natuurlijk vaste klant van de bieb, en ook in de bioscoop komen we min of meer regelmatig. Als we een film graag willen zien, is het altijd opletten geblazen, want de meeste films draaien maximaal een week.
De bioscoop heeft twee zalen: een behoorlijk grote, die ook voor theatervoorstellingen wordt gebruikt en een knus kleintje. Vorige week zaten we in het kleintje. We waren niet alleen, nee, er was maar liefst één andere bezoeker!...
Zo is het meestal hier. Het is al meerdere keren gebeurd dat we alleen-met-z’n-tweeën in de zaal zaten. Niet echt wat je je voorstelt bij een gezellig avondje uit. Al heeft het natuurlijk ook voordelen, zoals je dat je altijd de beste plaatsen hebt en ongestoord commentaar kunt leveren op de film.

Een enkele keer draait er een heuse kaskraker waar het dorp voor uitloopt en waar zelfs op het werk over wordt nagepraat. Twee weken geleden (het lijkt nu misschien alsof we wekelijks naar de film gaan, maar dat is niet zo) waren we bij zo’n succesfilm. We gingen naar “Mannen die vrouwen haten”, een Zweedse thriller, gebaseerd op het eerste deel van een goed verkochte trilogie. Ook ik heb alle drie de delen verslonden. Heerlijk verslavend leesvoer, en deel drie is nog bijna net zo spannend als deel één. De schrijver, Stieg Larsson, is overleden voordat de boeken gepubliceerd werden, dus helaas hoeven we niet op nieuwe boeken van zijn hand te rekenen.

Het was stampvol in de kaartverkoopruimte, er was zelfs een tweede kassa geopend. We kwamen de ene bekende na de andere tegen en er hing een verwachtingsvolle stemming die me deed denken aan hoe het “vroeger” was als je naar de nieuwste James Bond mocht. De tweeënhalf uur durende film stelde niet teleur. Vonden wij, vond iedereen die ik er over sprak. De volgende dag dan, want aan nazitten na de film doen ze hier niet. Terwijl de aftiteling nog loopt, stromen de bioscoopbezoekers naar buiten. Om vervolgens in gestrekte draf naar huis te gaan. Nee, voor de sfeer hoef je het niet te doen, maar het is toch leuk dat we hier naar de film kunnen, en over de kwaliteit van het aanbod hebben we niet te klagen.

Hoe lang we nog van dat aanbod kunnen genieten is een vraag die elk jaar tijdens de gemeentelijke budgetronde beantwoord wordt. Dat een bioscoop met weinig bezoekers en een bibliotheek met betaald personeel en niet-betalende leden niet rendabel zijn, is een duidelijke zaak. Gelukkig wil Risør graag een cultureel stadje zijn, dus ik reken er op dat we ook volgend jaar gewoon nog hier naar de film kunnen.

zondag 15 maart 2009

Risør ademt weer

Het is voorjaar! Natuurlijk kan er best nog een keer een lading sneeuw komen in maart of april, maar toch heb ik besloten dat het voorjaar is. Alles wijst er op: op het terras koesteren de katten zich in het zonnetje. Met half dichtgeknepen oogjes rollen ze zich van de ene zij op de andere en rekken zich uit zodat ze wel een meter lang zijn. Op een paar plekken in de tuin beginnen de bloembollen die ik in september heb geplant voorzichtig boven de grond uit te piepen. Nu is het wachten op de eerste tulp/narcis. Toen ik gisteren wat boodschappen ging doen in het dorp, merkte ik het ook al: Risør ademt weer. Het leek wel of we collectief uit onze winterslaap waren ontwaakt. Tijd om de jacht te openen om een paar gordijnen die tijdens de lichte, lange zomeravonden de slaapkamer wat donkerder kunnen maken en vooral tijd om een paar treurig geworden kamerplanten te vervangen door verse exemplaren.

