Noren zijn altijd erg geïnteresseerd in je verhaal als je vertelt dat je uit Nederland komt. De vragen die ze dan stellen, zijn over het algemeen echter niet bijster origineel. Op de tweede plaats: hoe we toch zo snel Noors hebben leren spreken. Altijd een leuk onderwerp van gesprek, maar als je al duizend keer hetzelfde verhaal hebt gehouden begint het een beetje te vervelen. Dé immigrantenvraag bij uitstek is echter een heel andere, en één die ik me in Nederland nooit voor had kunnen stellen: "Hebben jullie al een boot?"
Tja, je gelooft het niet, maar er is geen gesprek met Risør-autochtonen waarin deze vraag niet wordt gesteld. De oorzaak is simpel: in Risør heeft iedereen een boot, en is een leven zonder boot nauwelijks voor te stellen (voor de Noren dan - ons lukt het nog uitstekend). Als je in de winter door het dorp loopt, zie je ze ook in talloze achtertuinen liggen. De riantste jachten blijken op de onwaarschijnlijkste achterafplekjes terecht te kunnen komen, met behulp van een flinke kraan en wat kabels. De meeste boten zijn echter van het simpele type: eenvoudig sloepje met 10 pk buitenboordmotortje erachter. De gemiddelde Noor is namelijk niet zo geïnteresseerd in het varen op zich, nee, het doel is om je weg te kunnen vinden naar de talloze eilandjes aan de scherenkust. Aldaar is het in de zomer elke dag feest, bestaande uit enkele simpele hoofingrediënten: luieren, wandelen, zwemmen, maar vooral: barbecuen. Hierbij is vooral het verschijnsel 'uit-de-kluiten-gewassen-knakworst' grenzeloos populair. In alle varianten worden ze gegeten. Met veel ketchup, mosterd en mayonaise natuurlijk, en bij voorkeur op langgerekte, kleffe witte kadetjes. Eet smakelijk.
In de zomer is Risør dus een echt watersportplaatsje. Dat geeft wel een apart sfeertje, moet ik toegeven. Al die boten, al die zeilen, overal uitgelaten kinderen, het in de regio beroemde 'houten boten festival': het zorgt ervoor dat de zomer net iets meer zomer wordt. Vanaf onze veranda hebben we uitzicht op een van de bekendste eilandjes in de buurt: Stangholmen. In de zomer is dit een populaire aanlegplaats voor de schippers, met name dankzij de aanwezigheid van het gelijknamige café en restaurant, waar je tot laat op de avond in het zonnetje kunt genieten van je maaltijd of je biertje. Al deze waterpret heeft echter één nadeel. Voor enkele maanden in het jaar verandert onze 'achtertuin' (de zee dus) in iets dat we in Nederland hebben geprobeerd te ontvluchten: de snelweg. Met boten in plaats van auto's, maar toch. Gelukkig is het een leuk schouwspel. En over een paar maanden liggen al die boten weer op hun vertrouwde winterstekjes in de tuin, wachtend op een volgende mooie bootzomer.
donderdag 10 juli 2008
maandag 23 juni 2008
Op de fiets (2)
Wat hebben een makelaar, een ziekenhuis en een aantal gemeentes in het zuiden van Noorwegen met elkaar gemeen? Ze gaan op Skagentur!
Ik was ongeveer drie uur in dienst bij de gemeente toen ik de vraag kreeg of ik zin had om mee te gaan op Skagentur, een fietstocht van Hirtshals naar Skagen v.v. (in Noord-Denemarken). Ja, dat had ik wel. Ik was er toen nog niet achter dat Noren nauwelijks fietsen en dat de Skagentur daarom onmogelijk fietsen als hoofddoel kon hebben.
In de maanden die volgden werd ik al een stuk wijzer, maar desondanks zou de Noorse tur-kultuur mijn stoutste verwachtingen overtreffen.
Het centrale thema tijdens zo'n tur is alcohol. De Noren drinken. En dan bedoel ik niet een biertje op het terras en een wijntje bij het eten. Nee, dan bedoel ik gammel dansk (een naar ziekenhuis stinkend goedje dat onderweg ook uitstekend dienst bleek te doen als ontsmettingsmiddel voor schaafwonden), bier en wijn in grote hoeveelheden en de hele dag door, te beginnen om 5 uur 's ochtends, het tijdstip waarop de bus vanuit Risør richting boot vertrok.
Nou ja, in Nederland zijn er natuurlijk ook mensen die veel drinken om 5 uur 's ochtends, maar dat is dan meestal het einde van het feest en niet het begin.
Eenmaal op de boot kwam ik tot de ontdekking dat wij uit Risør eigenlijk een hele rustige groep waren, vergeleken met de andere op Skagentur zijnde gezelschappen. Tja, alles is relatief. Ook hier.
Noren hebben een gespannen relatie met het verschijnsel alcohol. Wijn en sterke drank wordt alleen verkocht in staatwinkels. Niks aantrekkelijk ingerichte etalages daar, maar oostblokachtige hokken waar je tot voor kort als klant niet eens zelf een fles uit het schap mocht pakken. Komen kinderen op een leeftijd dat ze zich voor drank gaan interesseren, dan wordt er bij voorkeur thuis niets meer gedronken (in elk geval niet voordat het kroost veilig en wel in bed ligt), want ze moeten vooral niet de indruk krijgen dat alcohol een normaal onderdeel van het leven zou kunnen zijn. Nu kun je natuurlijk lang en breed discussiëren over wat goed is en wat niet en er bestaan ongetwijfeld meerdere waarheden, maar als je ziet hoe volwassen mensen hier met drank omgaan, dan kun je haast niet anders dan constateren dat er onderweg ergens iets mis is gegaan.
De Skagentur dan, was het leuk? Ja, het grootste gedeelte van de tijd was het leuk. Iedereen kwam op vrijdag veilig aan in Skagen na een mooie fietstocht door duin en bos. We woonden met negen vrouwen in een comfortabel huis (de rest zat in een hotel). Overdag gingen we voornamelijk in groepjes op stap, de "stad" in of naar het strand, 's avonds uit eten. Twee avonden met de hele groep uit eten vond ik nogal vermoeiend. Dat kwam ten eerste doordat het Skagense restaurantwezen (nog) niet helemaal klaar was voor het hanteren van grote groepen, en ten tweede omdat Noren om de haverklap menen een toost te moeten uitbrengen. Ben je net aan het genieten van je vis en in gesprek met je tafelbuur en hup, er roept weer iemand skål. Waarvoor er dan geskåld wordt, is natuurlijk volslagen onduidelijk.
Zondag slaagde iedereen er wonder boven wonder in de fietstocht van Skagen naar Hirtshals zonder noemenswaardige problemen te volbrengen. Op de boot was het stil, al kan dat ook wat te maken hebben gehad met het feit dat ik mijn oordoppen in had. In de bus naar Risør was het echt stil.
Om kwart voor drie 's nachts stalde ik mijn fiets in de garage. Het begon al licht te worden. Snel naar bed, want de wekker moest op kwart over zes.
