De vorige week gevallen sneeuw ligt er nog steeds en in het dorp is de feestverlichting opgehangen. Risør begint in kerststemming te komen.
Noren hebben een tweeslachtige verhouding met kerst. Op het eerste gezicht lijkt het of ze er stapeldol op zijn, maar als je het allemaal wat nader bestudeert, blijkt kerst voor veel mensen hier vooral een hoop stress met zich mee te brengen. Allereerst vanwege de cadeaus natuurlijk. Elk jaar maar weer een berg cadeaus bij elkaar schrapen voor familieleden die eigenlijk alles al hebben. Ga er maar aan staan. Maar de grootste stressfactor is toch wel het eten. De Nederlandse kerstproblematiek (eten we dit jaar op eerste of op tweede kerstdag bij de schoonfamilie?) valt in het niet bij wat de gemiddelde Noor moet doormaken. De kerstboom moet klaarstaan, op de juiste plekken geflankeerd door een bonte verzameling kaarsen en engelen. Voordat de gasten komen, boent en schrobt Noormans het hele huis, en er moeten koekjes en taarten gebakken worden, liefst zoveel dat je maanden later de voorraden nog terugvindt in koektrommels en vrieskist. Tot slot moet er traditioneel gekookt worden: ribbe (een vettige homp vlees), pinnekjøtt (drogige gezouten schapenkluif) of lutefisk (in een vloeibaar iets geweekte stokvis), of een combinatie van die drie. Krijg je al trek?
Onlosmakelijk verbonden met kerst is het julebord (juuleboer) oftewel het kerstetentje met bedrijf en/of vereniging. Ook dan wordt er over het algemeen traditioneel gegeten, in combinatie met de inmiddels bekende Noorse alcoholconsumptie. Als slagroom op de taart komt daar in veel gevallen nog een portie traditoneel kerstgezang bij. Tja, dat is wel even slikken hoor voor een immigrant met inburgeringsdrang...
Wat valt er te vertellen over mijn eerste julebordervaringen? (Jaja, Sinterklaas is nog maar koud terug in Spanje, maar ik heb mijn kerstetentjes al achter de rug.)
Nou, het begon goed, dat moet gezegd. Het eerste etentje was met de badmintonclub. Vorige week zaterdag zaten we met z’n achten (een opkomst van 80%) rond de eettafel van Olav die het koken op zich had genomen. Hij bleek geen aanhanger van de traditionele kerstkeuken. We kregen een heerlijke salade met zalm en geitenkaas, een stoofschotel met hertenvlees en groente en een soort noten-chocoladetaart om je vingers bij af te likken. Iedereen blij! Zo blij zelfs dat we probleemloos de door Olav (muziekleraar) gecomponeerde badmintonpsalm ten gehore brachten. Voor mij met mijn beperkte zangtalent viel het niet mee de juiste toonhoogte te vinden tussen alle mannenstemmen (de club heeft buiten mij geen vrouwelijke leden), maar dat mocht de pret niet drukken. Een geslaagde avond. Op naar julebord nummer twee!
Het kerstetentje met de collega’s van het gemeentehuis vond afgelopen vrijdag plaats in het beste restaurant van Risør. Iedereen kwam prachtig uitgedost aanstappen. Ook dat is een traditie: mooie kleding, vrouwen liefst een jurk of rok, mannen een pak. Ik vond een plekje aan een van de lange tafels, het gesprek kwam lekker op gang, er heerste een ontspannen sfeer. En toen kwam het eten: ribbe, pinnekjøtt, lutefisk, aardappels en wat ondefinieerbare prutjes. Wat moet ik ervan zeggen? Ik houd van eten, allerlei eten, maar dit vond ik echt niet lekker. Het lag bovendien als een steen op mijn maag, die vette hap. Het hele weekend heb ik geen warm eten gemaakt (John was in Nederland) en dat terwijl we normaal gesproken elke dag koken. Geschikte manier om een beetje af te vallen, zo’n kerstetentje.
Maandag polste ik voorzichtig of er meer mensen waren die “een beetje last” hadden gekregen van het eten. Nee hoor, niemand, heerlijk was het allemaal geweest.
Ik heb zo’n vermoeden dat het met dit deel van de inburgering niet helemaal goed gaat komen...
woensdag 10 december 2008
maandag 1 december 2008
‘Club Zonder Naam’
Als we in Nederland lid wilden worden van een sportvereniging, was dat niet al te ingewikkeld, zelfs niet bij verhuizing naar een andere plaats. Gewoon even op internet kijken (of - in het pré-internet tijdperk - in de gemeentegids) en je wist waar je zijn moest.