De seizoenen mogen hier dan niet zo heel erg anders zijn dan in Nederland, je merkt toch dat je een paar honderd kilometer noordelijker zit. Ik herinner me nog goed dat we hier net woonden en iemand op 1 september de uitspraak deed: "nu is het herfst." Dat vond ik niet grappig. Kom op zeg, mij een beetje drie weken zomer ontnemen! Maar de realiteit is dat hier de winterjas een week of drie eerder uit de mottenballen moet dan in Nederland en de zomerjas een paar weken later. Verder hebben we echter niet te klagen, vooral niet wat de zon betreft. Als we paar dagen geen zon zien, beginnen we al te mokken en dan komt-ie meestal niet lang daarna weer tevoorschijn.

Eigen seizoens"mijlpalen" hebben we hier ook. Vanaf oktober is het "bijna kerst", vanaf maart is het "bijna zomer". Pasen betekent het einde van het skiseizoen en is tevens het weekend waarin de boten van stal worden gehaald. Vanaf de zondag na Pasen zijn spijkerbanden -in principe- taboe. Dit ongeacht op welke datum Pasen valt. Wat daar de logica achter is, begrijp ik nog steeds niet. Ik dacht toch dat de weergoden zich niet door de paashaas lieten leiden. Maar goed, sommige dingen zijn zoals ze zijn.
Vanaf 17 mei raken we in echte zomerstemming en na Sankt Hans (van oorsprong religieus feest, maar nu vooral bekend als het midzomernachtfeest op 23 juni) komt het openbare leven zo'n beetje stil te liggen.

Maar nu eerst genieten van het voorjaar!

maandag 23 februari 2009

"Jongetje" en winterweekend

Eens in de zoveel tijd stuiten we weer eens op dingen die anders zijn dan wij dachten of gewend waren. Neem nu vorige week vrijdag. Het was lunchtijd en ik zat aan tafel bij een collega die twee weken eerder vader was geworden van een zoon. Ze wisten vooraf al dat het een jongetje zou worden en er was in de weken voor de geboorte druk gediscussieerd over mogelijke namen. Ik vroeg wat het nu uiteindelijk geworden was. "Tja, we zijn er nog niet helemaal uit", was het antwoord. "Euh, zit je me nu in de maling te nemen?", vroeg ik stomverbaasd. Een baby van twee weken oud die nog geen naam had, dat vond ik nogal wonderlijk. Ik had mijn zin nog niet uitgesproken of ik voelde al dat we hier weer bij zo'n befaamd "cultuurverschil" waren aangeland. Je merkt het gewoon aan de reacties om je heen, mensen die je met een verdwaasde blik aanstaren, geen idee hebbend waar je nou toch zo'n probleem van zit te maken. Ze leken mijn verwondering oprecht niet te begrijpen. Ik moest natuurlijk even verder vissen. "Hoe kun je 'm dan inschrijven in het bevolkingsregister?". Nou, dat was geen probleem, hij had gewoon een persoonsnummer gekregen. "Maar ehh, hoe noemen jullie hem thuis dan?". "Voorlopig houden we het bij lillegutt (jongetje)", antwoordde mijn collega monter. Ik besefte dat ik me gewonnen moest geven en droop af om een wafel met jam te kopen. Sommige dingen zijn nu eenmaal alleen met eten te bestrijden.

Toen was het weekend. Wat doen we hier eigenlijk 's winters in het weekend?
Afgelopen zaterdag ging mijn wekker, zoals op de meeste andere zaterdagen, om 7 uur. Tijd om de katten te voeren, een licht ontbijt te eten en, niet te vergeten, een thermos koffie te maken. Vervolgens zette ik koers naar de gymzaal (heuvel af-heuvel op) waar ik zo'n 6 tot 10 andere vroege vogels trof: de badmintonmannen. Sporten op zaterdagochtend van 8 tot 10, ik zou er zelf niet opgekomen zijn, maar het bevalt verrassend goed. Spelen we op de maandagavond meestal onafgebroken, op de zaterdag lassen we standaard twee koffiepauzes in. Vandaar die thermos dus. Typisch Noors. Of je nou gaat langlaufen, kanoën of badmintonnen, die thermos moet en zal mee.