Ik heb een halve week nodig gehad om bij te komen van de Skagentur. Als het goed is, duurt het twee jaar tot de volgende tur, veertien maanden tot het moment van aanmelding. Veertien maanden om te bedenken of ik dit nog een keer wil, veertien maanden om me te buigen over een mogelijk dilemma. De Noren zijn er namelijk achter gekomen dat Nederland net zo lekker vlak is als Denemarken en dat het daar dus vast ook heerlijk fietsen is. En ehh, of ik niet in de commissie voor de volgende tur wilde...
zondag 8 juni 2008
Naar het strand
Het is al weken mooi weer hier en aangezien we op de meeste werkdagen niet later dan vier uur thuis zijn, kunnen we daar volop van genieten. Dat genieten deden we tot nu toe vooral op ons eigen terras, maar toen we het weerbericht voor het weekend zagen, waren we het er over eens dat er nu eindelijk eens een keer gezwommen moest worden.
Wij naar het strand. Een van de populairste zwemplekjes van Risør ligt niet ver bij ons huis vandaan. Een kindvriendelijk zandstrandje met grasveld en douche. Als we aankomen, tellen we er toch wel zeker zo'n 20 andere bezoekers, maar desondanks is er genoeg ruimte over om ons riant te installeren.
We lopen het water in en net als ik overweeg helemaal door te gaan, zie ik 'm drijven: een kwal! Oh-o, vergeten dat een fjord toch gewoon een soort van open zee is. "Ach, een paar kwalletjes", zegt John, "kijk dat jongetje maakt er ook geen probleem van". Hij wijst op een kleuter die bedachtzaam een witroze kwal in model kneedt. Maar ik hoef niet meer. Het eind van het liedje is dat John zwemt en ik terugwaad naar het strand.
Het zit me toch niet lekker dat ik niet verder ben gekomen dan een paar minuten pootjebaden. Ik wil in de herkansing, maar dan wel op een plek zonder kwallen. Dat moet dus een binnenwatertje worden. Op de kaart van Risør staat netjes aangegeven waar je kunt zwemmen. We zoeken een meertje uit en stappen in de auto, de kaart bij de hand. Dat laatste is geen overbodige luxe, want, zoals we al vermoedden, staat er nergens een bordje richting zwemwater.
We parkeren de auto in de berm van de grindweg, en vinden zowaar meteen een wandelpad. Na even spoorzoeken zien we ook het meertje. Nu nog een plek vinden waar we er in kunnen. Aan de overkant bij die rotsen misschien? We lopen het meertje driekwart rond (ja, inderdaad, andersom was handiger geweest...) en komen dan bij de rotspartij. Er is niemand, maar dit is duidelijk de zwemplek. Er is zelfs een natuurlijke, in de rotsen uitgesleten duik"plank".
John ligt al in het water en ik sta nog een beetje te schuifelen op de rots. Waar is de tijd dat ik zo het water in sprong? OK, daar ga ik, ik zwem!
Het water is lekker van temperatuur en helder. We hebben het meertje voor onszelf. Opdrogen op de privérots en weer naar huis. Van zwempartijen in Nederland herinner ik me dat ik bij thuiskomst liefst meteen onder de douche dook om waterplanten en een onbestemd gevoel van plakkerigheid van me af te spoelen, maar hier voel ik me alleen maar lekker opgefrist.
Jammer dat het zomerse weer bijna voorbij is.
Wij naar het strand. Een van de populairste zwemplekjes van Risør ligt niet ver bij ons huis vandaan. Een kindvriendelijk zandstrandje met grasveld en douche. Als we aankomen, tellen we er toch wel zeker zo'n 20 andere bezoekers, maar desondanks is er genoeg ruimte over om ons riant te installeren.
We lopen het water in en net als ik overweeg helemaal door te gaan, zie ik 'm drijven: een kwal! Oh-o, vergeten dat een fjord toch gewoon een soort van open zee is. "Ach, een paar kwalletjes", zegt John, "kijk dat jongetje maakt er ook geen probleem van". Hij wijst op een kleuter die bedachtzaam een witroze kwal in model kneedt. Maar ik hoef niet meer. Het eind van het liedje is dat John zwemt en ik terugwaad naar het strand.
Het zit me toch niet lekker dat ik niet verder ben gekomen dan een paar minuten pootjebaden. Ik wil in de herkansing, maar dan wel op een plek zonder kwallen. Dat moet dus een binnenwatertje worden. Op de kaart van Risør staat netjes aangegeven waar je kunt zwemmen. We zoeken een meertje uit en stappen in de auto, de kaart bij de hand. Dat laatste is geen overbodige luxe, want, zoals we al vermoedden, staat er nergens een bordje richting zwemwater.
We parkeren de auto in de berm van de grindweg, en vinden zowaar meteen een wandelpad. Na even spoorzoeken zien we ook het meertje. Nu nog een plek vinden waar we er in kunnen. Aan de overkant bij die rotsen misschien? We lopen het meertje driekwart rond (ja, inderdaad, andersom was handiger geweest...) en komen dan bij de rotspartij. Er is niemand, maar dit is duidelijk de zwemplek. Er is zelfs een natuurlijke, in de rotsen uitgesleten duik"plank".
John ligt al in het water en ik sta nog een beetje te schuifelen op de rots. Waar is de tijd dat ik zo het water in sprong? OK, daar ga ik, ik zwem!
Het water is lekker van temperatuur en helder. We hebben het meertje voor onszelf. Opdrogen op de privérots en weer naar huis. Van zwempartijen in Nederland herinner ik me dat ik bij thuiskomst liefst meteen onder de douche dook om waterplanten en een onbestemd gevoel van plakkerigheid van me af te spoelen, maar hier voel ik me alleen maar lekker opgefrist.
Jammer dat het zomerse weer bijna voorbij is.
woensdag 21 mei 2008
Met mij gaat het goed

bericht van Pebbles
Beste bloglezers,
Dat was schrikken afgelopen zaterdag. Ik kan me niet meer herinneren wat er gebeurd is, maar opeens lag ik tussen de brandnetels en kon ik niet meer voor- of achteruit. Eerst dacht ik nog dat mijn nieuwe vriend, de grote rode kater, me wel snel zou komen redden, maar toen die niet op kwam dagen en het donker werd, begon ik het een beetje benauwd te krijgen.
John en Emmy hingen natuurlijk voor de tv samen met Nelson, die luie broer van me. Maar uiteindelijk kwamen ze toch naar buiten. Ik wist niet hoe hard ik moest mauwen om hun aandacht te trekken. Ik geloof dat ze nogal schrokken toen ze me zagen. Geen wonder want ik kon niet op mijn achterpoten staan en mijn staart deed het ook niet meer. En ik verrekte natuurlijk van de pijn.
Niet veel later lag ik op de behandeltafel van de dierenarts. Die wilde een foto van me maken. Nou vraag ik je! Ik bedoel, welke zichzelf respecterende poes wil er nou op de foto als ze net 2 uur in de brandnetels heeft gelegen? Gelukkig bleek het om een of andere saaie zwart wit foto van mijn binnenkant te gaan. Een hele meevaller! De dierenarts zei dat de foto er goed uitzag. Ik begreep eerlijk gezegd niet wat-ie er aan vond, maar OK. Smaken verschillen, zullen we maar zeggen.
Voordat ik weer naar huis mocht, kreeg ik nog twee spuiten in mijn nek. Alsof ik niet al genoeg pijn had...
De volgende dag kreeg ik door dat het ook zo z'n voordelen heeft om aan je mand gekluisterd te zijn. Er werd een apart hoekje voor me ingericht met mijn bak, eten en drinken, mijn mand dus en mijn favoriete slaapkleedje. Alles binnen pootbereik. Best lekker! Ik voelde me alweer wat beter en besloot het er goed van te nemen. Eten, drinken, slapen, wat wil een poes nog meer? Dit kon ik nog wel een tijdje volhouden.