In Noorwegen bleek het minder eenvoudig. Om te beginnen wilden we het hardlopen weer op de rails krijgen. Dat lijkt simpel, want hardlopen kun je overal. Toch? Ja, dat klopt, maar het is wel prettig als je kunt zien waar je loopt. Op Sandnes, in de omgeving van de camping waar we woonden, was geen straatverlichting en als het niet toevallig volle maan was, was het daar ’s avonds echt pikdonker. Die paar keer dat ik me toch aan een training in het donker waagde, had ik het gevoel dat ik aan een evenwichtsstoornis leed. John had nog een ander probleempje. Ter voorbereiding op het (atletiek-)baanseizoen wilde hij het liefst zijn intervallen op een vlak parcours lopen. Vlak, tja, kom daar maar eens om in Noorwegen. Als je van een Noor een tip krijgt over een plek waarvan hij vindt dat het er goed hardlopen is, kom je meestal terecht op smalle bospaadjes vol met boomstronken en rotsen. Beter geschikt voor uitstapjes van het type ‘bergwandeling’, vinden wij. Het is natuurlijk maar net wat je gewend bent. Na enig speurwerk was John er overigens wel in geslaagd her en der zijn parcoursjes uit te zetten, maar ideaal was het niet.
Toen we naar Ringveien verhuisden besloten we dan ook dat het tijd was om een loopband aan te schaffen. Zo gezegd, zo gedaan. Op een dag werd er een loeizwaar pakket bezorgd. Ja hoor, de loopband. We hadden gedacht beneden een trimkamer te maken, maar het kreng was nauwelijks van z’n plaats te krijgen. Wat nu? Een loopband in de voortuin, dat was ook niet echt de bedoeling. Uiteindelijk kozen we voor een kamer boven en nadat we hersteld waren van onze rugfractuur konden we de band in gebruik nemen. Hij doet nog steeds dienst, zeker nu het weer regelmatig glad is buiten.
John traint, als het weer het toelaat, ook veel in het dorp en is daardoor een lokale bekendheid geworden, erg grappig (“Oooh, dat kleine mannetje dat zulke harde intervallen loopt op Solsiden, jahaaa, die ken ik wel hoor, oh, is dàt nou John?”).
Het asociale deel van ons sportieve leven hadden we dus aardig op orde, maar zelfs wij willen af en toe in onze vrije tijd wel eens contact met andere mensen. John had het snel voor elkaar door mee te gaan doen aan het wekelijkse zaalvoetbalavondje voor leraren, ex-leraren en gepensioneerde leraren, maar ik kon mijn draai niet echt vinden.
In januari haalde een collega me over om mee te gaan naar conditietraining. Nee, het was echt geen aerobics, verzekerde ze me toen ik vertwijfeld wat bezwaren begon te mompelen. Ik mee, en na vijf minuten wist ik het eigenlijk al: dit is he-le-maal niks voor mij. Okee, veel mensen vinden het leuk (bleek ook wel uit het feit dat we als sardientjes opeengepakt in het gymzaaltje stonden), maar zo'n training op muziek met pasjes enzo, daar krijg ik acuut allergische reacties van.
Mijn eerste poging tot deelname aan het lokale clubleven konden we als mislukt beschouwen en in de maanden die volgden, modderde ik een beetje aan met hardlopen en baantjes trekken in het zwembad.
Na de zomervakantie besloot ik het nog een keer te proberen. Ik was er intussen achter dat de meeste sportclubs in Risør alleen actief zijn voor jeugdleden. Het lijkt wel of hier bijna niemand van boven de 18 geïnteresseerd is in competitief sporten. Gelukkig is er de innebandyclub. Tot vorig jaar had ik nog nooit van innebandy gehoord, maar hier is het een populaire sport. Het is, simpel gezegd, ijshockey zonder ijs. Een snelle, felle sport, leuk om te doen. Klein nadeel is dat ik sinds de middelbare school geen hockeystick meer in mijn handen heb gehad (en daarbij is innebandy toch anders dan het Nederlandse hockey), maar dat mag de pret niet drukken. Nu, na een maandje of drie, heb ik zelfs af en toe het idee dat de bal doet wat ik wil.