Het sneeuwde weer eens. We hebben onderhand wel genoeg gehad, dacht ik zo. Na een welverdiende douche en uitgebreid ontbijt thuis, ploeter ik door de striemende natte sneeuw naar het huis van Mette-Marit om haar kat eten te geven. Het blijft sneeuwen en de rest van de dag zitten we binnen, tot de sneeuw overgaat in regen en het tijd is om de auto uit te graven, zodat we die zondag kunnen gebruiken.

Zondag schijnt zoals beloofd de zon en we rijden richting Vrådal om te gaan skiën. Twee uur rijden (enkele reis) om een paar uurtjes te skiën, dat is net zoiets als van Maastricht naar Zandvoort rijden om in zee te zwemmen, maar OK. Vorig weekend waren we in Gautefall geweest, een half uurtje dichterbij, maar dat vonden we nogal sloom allemaal. Nu maar eens Vrådal proberen dus, en dat beviel inderdaad beter. Voordeel van die kleine skigebiedjes is dat je besluitvaardigheid niet erg op de proef gesteld wordt. "Welke lift zullen we nemen?" "Nou, die ene hè". "Welke piste nemen we, links of rechts?" "Laten we eerst links nemen, dan rechts, en dan beginnen we weer opnieuw."
Een paar uurtjes ontstressen op de skipiste en we waren klaar voor een nieuwe werkweek.
Volgende week is het wintervakantie en dan hebben we lekker allebei vrij.

dinsdag 17 februari 2009

Jan en Ole Einar

Jan Bols rijdt op het EK schaatsen van 1971 een buitenbocht te veel. De Noren dringen aan op diskwalificatie. Resultaat: Jan verdwijnt uit de uitslag en de Noor Dag Fornæss wordt Europees kampioen (dat was hij misschien evengoed wel geworden, maar dat zullen we nooit weten). Behalve een gouden plak kon hij ook een klap op zijn hoofd met een paraplu, sinaasappels op het ijs en hevig boegeroep incasseren. Het Nederlandse schaatspubliek leefde mee, zullen we maar zeggen.
Ole Einar Bjørndalen skiet deze week op het WK biathlon over een bruggetje dat niet op, maar naast het parcours ligt. Hij maakt te veel meters, maar wint toch met overmacht. De Russen dienen een protest in met de bedoeling zelf op te schuiven van zilver naar goud. In eerste instantie met succes, maar na lang soebatten gaat het goud toch terug naar Ole Einar.

Rond 1 miljoen Noorse TV-kijkers volgden de ontwikkelingen in Zuid Korea op de voet, stond er vandaag in de krant. Hoeveel mensen de gang van zaken via internet volgden, stond er niet, maar dat waren er ook vast een heleboel. Ik was er in elk geval één van. Biathlon mag dan nog niet zo’n hele grote plek in mijn sporthart veroverd hebben, ik wilde natuurlijk wel weten hoe het afliep!

Terwijl de juryleden debatteerden, plaatsten talloze mensen reacties op de website van de krant. Het ging er niet bepaald zachtzinnig aan toe. Allerlei relevante en vooral irrelevante details werden aangevoerd om het eigen gelijk te illustreren. Grofweg waren de reacties in te delen in drie groepen:
1. Tja, als je zo suf bent om verkeerd te skiën, moet je tijdstraf krijgen/gediskwalificeerd worden.
2. Die vuile.........onsportieve.........Russen die allemaal aan de doping zijn, kunnen alleen op deze manier nog maar winnen. Ze zouden ze moeten......etc. etc.
3. Dom, dom, dom, maar als je teveel meters maakt en toch ruim wint, ben je gewoon de beste, of niet soms? Hier met die medaille dus.

Ik sloot me aan bij stelling nummer 3. Wij hadden recht op goud, punt uit. Ehh, wij? Was ik opeens Noorse geworden? Daar moest ik even over nadenken, maar ik kwam tot de conclusie dat dat nog niet het geval was. Gelukkig, want als je je half Noors/half Nederlands voelt, “win” je in een sportjaar veel meer prijzen dan wanneer je een keuze maakt.
Nee, stelling 3 sloot gewoon het beste aan bij mijn eigen sportlogica. De chef d’equipe van de Noorse biatleten zei het als volgt: “het verstand heeft uiteindelijk gezegevierd. Wij hebben van het begin af gezegd dat er volgens de reglementen in een dergelijke situatie altijd twee vragen moeten worden gesteld: 1. Ben je van het parcours afgeweken? 2. Heb je daarmee tijd gewonnen of juist tijd verloren? Heb je tijd verloren, dan kan er nooit straf gegeven worden.”