Vanochtend werd ik tot mijn schrik opeens weer in de auto geladen. Ja hoor, naar de dierenarts natuurlijk. Uit pure stress ging ik wat heen en weer lopen door de behandelkamer. Hee, ik kon weer lopen. Het deed nog wel pijn, maar het ging! iedereen blij. Ik ook natuurlijk. Alhoewel... Nu beginnen John en Emmy opeens te praten over revalideren, etensbakje verder weg zetten en dat soort grappen. Ik geloof dat het over is met het luie leventje. Nou ja, als ik dan toch weer in beweging moet komen, hoop ik maar dat ik snel naar buiten mag. Kan ik mijn rode vriend opzoeken. Hij mist me vast.
zondag 18 mei 2008
17 mei
17 mei
Dag van de grondwet, grootste nationale feestdag in Noorwegen.
De afgelopen weken werd er onophoudelijk over gepraat door iedereen om ons heen, de laatste dagen niet in het minst vanwege het weerbericht dat de koudste 17 mei in 50 jaar voorspelde.
Wij wisten niet zo goed wat we van onze eerste 17 mei in Noorwegen moesten verwachten. OK, er was netjes een dagprogramma gepubliceerd op de website van de gemeente en collega’s informeerden ons welwillend: “nou, eerst heb je dus de optocht van 7 uur (‘s ochtends), die is nogal statig, meer een herdenkingsoptocht, dan heb je later op de dag de kinderoptocht en tot slot de burgeroptocht. En veel mensen hebben die dag hun bunad (klederdracht) aan.” “Oh, ehh, en is er verder nog iets?” informeerden wij voorzichtig, denkend aan markthandel in oude troep, eetkraampjes, loterijen en spelletjes. “O ja, jazeker`’, was het antwoord, “op 17 mei eet iedereen ijs”.
Wat betreft dat ijs eten vroegen we ons af wat het verschil kon zijn tussen 17 mei en een gewone dag, want in onze ogen eten Noren altijd ijs, zomer en winter, weer of geen weer. Maar goed, het was wel duidelijk dat 17 mei iets is wat je moet meemaken wil je het begrijpen.
06.45
John gelooft het wel met de optocht van 7 uur, maar ik wil zoveel mogelijk zien vandaag en wandel daarom richting dorp. Hier en daar kom ik al mensen in bunad tegen. Er hangt een donkere lucht boven zee.
07.00
Salut met kanonschoten, en daar komt de optocht aan. Ik herken een paar collega’s. Ik maak wat foto’s en volg de stoet naar Kastellet, een oud stukje verdedigingsgrond aan zee. Terwijl ik naar de vlaggenzee kijk, bedenk ik dat je 17 mei niet alleen als een leuke feestdag kunt opvatten, maar ook als een tamelijk fanatieke vorm van nationalisme. Het is maar hoe je het bekijkt. Het motregent.
07.10
De stoetgangers proberen een plekje te vinden op en rond Kastellet. De motregen wordt een fikse bui. Ik steek mijn paraplu op.
07.20
Het stortregent. De paraplu kan het niet aan. Tijd voor ontbijt. Ik ga naar huis.
10.00
Het is droog en begint voorzichtig op te klaren! Gestoken in nette en ook een beetje feestelijke kleding begeven we ons richting dorp om de kinderoptocht te bekijken. Hierin loopt alles wat iets met school te maken heeft, van de allerkleinsten in de kinderopvang (in buggy) tot Risør Videregående. “Sluit aan”, gebaart een collge van John enthousiast. John gebarentaalt beleefd terug dat zijn eerste 17e mei bestaat uit het maken van foto’s. Foto’s van leerlingen in bunad (meisjes) en in pak (jongens), foto’s van ijs etende leerlingen. We groeten bekenden hier en daar. Op zo’n dag is het knus om in een dorp te wonen. We proberen er aan te wennen dat iedereen elkaar “gratulerer med dagen” toeroept, een uitspraak die wij vooral associeren met verjaardagen. Bij de bakker genieten we van koffie met marsepeintaart. Voor ijs vinden we het een beetje te koud.
15.00
Na een pauze van een uur of twee daal ik weer af naar dorp, nu om de burgeroptocht bij te wonen. Hierin lopen alle verenigingen mee en tot slot iedereen die nergens bij hoort, maar toch mee wil doen. De stemming zit er nog steeds goed in, al meen ik bij een collega die voor de derde keer die dag de vlag van het muziekkorps draagt, wat sporen van slijtage te bespeuren.
17.30
We bellen aan bij het huis van Jon Olav en Else. Zij hebben ons en nog een paar mensen uitgenodigd op de koffie. Koffie om half zes? Ja, Noren gaan er van uit dat je dan al gegeten hebt. Heb je onverhoopt niet gegeten, dan hoef je geen honger te lijden, want bij zo’n koffieafspraak is er taart in overvloed. Het is gezellig en ongedwongen. Leuk om eens anderen te spreken.
23.00
We willen tevreden ons bed in rollen, maar bedenken opeens dat we Pebbles niet meer gezien hebben sinds we haar twee uur eerder naar buiten lieten. Het is niks voor haar om zo lang weg te blijven. Na lang zoeken en roepen vinden we haar uiteindelijk zielig mauwend in de tuin tussen de brandnetels. Ze kan niet meer op haar achterpoten staan. Paniek! De weekenddierenarts stelt voor het een nachtje aan te kijken. Als het echt niet gaat, kunnen we komen, maar dan moeten we wel naar Grimstad (ruim een uur rijden). We kijken elkaar aan en denken allebei hetzelfde: “kunnen we het maken?” “Ik ga kijken of er nog licht brandt bij Erik”, zegt John, en vertrekt.
00.00
Erik, onze eigen dierenarts, die twee minuten lopen bij ons vandaan woont en praktijk heeft, bekijkt de röntgenfoto’s van Pebbles. “ik zie geen breuk”, zegt hij, “kijk, het ziet er netjes uit. Dat is goed nieuws.” Maar ze heeft wel iets aan haar rug waardoor ze weinig kan met achterpoten en staart. Is ze aangereden, of van een rots gevallen? We weten het niet. Injecties, pillen voor de komende dagen, laten rusten, dinsdag nog even langs komen en kijken hoe het zich ontwikkelt. Het kan een paar weken duren, maar de kans is groot dat ze herstelt.
00.45
We installeren Pebbles in de keuken en gaan eindelijk zelf ook slapen. 17 mei was een enerverende dag, in meerdere opzichten.
zondag 27 april 2008
Op de fiets
"Noren luiste Europeanen!" kopte een krant een week of twee geleden. "Ha, dat slaat zeker op onze arbeidsmoraal", grinnikte mijn collega, doelend op de korte werkdagen hier. Maar nee, dat was het niet. Het ging over een onderzoek dat had uitgewezen dat de Noor bedroevend weinig beweegt. "Waaat", zei diezelfde collega verontwaardigd, "dat kan toch niet? Wij zijn immers dol op wandelen in de vrije natuur. Lekker er op uit in het weekend, liefst met het hele gezin." Ja, en natuurlijk met een tas gevuld met grilworst en bier, dacht ik er achteraan, maar dat leek me niet zo'n wijze opmerking.