Sinds kort ben ik bij een tweede club(je): badminton. Oude liefde roest niet, dat blijkt maar weer. Zoals veel andere kleine verenigingen, staat ook deze club nergens vermeld. Het is gewoon een verzameling mensen die op een of andere manier bij elkaar in een gymzaal zijn beland. Eén van die mensen is toevallig de kamergenoot van John en zo kwam het dat ik nu ook lid ben van de ‘Club Zonder Naam’.
In Noorwegen bleek het minder eenvoudig. Om te beginnen wilden we het hardlopen weer op de rails krijgen. Dat lijkt simpel, want hardlopen kun je overal. Toch? Ja, dat klopt, maar het is wel prettig als je kunt zien waar je loopt. Op Sandnes, in de omgeving van de camping waar we woonden, was geen straatverlichting en als het niet toevallig volle maan was, was het daar ’s avonds echt pikdonker. Die paar keer dat ik me toch aan een training in het donker waagde, had ik het gevoel dat ik aan een evenwichtsstoornis leed. John had nog een ander probleempje. Ter voorbereiding op het (atletiek-)baanseizoen wilde hij het liefst zijn intervallen op een vlak parcours lopen. Vlak, tja, kom daar maar eens om in Noorwegen. Als je van een Noor een tip krijgt over een plek waarvan hij vindt dat het er goed hardlopen is, kom je meestal terecht op smalle bospaadjes vol met boomstronken en rotsen. Beter geschikt voor uitstapjes van het type ‘bergwandeling’, vinden wij. Het is natuurlijk maar net wat je gewend bent. Na enig speurwerk was John er overigens wel in geslaagd her en der zijn parcoursjes uit te zetten, maar ideaal was het niet.
Toen we naar Ringveien verhuisden besloten we dan ook dat het tijd was om een loopband aan te schaffen. Zo gezegd, zo gedaan. Op een dag werd er een loeizwaar pakket bezorgd. Ja hoor, de loopband. We hadden gedacht beneden een trimkamer te maken, maar het kreng was nauwelijks van z’n plaats te krijgen. Wat nu? Een loopband in de voortuin, dat was ook niet echt de bedoeling. Uiteindelijk kozen we voor een kamer boven en nadat we hersteld waren van onze rugfractuur konden we de band in gebruik nemen. Hij doet nog steeds dienst, zeker nu het weer regelmatig glad is buiten.
John traint, als het weer het toelaat, ook veel in het dorp en is daardoor een lokale bekendheid geworden, erg grappig (“Oooh, dat kleine mannetje dat zulke harde intervallen loopt op Solsiden, jahaaa, die ken ik wel hoor, oh, is dàt nou John?”).
Het asociale deel van ons sportieve leven hadden we dus aardig op orde, maar zelfs wij willen af en toe in onze vrije tijd wel eens contact met andere mensen. John had het snel voor elkaar door mee te gaan doen aan het wekelijkse zaalvoetbalavondje voor leraren, ex-leraren en gepensioneerde leraren, maar ik kon mijn draai niet echt vinden.
In januari haalde een collega me over om mee te gaan naar conditietraining. Nee, het was echt geen aerobics, verzekerde ze me toen ik vertwijfeld wat bezwaren begon te mompelen. Ik mee, en na vijf minuten wist ik het eigenlijk al: dit is he-le-maal niks voor mij. Okee, veel mensen vinden het leuk (bleek ook wel uit het feit dat we als sardientjes opeengepakt in het gymzaaltje stonden), maar zo'n training op muziek met pasjes enzo, daar krijg ik acuut allergische reacties van.
Mijn eerste poging tot deelname aan het lokale clubleven konden we als mislukt beschouwen en in de maanden die volgden, modderde ik een beetje aan met hardlopen en baantjes trekken in het zwembad.
Na de zomervakantie besloot ik het nog een keer te proberen. Ik was er intussen achter dat de meeste sportclubs in Risør alleen actief zijn voor jeugdleden. Het lijkt wel of hier bijna niemand van boven de 18 geïnteresseerd is in competitief sporten. Gelukkig is er de innebandyclub. Tot vorig jaar had ik nog nooit van innebandy gehoord, maar hier is het een populaire sport. Het is, simpel gezegd, ijshockey zonder ijs. Een snelle, felle sport, leuk om te doen. Klein nadeel is dat ik sinds de middelbare school geen hockeystick meer in mijn handen heb gehad (en daarbij is innebandy toch anders dan het Nederlandse hockey), maar dat mag de pret niet drukken. Nu, na een maandje of drie, heb ik zelfs af en toe het idee dat de bal doet wat ik wil.