Helemaal mee eens hoor, maar ehh, golden die regels in 1971 nog niet dan?

zondag 15 februari 2009

Een sprookje als je van een beetje afgelegen houdt

Op 1 januari 2008 woonden er 6888 mensen in Risør, 15 meer dan een jaar eerder. Het SSB (het Noorse CBS) heeft de cijfers voor januari 2009 nog niet op internet staan, dus we wachten gespannen af. Uit een krantenbericht meen ik me te herinneren dat we op plus twee zaten, maar het kan ook min twee geweest zijn.

Veel kleine gemeentes in Noorwegen worstelen met het probleem van een dalend (of in elk geval niet-stijgend) aantal inwoners. Steeds meer mensen trekken weg uit de kleinere plaatsen, op naar een grotere stad met meer werkgelegenheid en betere opleidingsmogelijkheden. Minder inwoners betekent minder geld en zo komen de gemeentes in kwestie al snel in een negatieve spiraal terecht.

Noren staan niet bepaald bekend als de meest vindingrijke handelslui, dus moesten er een paar Nederlanders aan te pas komen om het tij te keren. De organisatie Placement bemiddelt nu alweer een aantal jaren met (over het algemeen) succes tussen Noorse gemeentes die behoefte hebben aan nieuwe inwoners en Nederlanders - en Duitsers- die graag hun geluk willen beproeven in het hoge noorden. Het succes is niet onopgemerkt gebleven. De kranten schrijven er graag over, van het kleinste lokale sufferdje tot aan Aftenposten. De verhalen zijn voornamelijk lovend, maar zo nu en dan ook kritisch. De “projectgemeentes” leggen namelijk een aardige duit op tafel om klant te mogen zijn bij Placement en niet iedereen is er van gecharmeerd dat gemeenschapsgeld op deze manier gebruikt wordt.

Door die krantenverhalen krijg je wel eens de indruk dat er wekelijks hele bootladingen Nederlanders naar Noorwegen komen. De ene week een verhaal over een stel dat een bloemenzaak overneemt, kort erna een paginagroot bericht over een kaasmaakster. En dan heb ik het alleen nog maar over onze eigen regionale krant. Uit de cijfers blijkt overigens dat het met die bootladingen wel meevalt. Misschien vallen de berichten ons vooral op omdat we zelf uit Nederland komen.

Het had niet veel gescheeld of ook wij waren in een projectgemeente terecht gekomen. De eerste school die John een baan aanbood, lag namelijk in Sauda, een projectplaatsje in het westen van het land. Toen Risør zich een paar weken later ook meldde, was het echter niet moeilijk om te kiezen. De school in Sauda sprak John weliswaar wat meer aan dan die in Risør, maar al met al vonden we Risør toch een stuk aantrekkelijker. Belangrijkste redenen: klimaat en ligging.

Projectgemeentes vind je verspreid over het hele land, maar één ding hebben ze gemeen: ze liggen allemaal nogal afgelegen. Nu is dat in Noorwegen niet zo moeilijk, aangezien driekwart van de plaatsjes afgelegen ligt, maar toch...
Neem nu Åmli, een gehucht met een kleine 1900 inwoners, een uurtje rijden hier vandaan. In Åmli zijn het afgelopen jaar heel wat Nederlanders neergestreken, waaronder de nieuwe eigenaars van eerdergenoemde bloemenzaak. De bevolkingsgroei in Åmli wordt vanuit Risør met belangstelling, enige afgunst, en vooral onbegrip gevolgd. De echte Risøring snapt er geen bal van dat er mensen bestaan die liever in een gehucht in het binnenland wonen dan in een schattig plaatsje aan zee. Het binnenland, ok, daar kun je een hytte hebben zodat je ‘s winters op langlaufweekend kunt, maar veel gekker dan dat moet het niet worden.