We lazen verder. Het weinige bewegen bleek niet op de weekenduitjes te slaan, maar op het woon-werk verkeer. Kort samengevat kwam het er op neer dat de Noor eens wat vaker op de fiets naar het werk zou moeten. Op de fiets! Nu ben ik als Nederlander misschien wel erg verwend met een riante hoeveelheid fietspaden, fietsstoplichten en fietsenstallingen, maar volgens mij kan ik veilig zeggen dat Noorwegen niet bepaald een fietsersvriendelijk land is. Niet bij ons in de omgeving in ieder geval. Om te beginnen fiets je bijna altijd op de autoweg. Een beetje eng, vind ik, en aanleiding om het beroemde gele hesje uit de kast te halen, zodat ik in elk geval goed zichtbaar ben. Daarnaast gaat het voortdurend op en af. Dat zou je natuurlijk als een uitdaging kunnen zien, of als een lekkere training. Maar voor een woon-werkritje vind ik het niks. Voor mij betekent het op de heenweg dat ik ga zitten en me naar beneden laat rollen tot voor de deur van het gemeentehuis en op de terugweg dat ik tegen de heuvel op moet zwoegen en tegen de tijd dat ik thuis ben meteen onder de douche kan. Andersom zou nog minder aantrekkelijk zijn, moet ik toegeven. Al hebben we op het gemeentehuis wel een douche.
Een paar dagen geleden ging ik dan toch een keer op de fiets. Ik moest namelijk midden op de dag naar de tandarts en op de fiets heen en weer naar het dorp gaat nu eenmaal sneller dan lopend. Eenzaam stond mijn fiets in het rek(je) bij het gemeentehuis, even eenzaam stond-ie op de stoep bij de tandarts voor de deur. Tijdens de lunch werd ik er wel een keer of zes over aangesproken: "je bent op de fiets he?", "ik zag je fietsen vanochtend!" De echte liefhebber informeert ook nog of het waar is dat Nederlanders zo veel fietsen en dat het in Nederland bijna overal vlak is. Ik ben de bezienswaardigheid van de dag.
Noren zo ver krijgen dat ze op de fiets naar het werk gaan. Het lijkt me een onmogelijke opgave.
We lazen verder. Het weinige bewegen bleek niet op de weekenduitjes te slaan, maar op het woon-werk verkeer. Kort samengevat kwam het er op neer dat de Noor eens wat vaker op de fiets naar het werk zou moeten. Op de fiets! Nu ben ik als Nederlander misschien wel erg verwend met een riante hoeveelheid fietspaden, fietsstoplichten en fietsenstallingen, maar volgens mij kan ik veilig zeggen dat Noorwegen niet bepaald een fietsersvriendelijk land is. Niet bij ons in de omgeving in ieder geval. Om te beginnen fiets je bijna altijd op de autoweg. Een beetje eng, vind ik, en aanleiding om het beroemde gele hesje uit de kast te halen, zodat ik in elk geval goed zichtbaar ben. Daarnaast gaat het voortdurend op en af. Dat zou je natuurlijk als een uitdaging kunnen zien, of als een lekkere training. Maar voor een woon-werkritje vind ik het niks. Voor mij betekent het op de heenweg dat ik ga zitten en me naar beneden laat rollen tot voor de deur van het gemeentehuis en op de terugweg dat ik tegen de heuvel op moet zwoegen en tegen de tijd dat ik thuis ben meteen onder de douche kan. Andersom zou nog minder aantrekkelijk zijn, moet ik toegeven. Al hebben we op het gemeentehuis wel een douche.
Een paar dagen geleden ging ik dan toch een keer op de fiets. Ik moest namelijk midden op de dag naar de tandarts en op de fiets heen en weer naar het dorp gaat nu eenmaal sneller dan lopend. Eenzaam stond mijn fiets in het rek(je) bij het gemeentehuis, even eenzaam stond-ie op de stoep bij de tandarts voor de deur. Tijdens de lunch werd ik er wel een keer of zes over aangesproken: "je bent op de fiets he?", "ik zag je fietsen vanochtend!" De echte liefhebber informeert ook nog of het waar is dat Nederlanders zo veel fietsen en dat het in Nederland bijna overal vlak is. Ik ben de bezienswaardigheid van de dag.
Noren zo ver krijgen dat ze op de fiets naar het werk gaan. Het lijkt me een onmogelijke opgave.
zaterdag 12 april 2008
Ringveien 29 - deel 3: Het Strandhuis
Alweer een tijdje geleden verschenen de eerste twee delen van ons verhaal over Ringveien 29. Om het geheugen een beetje op te frissen: zelf een huis bouwen vonden we al met al toch wel erg duur worden, en van de vele bezichtigingen die we tot nu toe hadden gedaan werden we meestal niet erg vrolijk. Een uitzondering was het mooie, typisch Noorse huis bovenop een heuvel in een dorpje op een kwartier rijden van Risør. We waren die week nog in onderhandeling met de eigenaars nadat een eerder bod van ons was afgewezen. En toen kwam dus het open huis van Ringveien 29 in zicht. De buurman die op nummer 31 woont, was stomtoevallig een collega van mij op school. Hij had me verzekerd dat het huis de moeite waard was, en ook enkele andere collega's wisten direct over welk huis het ging en knikten bevestigend bij zijn aanbeveling. Op internet hadden we al wat foto's gezien, maar echt overtuigd waren we nog niet. Emmy vond een bezichtiging eigenlijk verspilde moeite gezien de torenhoge vraagprijs, en ook ik twijfelde. Maar het tijdstip van het open huis kwam me eigenlijk prima uit, net na werktijd, dus ach, niet geschoten is altijd mis, toch? Ik besloot dus om een kijkje te gaan nemen en daarna verslag aan Emmy uit te brengen.
Het huis bleek vrij dicht bij school te liggen, op een steenworp afstand van Risør centrum, boven op een heuvel. In de advertentie op internet werd geschermd met de zinsnede 'misschien wel het mooiste uitzicht in Risør', dus ik was benieuwd. Enkele weken eerder had ik een ander huis met zeeuitzicht bezichtigd dat vlakbij Ringveien 29 lag. Dat huis was op zich leuk en in goede staat, maar had niet al te veel ruimte (het was een bungalow met drie, vrij kleine slaapkamers). Desondanks was het binnen een week verkocht, terwijl de vraagprijs bepaald niet laag was geweest. Ook andere mensen hadden ons verzekerd dat voor zeeuitzicht fors in de buidel moest worden getast, zeker voor een huis dat ook nog eens dicht bij de oude dorpskern ligt.