Sinds kort ben ik bij een tweede club(je): badminton. Oude liefde roest niet, dat blijkt maar weer. Zoals veel andere kleine verenigingen, staat ook deze club nergens vermeld. Het is gewoon een verzameling mensen die op een of andere manier bij elkaar in een gymzaal zijn beland. Eén van die mensen is toevallig de kamergenoot van John en zo kwam het dat ik nu ook lid ben van de ‘Club Zonder Naam’.
zaterdag 22 november 2008
Spar
Na een prachtige dag met strakblauwe lucht en volop zon, warm ik me nu heerlijk aan het vuur van de houtkachel terwijl John zich in de keuken uitleeft op een nieuw recept. Net als in Nederland hanteren we hier wat het koken betreft ons "twee dagen op-twee dagen af" systeeem. Voor wie het systeem niet kent: om en om hebben we twee dagen kookbeurt, twee dagen vrij. Degene die kookt, zorgt ook voor boodschappen, afwas en avondkoffie, de ander luiert. Bevalt nog steeds! Dankzij de kortere werkdagen en dito reistijd hebben we hier netto meer vrije tijd dan we in Nederland hadden. Dus ook meer tijd om in de keuken door te brengen. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat vooral John meer tijd in de keuken doorbrengt. Niet alleen om te koken, maar ook om te bakken. Er is al maanden geen supermarktkoekje meer ons huis binnengekomen, om precies te zijn sinds John het boek "500 koekjes" kocht. Het duurt natuurlijk wel even voordat we die allemaal gemaakt en geproefd hebben...
De ingrediënten voor al dat heerlijks halen we voor het overgrote deel gewoon bij de plaatselijke supermarkt (bij één van de vijf plaatselijke supermarkten) en daar redden we ons goed mee. Eens in de zoveel weken echter wijken we uit naar een grotere supermarkt om wat speciale dingetjes te kopen. Tot nu toe gingen we daarvoor meestal naar Arendal, maar sinds een paar dagen kunnen we dichter bij huis terecht. Op 20 minuten rijden zit nu namelijk een Eurospar. Een wat-Spar? Een Eurospar ja. Misschien heb je die in Nederland ook wel. Ik zou het niet weten.
Voor mijn eerste Spar-herinneringen moeten we zo'n 30-35 jaar terug in de tijd. Als ik bij mijn oma in Uitgeest logeerde (of bij mijn tante die er tegenover woonde), deden we namelijk boodschappen bij de Spar in "de nieuwbouw" (ja, dat moet wel in de jaren 70 geweest zijn, dat was toch de tijd dat je het over "de nieuwbouw" had). Ze kwamen overigens ook wel bij Appie H., herinner ik me, maar dat was de andere kant op. Voor het boodschappen doen zelf had ik geen bijzondere passie, maar wel voor twee bijkomstigheden: het voorttrekken van de enigszins ouderwetse, maar later hip geworden boodschappentas op wieltjes en het plakken van spaarzegeltjes. Ontelbare boekjes zijn er volgeplakt. Alles met behulp van zo'n zompig postzegelkussen. Vond ik ook te gek, dat kussentje, en de plakervaring is later nog goed van pas gekomen, bij mijn vakantiewerk op het postkantoor.
Maar de Spar zelf, tja. Ik zie niet veel anders voor me dan een aftands buurtwinkeltje in een dorp in Limburg waar we een keer op vakantie waren. Van geen enkele plek waar ik gewoond heb, kan ik me een behoorlijke Spar herinneren. Toch bestaat-ie nog steeds. De Spar was blijkbaar al die tijd ergens anders dan ik. Maar nu dus niet meer. Nu hebben we de Eurospar mèt 22 meter lange "vers-counter". Ook al heb ik nog nooit het aantal meters Vers geteld in een supermarkt, ik ben meteen bereid te geloven dat 22 meter een heleboel is. We hoefden dan ook niet lang na te denken toen we het fantastische Spar-nieuws in de krant lazen. Daar moesten we heen!