Ik moet zeggen dat ik zelf de belangstelling voor Åmli ook niet helemaal begreep, maar ik was er nog nooit geweest en dat kon natuurlijk de oorzaak van mijn onbegrip zijn. Een paar weken geleden deed zich een goede gelegenheid voor de zaak eens van nabij te onderzoeken: een projectoverleg met een aantal collega’s van verschillende buurgemeenten. Plaats van handeling: Åmli. Op een maandagmorgen na een sneeuwrijk weekend tufte ik richting binnenland. Naarmate de reis vorderde, werd de sneeuw hoger en het bos dichter terwijl het aantal huizen evenredig afnam. Ik reed en reed en reed...en toen was ik er opeens. Een lieflijk plaatsje temidden van beboste heuvels, een prachtige oude brug over een besneeuwde rivier. Een bijna sprookjesachtig landschap, ik kan niet anders zeggen.
Een sprookje als je van een beetje afgelegen houdt...

zondag 1 februari 2009

Flinke meid!

Gemeentehuis in Risør, ruim een week geleden. Else, onze op-één-na-hoogste baas, komt mijn kamer binnen. “Komende donderdag moeten de resultaten van het medewerkerstevredenheidsonderzoek gepresenteerd worden aan de gemeenteraad. Dat kan jij wel doen, toch?”

Ja hoor, natuurlijk kan ik dat...

Het werken in de publieke sector stelt me nog regelmatig voor verrassingen, en waar ik vooral maar moeilijk aan kan wennen is de bemoeienis van de politiek. Met de lokale politici als werkgever, beland je als organisatie vaak in situaties waar gezonde bedrijfsmatige redeneringen opeens niet meer opgaan, maar waarin je bent overgelaten aan de nukken en grillen van tweederangs politici met een ongebreidelde territoriumdrift.
Dat we in een kleine (al is het voor Noorse begrippen eerder middelgroot) gemeenschap wonen, maakt het er niet makkelijker op. Bij alles wat je doet, moet je er rekening mee houden dat je mensen altijd weer opnieuw tegen gaat komen. Wij zijn ons er dan ook erg van bewust dat de “knusheidsmedaille” van het leven in Risør twee kanten heeft.

Terug naar het tevredenheidsonderzoek. Ik heb de eer in de werkgroep “onderzoeken” te zitten. Als gemeente willen we niet alleen weten of onze medewerkers het naar hun zin hebben, maar ook wat de burger vindt van de zorg, de parkeersituatie, de belastingen etc etc. Ja, er wordt door de jaren heen heel wat onderzocht. Alles met behulp van internet, dus gelukkig geen stapels papier op het bureau.

Nadat het medewerkerstevredenheidsonderzoek was afgerond, moesten natuurlijk de afdelingen op de hoogte worden gebracht van de uitkomst, en kon ik her en der opdraven om de grafiekjes nader uit te leggen. Dat had echter niet zo veel meer om het lijf dan een koffiebezoek aan de bibliotheek en op een andere afdeling een overleg gecombineerd met kerstlunch: eerst grafiekjes en daarna traditionele rijstepap met kaneel en kerstliedjes zingen. Niet al te angstaanjagend allemaal.

Maar een presentatie voor de gemeenteraad, dat valt in een iets andere categorie. Ik voelde dat ik onmiddellijk in de “prestatiestand” schoot, en ging aan de slag met de voorbereidingen.

Donderdagavond, half zeven: ik sluip op mijn tenen de trap van het raadhuis op. Het raadhuis is gevestigd in een oud centrumpand, en wordt voornamelijk gebruikt voor vergaderingen en bruiloften. In het hele gebouw ligt parket, waardoor je al snel de vergadering verstoort als je normaal de trap op loopt. Ik ben ruim op tijd om goed in de stemming te kunnen komen, de opstelling van microfoon, projectiescherm en publiek in me op te nemen, en te kijken welke collega’s aanwezig zijn.
Ik voel me ongeveer zoals die keer dat ik in de wachtkamer van de kaakchirurg zat omdat er twee verstandskiezen uitgezaagd moesten worden. Waar is de nooduitgang?