Op het moment dat ik aankwam werden er al enkele belangstellenden rondgeleid door de makelaar. Ik trof Albert, de mannelijke helft van het Nederlandse(!) echtpaar Albert en Betty, de huidige eigenaars. Een sympathieke, nog niet zolang gepensioneerde zestiger, die me enthousiast het huis liet zien. Inderdaad, het uitzicht was adembenemend. Over steil naar beneden lopende rotsen, dicht beplant met berken en dennebomen, keek ik recht over zee uit op het in Risør bekende eilandje Stangholmen, waaraan het aldaar gelegen restaurant zijn naam ontleent. Vanuit de woonkamer stapte ik de zonovergoten veranda op. Daar trok ik een aangename conclusie: geen buren te zien. Het huis verschuilt zich in de luwte tussen twee rotsen, op een zodanige manier dat de twee buurhuizen geen zich hebben op de veranda of achtertuin. De architect had destijds slim tekenwerk verricht, zoveel was wel duidelijk. Een ander positief punt was dat de 'Noorse keuken- en badinrichting' hier ver te zoeken was. De keuken was splinternieuw, fris wit, en voorzien van luxe inbouwapparatuur. Heel wat anders dan de vele keukenrampen die we tot nu toe hadden gezien. De badkamer was klein, maar praktisch. En de wc, goed, die was minder, maar het vernieuwen van toiletblok en wastafel zou hier zeker wonderen doen. Ook de twee slaapkamers waren prima, dit was echt niet verkeerd, ik werd steeds enthousiaster! Maar toch: de huiskamer was weliswaar ruim, maar twee slaapkamers hield niet over natuurlijk. Albert had echter nog diverse verrassingen voor me in petto. Nadat hij eerst twee enorme bergzolders had laten zien, kondigde hij aan dat we nu nog even de onderverdieping zouden gaan bekijken. Eenmaal beneden aangekomen, bleek dat daar nog eens drie slaapkamers waren, een proviandkamer en nog een paar inbouwkasten. Niks klein huis, dit was ongelofelijk! Ik zag het direct voor me: als we de grootste twee slaapkamers zouden doorbreken en van de proviandkamer een badkamer zouden maken, konden we een schitterend gastenverblijf in de onderverdieping maken. De torenhoge vraagprijs vond ik nauwelijks een probleem meer. In Nederland woonden we toch al jarenlang duurder dan dit? Eenmaal thuis gekomen, wilde Emmy uiteraard weten hoe het geweest was. 'Vergeet de prijs,' zei ik. 'Fantastisch huis. Hier moeten we gewoon op bieden.'
Hierna ging het snel. 's Avonds belden we Albert en Betty om een tweede bezichtiging af te spreken voor de volgende dag, nu met Emmy natuurlijk, die ook direct enthousiast was. Nog een dag later brachten we ons bod uit. We wisten dat we snel moesten handelen vanwege de aantrekkelijke ligging van het huis. In Noorwegen is een bod altijd aan een deadline gekoppeld: het is meestal slechts één of twee dagen geldig, dan moeten de verkopers beslissen. Doordat we ons bod op een vrijdag uitbrachten moesten we nog een spannend weekeinde wachten, en ondertussen hopen dat niemand anders zich met een serieus tegenbod in de strijd om het huis zou mengen. In Noorwegen wordt rustig met meerdere kopers tegelijk onderhandeld in een poging om de maximale opbrengst uit een pand te halen, en we wisten dat we maar heel weinig speelruimte hadden als er een andere bieder bij kwam. Wat wellicht in ons voordeel kon werken was dat Albert en Betty al een ander huis hadden gekocht en dus liefst zo snel mogelijk wilden verkopen. En ons bod was zeker niet verkeerd. Toch hadden we er een beetje een hard hoofd in: er zou vast nog een bieder bijkomen, met alle vervelende prijsgevolgen van dien. Maandagochtend kwam tot onze verbijstering echter het verlossende telefoontje: geen nieuwe bieders, en ons bod was geaccepteerd. Ringveien 29 was van ons!
Het huis bleek vrij dicht bij school te liggen, op een steenworp afstand van Risør centrum, boven op een heuvel. In de advertentie op internet werd geschermd met de zinsnede 'misschien wel het mooiste uitzicht in Risør', dus ik was benieuwd. Enkele weken eerder had ik een ander huis met zeeuitzicht bezichtigd dat vlakbij Ringveien 29 lag. Dat huis was op zich leuk en in goede staat, maar had niet al te veel ruimte (het was een bungalow met drie, vrij kleine slaapkamers). Desondanks was het binnen een week verkocht, terwijl de vraagprijs bepaald niet laag was geweest. Ook andere mensen hadden ons verzekerd dat voor zeeuitzicht fors in de buidel moest worden getast, zeker voor een huis dat ook nog eens dicht bij de oude dorpskern ligt.
Op het moment dat ik aankwam werden er al enkele belangstellenden rondgeleid door de makelaar. Ik trof Albert, de mannelijke helft van het Nederlandse(!) echtpaar Albert en Betty, de huidige eigenaars. Een sympathieke, nog niet zolang gepensioneerde zestiger, die me enthousiast het huis liet zien. Inderdaad, het uitzicht was adembenemend. Over steil naar beneden lopende rotsen, dicht beplant met berken en dennebomen, keek ik recht over zee uit op het in Risør bekende eilandje Stangholmen, waaraan het aldaar gelegen restaurant zijn naam ontleent. Vanuit de woonkamer stapte ik de zonovergoten veranda op. Daar trok ik een aangename conclusie: geen buren te zien. Het huis verschuilt zich in de luwte tussen twee rotsen, op een zodanige manier dat de twee buurhuizen geen zich hebben op de veranda of achtertuin. De architect had destijds slim tekenwerk verricht, zoveel was wel duidelijk. Een ander positief punt was dat de 'Noorse keuken- en badinrichting' hier ver te zoeken was. De keuken was splinternieuw, fris wit, en voorzien van luxe inbouwapparatuur. Heel wat anders dan de vele keukenrampen die we tot nu toe hadden gezien. De badkamer was klein, maar praktisch. En de wc, goed, die was minder, maar het vernieuwen van toiletblok en wastafel zou hier zeker wonderen doen. Ook de twee slaapkamers waren prima, dit was echt niet verkeerd, ik werd steeds enthousiaster! Maar toch: de huiskamer was weliswaar ruim, maar twee slaapkamers hield niet over natuurlijk. Albert had echter nog diverse verrassingen voor me in petto. Nadat hij eerst twee enorme bergzolders had laten zien, kondigde hij aan dat we nu nog even de onderverdieping zouden gaan bekijken. Eenmaal beneden aangekomen, bleek dat daar nog eens drie slaapkamers waren, een proviandkamer en nog een paar inbouwkasten. Niks klein huis, dit was ongelofelijk! Ik zag het direct voor me: als we de grootste twee slaapkamers zouden doorbreken en van de proviandkamer een badkamer zouden maken, konden we een schitterend gastenverblijf in de onderverdieping maken. De torenhoge vraagprijs vond ik nauwelijks een probleem meer. In Nederland woonden we toch al jarenlang duurder dan dit? Eenmaal thuis gekomen, wilde Emmy uiteraard weten hoe het geweest was. 'Vergeet de prijs,' zei ik. 'Fantastisch huis. Hier moeten we gewoon op bieden.'
Hierna ging het snel. 's Avonds belden we Albert en Betty om een tweede bezichtiging af te spreken voor de volgende dag, nu met Emmy natuurlijk, die ook direct enthousiast was. Nog een dag later brachten we ons bod uit. We wisten dat we snel moesten handelen vanwege de aantrekkelijke ligging van het huis. In Noorwegen is een bod altijd aan een deadline gekoppeld: het is meestal slechts één of twee dagen geldig, dan moeten de verkopers beslissen. Doordat we ons bod op een vrijdag uitbrachten moesten we nog een spannend weekeinde wachten, en ondertussen hopen dat niemand anders zich met een serieus tegenbod in de strijd om het huis zou mengen. In Noorwegen wordt rustig met meerdere kopers tegelijk onderhandeld in een poging om de maximale opbrengst uit een pand te halen, en we wisten dat we maar heel weinig speelruimte hadden als er een andere bieder bij kwam. Wat wellicht in ons voordeel kon werken was dat Albert en Betty al een ander huis hadden gekocht en dus liefst zo snel mogelijk wilden verkopen. En ons bod was zeker niet verkeerd. Toch hadden we er een beetje een hard hoofd in: er zou vast nog een bieder bijkomen, met alle vervelende prijsgevolgen van dien. Maandagochtend kwam tot onze verbijstering echter het verlossende telefoontje: geen nieuwe bieders, en ons bod was geaccepteerd. Ringveien 29 was van ons!
vrijdag 4 april 2008
Zomertijd
De zomertijd is ingegaan! Niet alleen de bekende klok-een-uur-vooruit zomertijd, maar ook de gemeentelijke zomertijd. Sinds 1 april eindigt mijn werkdag niet meer om 4 uur, maar om 3 uur 's middags. Voor wie zich afvraagt of ze in Noorwegen ook aan 1 april grappen doen: zeker, volop, elke krant heeft op die datum wel een zogenaamd nieuwtje gepubliseerd dat achteraf een grap bleek. Maar die werktijden, dat is dus geen grap.
Ik moet toegeven, het was wel even wennen om zo vroeg naar huis te gaan. Vooral de eerste dag toen er nog grote hopen sneeuw langs de kant van de weg lagen, ik blij was dat ik mijn handschoenen aan had en eigenlijk ook wenste dat ik mijn muts mee had genomen. Maar nu heeft de natuur het dan eindelijk ook begrepen. De zon schijnt volop, we hebben alweer op ons terras gezeten en de verwarming kan uit. Nu nog even de spijkerbanden verwisselen voor zomerbanden voordat we tegen een bekeuring aan rijden.
Wij zijn klaar voor de zomer en Risør is dat ook: de bootjes worden van stal gehaald en er is weer schepijs te koop.
De zomer duurt hier tot 1 oktober...
Ik moet toegeven, het was wel even wennen om zo vroeg naar huis te gaan. Vooral de eerste dag toen er nog grote hopen sneeuw langs de kant van de weg lagen, ik blij was dat ik mijn handschoenen aan had en eigenlijk ook wenste dat ik mijn muts mee had genomen. Maar nu heeft de natuur het dan eindelijk ook begrepen. De zon schijnt volop, we hebben alweer op ons terras gezeten en de verwarming kan uit. Nu nog even de spijkerbanden verwisselen voor zomerbanden voordat we tegen een bekeuring aan rijden.
Wij zijn klaar voor de zomer en Risør is dat ook: de bootjes worden van stal gehaald en er is weer schepijs te koop.
De zomer duurt hier tot 1 oktober...
donderdag 27 maart 2008
De Laatste Lift
Zoals Emmy in een eerder stukje al schreef: de belangrijkste reden dat we in de paasvakantie naar Røros gingen, was dat mijn ski's er nog lagen. Uitermate irritant natuurlijk, want als je dan toch in Noorwegen woont, wil je wel van tijd tot tijd op de lange latten staan. Omdat ik niet meteen bij Gørild - onze Noorse vriendin - terecht kon om mijn ski's op te halen, huurde ik de eerste paar dagen een snowboard. Het was alweer vier jaar geleden sinds ik daar voor het laatst op stond, en al te vaak heb ik het nog niet gedaan, dus ik was benieuwd. Het menselijk lichaam is een wonderlijk apparaat, zo bleek al snel. Na een paar bochtjes voelde het al weer enigszins vertrouwd, en een uurtje later draaide het alsof ik nooit anders gedaan had.
De laatste dag had ik echter voor het skiën bewaard. De omstandigheden waren schitterend: strakblauwe hemel, zonovergoten pistes en kakelverse poedersneeuw. Met een graadje of tien onder nul was het hooguit wat fris. In een van de weinige geslaagde liedjes die ik geschreven heb, komt dit zinnetje voor: The world, the past, the grief: we leave it all behind. Als dat voor mij ergens op van toepassing is, dan is het wel op skiën. Als ik op volle snelheid van de berg afsuis, de kanten van mijn ski's scherp de sneeuw in stuur en in een wervelend spel met zwaartekracht en berg al slalommend mijn weg naar beneden vind, weet ik het weer. Ik heb veel gesport in mijn leven, en ja, een fraai doelpunt, een geslaagde schouderworp, met een listig dropshot je opponent verrassen, een snoeiharde topspin forehand diagonaal over de tafel, een lob die net voor de baseline over je verbouwereerde tegenstander valt, in een onweerstaanbare eindsprint de concurrentie voorbijsnellen: het is allemaal fantastisch. Maar er is voor mij maar één sport die synoniem is met het ultieme geluksgevoel. De dag dat ik niet meer naar skiën verlang, is die ene dag die we allemaal gaan meemaken. De lift die me dan naar hemel of hel gaat brengen moet nog maar even wachten: eerst moet ik hier beneden de laatste lift halen!
De laatste dag had ik echter voor het skiën bewaard. De omstandigheden waren schitterend: strakblauwe hemel, zonovergoten pistes en kakelverse poedersneeuw. Met een graadje of tien onder nul was het hooguit wat fris. In een van de weinige geslaagde liedjes die ik geschreven heb, komt dit zinnetje voor: The world, the past, the grief: we leave it all behind. Als dat voor mij ergens op van toepassing is, dan is het wel op skiën. Als ik op volle snelheid van de berg afsuis, de kanten van mijn ski's scherp de sneeuw in stuur en in een wervelend spel met zwaartekracht en berg al slalommend mijn weg naar beneden vind, weet ik het weer. Ik heb veel gesport in mijn leven, en ja, een fraai doelpunt, een geslaagde schouderworp, met een listig dropshot je opponent verrassen, een snoeiharde topspin forehand diagonaal over de tafel, een lob die net voor de baseline over je verbouwereerde tegenstander valt, in een onweerstaanbare eindsprint de concurrentie voorbijsnellen: het is allemaal fantastisch. Maar er is voor mij maar één sport die synoniem is met het ultieme geluksgevoel. De dag dat ik niet meer naar skiën verlang, is die ene dag die we allemaal gaan meemaken. De lift die me dan naar hemel of hel gaat brengen moet nog maar even wachten: eerst moet ik hier beneden de laatste lift halen!
zaterdag 22 maart 2008
Napoli
Paasvakantie, in Noorwegen bestaat het nog. Hier is namelijk niet alleen tweede paasdag een feestdag, maar ook goede vrijdag en witte donderdag. Laat die Noren maar schuiven als het om feestdagen gaat!
Omdat iedereen met zoveel vrije dagen achter elkaar graag naar zijn hytte (tweede huisje) gaat en daar woensdag natuurlijk niet midden in de nacht wil aankomen, zijn veel mensen woensdagmiddag al vrij. Ach, eigenlijk kun je wel stellen dat er op maandag en dinsdag ook niet zo veel gewerkt wordt. En nu ik er aan terugdenk: halverwege vorige week begon het al vrij rustig te worden.
Als ijverig integrerende immigrant wil je natuurlijk niet achterblijven, dus wij ook op paasvakantie. Nu zijn we nog niet zo ver dat we een hytte hebben, we hebben zelfs nog geen goede kennissen met een hytte, maar dat mocht de pret niet drukken. We hadden namelijk twee bestemmingen: Sint-Pancras en Røros.
Op vrijdag 14 maart, de 80e verjaardag van mijn vader, stapten we rond lunchtijd (dat is hier om 11.30 uur) in de auto richting Oslo. Meestal gebruiken we dichterbij gelegen vliegvelden, maar met het oog op de doorreis naar Røros hadden we nu voor Oslo gekozen. Een kleine elf uur later deden we de achterdeur in Sint-Pancras open. Ik was benieuwd of mijn moeder onze komst geheim had weten te houden voor de jarige, maar toen we binnenkwamen zag ik meteen dat hij van niets wist. De verrassing was geslaagd!