Ik luister naar een verhaal over een schoolproject dat als doel heeft de kinderen in Aust Agder beter te leren lezen en schrijven. Vervolgens komt er een verhaal van de politie (landelijk vaak in het nieuws de laatste tijd vanwege een enorm personeelstekort en cao-onderhandelingen waarin de partijen het nooit met elkaar eens lijken te worden). Daarna is het broodjespauze en kan ik mijn laatste voorbereidingen treffen, en een babbeltje maken met de burgemeester.
In Noorwegen hebben we de gekozen burgemeester. Die van ons is een sympathieke vijftiger met vrolijke krullen en een eigen timmerbedrijf dat hij voor deze vierjaarsperiode op een laag pitje heeft gezet.

Dan is het zover. Ik ga van start en zoals meestal verdwijnen de zenuwen bijna meteen. Ik vertel zo ongeveer wat ik van plan was te vertellen en maak geen al te grote taalblunders. Ook het vragenrondje verloopt zonder noemenswaardige problemen.
Dat was dan dat!
Terwijl de volgende spreker de microfoon pakt, word ik enthousiast ingehaald door de aanwezige collega’s. De complimenten vliegen me om de oren en dat is leuk. Tegelijkertijd is het een beetje gek. Want als Noren vinden dat je iets goed gedaan hebt of goed kunt, gebruiken ze het woord flink. “Så flink du var!” roepen ze enthousiast. Misschien dat ik er ooit aan gewend raak, maar voorlopig geeft dat “flink” me het gevoel weer kleuter te zijn. Flinke meid!.....
Beetje jammer, maar toch was het een geslaagde avond.

vrijdag 23 januari 2009

Tochtje op de fjord


Na dagen van regen en papsneeuw kunnen we het ons nauwelijks meer voorstellen, maar een paar weken geleden was het heerlijk schaatsweer hier. En er lag nog ijs ook! Toen we terug waren van Tenerife hebben we dus snel de zwemspullen opgeborgen en de schaatsen uit de kast gehaald (we hoefden er niet eens naar te zoeken!). Nu nog een geschikte schaatsplek vinden.

Na een voorzichtige start op een meertje in een klein natuurgebied boven het dorp, was het tijd voor het echte werk: de fjord. Niet dat je bij een beetje vriesweer op elke fjord in Noorwegen kunt schaatsen, maar hier hebben we er één die snel bevriest. Wij er op af natuurlijk. Ik vond het nogal wat, schaatsen op de fjord. In het begin ook wel een klein beetje eng. Het is toch net iets anders dan de gemiddelde Hollandse sloot, en op een ongewenste vriesduik zat ik niet echt te wachten.
Maar het ijs was dik en op de meeste plekken glad. We schaatsten en schaatsten. Was het Nederland geweest, dan was er zeker een toertocht georganiseerd, kompleet met stempels, koek en zopie en kluunplaatsen. Honderden schaatsliefhebbers zouden zich bij de startplek gemeld hebben, natuurlijk na hun auto te hebben geparkeerd op een overvol parkeerterrein of -de laatkomers- in de berm.

Veel schaatsers zijn er niet op het ijs hier. Meest kleine kinderen en een enkele volwassene met ijshockey- of kunstschaatsen onder. Noren mogen dan noren heten, hier zijn ze lang niet overal te koop. Stoer vinden de meeste Noren het wel, die schoentjes met die lange ijzers eronder. Ze denken dat alle Nederlanders goed kunnen schaatsen en wij laten ze natuurlijk graag in die waan...

Weinig schaatsers dus, maar er is wel volk op het ijs: vissers. Gat in het ijs boren, hengel erin, stoeltje erbij, houtgrill in de aanslag en vissen maar. Ziet er best gezellig uit. Afgekeurde vangst wordt gewoon op het ijs achter gelaten. De gemiddelde Noor neemt het niet zo nauw met een beetje afvaldumping meer of minder. In dit geval leverde dat een paar mooie plaatjes op.

dinsdag 20 januari 2009

Stukje

Op de website wereldexpat.nl is onlangs een stukje over onze emigratie verschenen. Lezen? Klik hier.
Ook veel verhalen van en over andere Nederlanders die zijn geëmigreerd naar landen over de hele wereld.