Na een paar gezellige en gelukkig niet al te hectische dagen, vertrokken we dinsdag richting Røros. Dat we naar Røros gingen, was niet zozeer omdat John heimwee had naar zijn winterse bergdorp, maar omdat hij, toen hij er een kleine twee jaar geleden vertrok, "tijdelijk" wat spullen bij kennissen had opgeslagen. Wat het precies voor spullen waren (behalve zijn ski's), kon hij zich niet herinneren, maar het was hoe dan ook tijd om de boel eens op te halen. En een paar dagen skiën, daar hadden we natuurlijk ook wel zin in.
Oslo-Røros is nog best een flinke rit, zeker als je bedenkt dat we niet bepaald kilometervreters zijn en op een slechte dag elkaar ongeveer elk halfuur moeten afwisselen achter het stuur omdat we anders in slaap vallen. Maar we hadden een goede dag en reden lekker door.
Aan het begin van de avond moesten we beslissen wat we zouden doen met eten. We besloten ons geluk te beproeven in Koppang. Over Koppang valt niet zoveel te vertellen, behalve dat het in mijn ogen een typisch Noors plaatsje is: aan een rivier, tussen de heuvels, overdag waarschijnlijk idyllisch mooi. Toen wij er aan kwamen, was het er donker en stil. We reden het centrum binnen, waar we zagen dat we de keuze hadden uit twee restaurants: het ene zag er uit als een klassiek Noors restaurant. Zo te zien zater er geen gasten. Het andere had een uithangbord met "Restaurant Pizzeria Napoli", plastic kleedjes op de tafels en eveneens nul klanten. Dat werd nog lastig kiezen...
Omdat snelheid ons belangrijkste criterium was die avond, gingen we voor Napoli. Daar bleken ze niet alleen in pizza's en pasta's te doen, maar ook in Mexicaans, Grieks, Turks en hamburgers. Het eten kwam snel en smaakte zoals verwacht. Wat is dat toch hier? Bijna elk dorp heeft zijn eigen Napoli en vaak is het eten bij die "Napoli's" matig, of zeg maar: slecht. In het eerste het beste Nederlandse studentenhuis krijg je gegarandeerd betere pasta. En betere hamburgers, Mexicaanse hap enzovoort. Waarom kiezen die Napoli's er voor om van alles en nog wat te serveren en alles van belabberde kwaliteit? Hoe overleven ze in die kleine dorpen met nauwelijks klanten? Maar vooral: waarom zijn de uitbaters desondanks altijd goed gehumeurd?
Ja, de Noorse samenleving stelt ons voor vele raadsels. Napoli is er slechts één van.
Omdat iedereen met zoveel vrije dagen achter elkaar graag naar zijn hytte (tweede huisje) gaat en daar woensdag natuurlijk niet midden in de nacht wil aankomen, zijn veel mensen woensdagmiddag al vrij. Ach, eigenlijk kun je wel stellen dat er op maandag en dinsdag ook niet zo veel gewerkt wordt. En nu ik er aan terugdenk: halverwege vorige week begon het al vrij rustig te worden.
Als ijverig integrerende immigrant wil je natuurlijk niet achterblijven, dus wij ook op paasvakantie. Nu zijn we nog niet zo ver dat we een hytte hebben, we hebben zelfs nog geen goede kennissen met een hytte, maar dat mocht de pret niet drukken. We hadden namelijk twee bestemmingen: Sint-Pancras en Røros.
Op vrijdag 14 maart, de 80e verjaardag van mijn vader, stapten we rond lunchtijd (dat is hier om 11.30 uur) in de auto richting Oslo. Meestal gebruiken we dichterbij gelegen vliegvelden, maar met het oog op de doorreis naar Røros hadden we nu voor Oslo gekozen. Een kleine elf uur later deden we de achterdeur in Sint-Pancras open. Ik was benieuwd of mijn moeder onze komst geheim had weten te houden voor de jarige, maar toen we binnenkwamen zag ik meteen dat hij van niets wist. De verrassing was geslaagd!
Na een paar gezellige en gelukkig niet al te hectische dagen, vertrokken we dinsdag richting Røros. Dat we naar Røros gingen, was niet zozeer omdat John heimwee had naar zijn winterse bergdorp, maar omdat hij, toen hij er een kleine twee jaar geleden vertrok, "tijdelijk" wat spullen bij kennissen had opgeslagen. Wat het precies voor spullen waren (behalve zijn ski's), kon hij zich niet herinneren, maar het was hoe dan ook tijd om de boel eens op te halen. En een paar dagen skiën, daar hadden we natuurlijk ook wel zin in.
Oslo-Røros is nog best een flinke rit, zeker als je bedenkt dat we niet bepaald kilometervreters zijn en op een slechte dag elkaar ongeveer elk halfuur moeten afwisselen achter het stuur omdat we anders in slaap vallen. Maar we hadden een goede dag en reden lekker door.
Aan het begin van de avond moesten we beslissen wat we zouden doen met eten. We besloten ons geluk te beproeven in Koppang. Over Koppang valt niet zoveel te vertellen, behalve dat het in mijn ogen een typisch Noors plaatsje is: aan een rivier, tussen de heuvels, overdag waarschijnlijk idyllisch mooi. Toen wij er aan kwamen, was het er donker en stil. We reden het centrum binnen, waar we zagen dat we de keuze hadden uit twee restaurants: het ene zag er uit als een klassiek Noors restaurant. Zo te zien zater er geen gasten. Het andere had een uithangbord met "Restaurant Pizzeria Napoli", plastic kleedjes op de tafels en eveneens nul klanten. Dat werd nog lastig kiezen...
Omdat snelheid ons belangrijkste criterium was die avond, gingen we voor Napoli. Daar bleken ze niet alleen in pizza's en pasta's te doen, maar ook in Mexicaans, Grieks, Turks en hamburgers. Het eten kwam snel en smaakte zoals verwacht. Wat is dat toch hier? Bijna elk dorp heeft zijn eigen Napoli en vaak is het eten bij die "Napoli's" matig, of zeg maar: slecht. In het eerste het beste Nederlandse studentenhuis krijg je gegarandeerd betere pasta. En betere hamburgers, Mexicaanse hap enzovoort. Waarom kiezen die Napoli's er voor om van alles en nog wat te serveren en alles van belabberde kwaliteit? Hoe overleven ze in die kleine dorpen met nauwelijks klanten? Maar vooral: waarom zijn de uitbaters desondanks altijd goed gehumeurd?
Ja, de Noorse samenleving stelt ons voor vele raadsels. Napoli is er slechts één van.
donderdag 13 maart 2008
De snelweg
In Noorwegen is er gemiddeld beduidend minder wind dan in Nederland. Op ons terras profiteren we hier extra van, omdat ons huis tussen twee rotsen in ligt, waardoor we goed beschut kunnen zitten. Tot ons grote genoegen hebben we dit jaar dan ook al diverse keren lekker buiten op het terras gezeten, terwijl de thermometer niet meer dan een graad of vijf aangaf. Ongelofelijk maar waar. Zolang er weinig wind is en de zon schijnt, is het daar ronduit heerlijk.
Zo ook op een zondag, begin maart. Samen met de katten koesteren we ons in de voorzichtig plagende, maar o zo aangename zonnestralen, onder het genot van een kopje koffie. We verbazen ons er nog eens over dat we met deze temperatuur zonder jas en zonder te verkleumen buiten kunnen zitten. En die rust, heerlijk. Alleen wat vogels die de lente in hun kop hebben, verder niks. Of... Wat hoor ik daar voor irritant geruis op de achtergrond? Een oude ergernis dringt zich razendsnel naar boven, als een woekerend onkruid: verkeerslawaai, die vervloekte snelweg natuurlijk! Zonder na te denken floep ik er geïrriteerd uit: ‘Wat hoor ik daar toch voor vervelende ruis?’ Emmy kijkt me aan met een blik van ‘Waar heb ik deze sukkel toch aan verdiend,’ en zegt meewarig: ‘Da’s de zee, slimmerd’.
Oh ja, da’s waar ook, we wonen tegenwoordig aan zee. En de snelweg is hier toch wel een slordige twintig kilometer vandaan.
De achtergrondruis werd er niet minder door, maar klonk plotseling wel een stuk aangenamer.
Zo ook op een zondag, begin maart. Samen met de katten koesteren we ons in de voorzichtig plagende, maar o zo aangename zonnestralen, onder het genot van een kopje koffie. We verbazen ons er nog eens over dat we met deze temperatuur zonder jas en zonder te verkleumen buiten kunnen zitten. En die rust, heerlijk. Alleen wat vogels die de lente in hun kop hebben, verder niks. Of... Wat hoor ik daar voor irritant geruis op de achtergrond? Een oude ergernis dringt zich razendsnel naar boven, als een woekerend onkruid: verkeerslawaai, die vervloekte snelweg natuurlijk! Zonder na te denken floep ik er geïrriteerd uit: ‘Wat hoor ik daar toch voor vervelende ruis?’ Emmy kijkt me aan met een blik van ‘Waar heb ik deze sukkel toch aan verdiend,’ en zegt meewarig: ‘Da’s de zee, slimmerd’.
Oh ja, da’s waar ook, we wonen tegenwoordig aan zee. En de snelweg is hier toch wel een slordige twintig kilometer vandaan.
De achtergrondruis werd er niet minder door, maar klonk plotseling wel een stuk aangenamer.
zaterdag 16 februari 2008
Achtertuin
Het is zaterdag. John is in Nederland, de katten liggen te slapen, ik ben klaar met het verven van weer een paar muren en het is prachtig weer. Een mooi moment voor een wandeling. Ik heb bedacht dat ik mijn wandeling van vandaag in de achtertuin begin. Onze achtertuin bestaat uit bos en rots en gaat ergens op een onmogelijk te herkennen punt over in gemeentegrond. Door de tuin en verder door het gemeentebos loopt een paadje naar beneden. Daar komt het uit op een wandelpad langs de kust. Mijn pad van vandaag.
De eerste en laatste keer dat we het pad naar beneden namen, was in oktober. We hadden het huis net gekocht en gingen met de toen-nog-eigenaars de tuin door. Ik kon me niet precies meer herinneren hoe de route naar het wandelpad was, dus ik ging een beetje op goed geluk op pad.
Na een meter of 15 stuit ik op een den die dwars over het paadje ligt Zeker geveld door de storm van een paar weken geleden. Ik klauter er overheen en vervolg mijn weg. Nou ja, weg...Door de wirwar van struiken en takken is het pad nauwelijks meer herkenbaar. Uiteindelijk kom ik toch op het echte wandelpad aan. Dat loopt een stuk beter.
Bij een bankje op een rots blijf ik even staan. Het uitzicht is hier prachtig. De middagzon schijnt op de eilandjes voor de kust, de zee kabbelt rustig en de eerste meeuwen krijsen alweer. Op een mooie septemberdag had ik lang op dit bankje zitten lezen, niet wetend dat ik op een steenworp afstand van onze toekomstige achtertuin zat.
Na een tijdje wandelen kom ik bij een afslag. Die heb ik nog niet eerder genomen, maar als het goed is komt dit pad boven bij de weg uit en dan kan ik zo terug naar huis lopen. Het duurt niet zo lang of het duidelijke pad wordt een vaag klein paadje. Eigenlijk doet het me behoorlijk denken aan ons tuinpad. Boven me zie ik een huis en aangezien dit niet ons huis is, kan maar tot één conclusie komen: ik loop in de achtertuin van iemand anders.
Intussen behoorlijk zwetend baan ik me een weg naar boven. Daar word ik begroet door een opgewekte zestiger die in -inderdaad- zijn tuin aan het werk is. "Hee, gezellig dat je langskomt", zegt hij. "Je bent niet de eerste die door onze tuin boven komt", voegt hij er aan toe als ik me wil verontschuldigen. We babbelen nog een beetje sociaal en hij wijst me hoe ik bij de weg kom. Even later stamp ik met mijn bergschoenen over zijn keurige terras en langs zijn garage waarvan, zoals meestal hier, de deur wijd open staat. Daar is de weg. Een kwartiertje later ben ik weer thuis. Volgende keer misschien toch de kaart meenemen!
De eerste en laatste keer dat we het pad naar beneden namen, was in oktober. We hadden het huis net gekocht en gingen met de toen-nog-eigenaars de tuin door. Ik kon me niet precies meer herinneren hoe de route naar het wandelpad was, dus ik ging een beetje op goed geluk op pad.
Na een meter of 15 stuit ik op een den die dwars over het paadje ligt Zeker geveld door de storm van een paar weken geleden. Ik klauter er overheen en vervolg mijn weg. Nou ja, weg...Door de wirwar van struiken en takken is het pad nauwelijks meer herkenbaar. Uiteindelijk kom ik toch op het echte wandelpad aan. Dat loopt een stuk beter.
Bij een bankje op een rots blijf ik even staan. Het uitzicht is hier prachtig. De middagzon schijnt op de eilandjes voor de kust, de zee kabbelt rustig en de eerste meeuwen krijsen alweer. Op een mooie septemberdag had ik lang op dit bankje zitten lezen, niet wetend dat ik op een steenworp afstand van onze toekomstige achtertuin zat.
Na een tijdje wandelen kom ik bij een afslag. Die heb ik nog niet eerder genomen, maar als het goed is komt dit pad boven bij de weg uit en dan kan ik zo terug naar huis lopen. Het duurt niet zo lang of het duidelijke pad wordt een vaag klein paadje. Eigenlijk doet het me behoorlijk denken aan ons tuinpad. Boven me zie ik een huis en aangezien dit niet ons huis is, kan maar tot één conclusie komen: ik loop in de achtertuin van iemand anders.
Intussen behoorlijk zwetend baan ik me een weg naar boven. Daar word ik begroet door een opgewekte zestiger die in -inderdaad- zijn tuin aan het werk is. "Hee, gezellig dat je langskomt", zegt hij. "Je bent niet de eerste die door onze tuin boven komt", voegt hij er aan toe als ik me wil verontschuldigen. We babbelen nog een beetje sociaal en hij wijst me hoe ik bij de weg kom. Even later stamp ik met mijn bergschoenen over zijn keurige terras en langs zijn garage waarvan, zoals meestal hier, de deur wijd open staat. Daar is de weg. Een kwartiertje later ben ik weer thuis. Volgende keer misschien toch de kaart meenemen!
Abonneren op:
Posts (Atom)