En zo ging ons weekenduitstapje van deze week naar de Eurospar. We hebben ons prima vermaakt. Hoewel we maar een paar boodschappen op ons lijstje hadden staan, slaagden we er in bijna een uur in de winkel door te brengen. We vergaapten ons aan een zeeduivel met opengesperde bek, antilopebiefstuk en vacuüm verpakte schapenkoppen (in bepaalde regio's is het gebruikelijk in deze tijd van het jaar schapenkop-etentjes te organiseren. Het fijne weet ik er niet van en dat wilde ik voorlopig maar zo houden ook). De krant had niet overdreven, het is een prachtige zaak die in niets doet denken aan de buurtsuper uit mijn herinnering. Op 1 ding na misschien: op de buitengevel hangt het vertrouwde, ietwat oubollige, groen-rode kerstboomlogo. Sommige dingen veranderen gelukkig niet.
De ingrediënten voor al dat heerlijks halen we voor het overgrote deel gewoon bij de plaatselijke supermarkt (bij één van de vijf plaatselijke supermarkten) en daar redden we ons goed mee. Eens in de zoveel weken echter wijken we uit naar een grotere supermarkt om wat speciale dingetjes te kopen. Tot nu toe gingen we daarvoor meestal naar Arendal, maar sinds een paar dagen kunnen we dichter bij huis terecht. Op 20 minuten rijden zit nu namelijk een Eurospar. Een wat-Spar? Een Eurospar ja. Misschien heb je die in Nederland ook wel. Ik zou het niet weten.
Voor mijn eerste Spar-herinneringen moeten we zo'n 30-35 jaar terug in de tijd. Als ik bij mijn oma in Uitgeest logeerde (of bij mijn tante die er tegenover woonde), deden we namelijk boodschappen bij de Spar in "de nieuwbouw" (ja, dat moet wel in de jaren 70 geweest zijn, dat was toch de tijd dat je het over "de nieuwbouw" had). Ze kwamen overigens ook wel bij Appie H., herinner ik me, maar dat was de andere kant op. Voor het boodschappen doen zelf had ik geen bijzondere passie, maar wel voor twee bijkomstigheden: het voorttrekken van de enigszins ouderwetse, maar later hip geworden boodschappentas op wieltjes en het plakken van spaarzegeltjes. Ontelbare boekjes zijn er volgeplakt. Alles met behulp van zo'n zompig postzegelkussen. Vond ik ook te gek, dat kussentje, en de plakervaring is later nog goed van pas gekomen, bij mijn vakantiewerk op het postkantoor.
Maar de Spar zelf, tja. Ik zie niet veel anders voor me dan een aftands buurtwinkeltje in een dorp in Limburg waar we een keer op vakantie waren. Van geen enkele plek waar ik gewoond heb, kan ik me een behoorlijke Spar herinneren. Toch bestaat-ie nog steeds. De Spar was blijkbaar al die tijd ergens anders dan ik. Maar nu dus niet meer. Nu hebben we de Eurospar mèt 22 meter lange "vers-counter". Ook al heb ik nog nooit het aantal meters Vers geteld in een supermarkt, ik ben meteen bereid te geloven dat 22 meter een heleboel is. We hoefden dan ook niet lang na te denken toen we het fantastische Spar-nieuws in de krant lazen. Daar moesten we heen!
En zo ging ons weekenduitstapje van deze week naar de Eurospar. We hebben ons prima vermaakt. Hoewel we maar een paar boodschappen op ons lijstje hadden staan, slaagden we er in bijna een uur in de winkel door te brengen. We vergaapten ons aan een zeeduivel met opengesperde bek, antilopebiefstuk en vacuüm verpakte schapenkoppen (in bepaalde regio's is het gebruikelijk in deze tijd van het jaar schapenkop-etentjes te organiseren. Het fijne weet ik er niet van en dat wilde ik voorlopig maar zo houden ook). De krant had niet overdreven, het is een prachtige zaak die in niets doet denken aan de buurtsuper uit mijn herinnering. Op 1 ding na misschien: op de buitengevel hangt het vertrouwde, ietwat oubollige, groen-rode kerstboomlogo. Sommige dingen veranderen gelukkig niet.
zaterdag 8 november 2008
Schaatsseizoen
Zoals elk jaar werd ik ook nu weer een beetje overvallen door de start van het schaatsseizoen. Begin ik er net aan te wennen dat het herfst is, krijgen we meteen de winter over ons heen. Maar goed, het heeft hier ook al een keer gesneeuwd, dus waar heb ik het eigenlijk over?
Tv-zender NRK heeft ook dit jaar een ‘Hoera het is winter’-filmpje in elkaar gedraaid om ons warm te maken voor alle sportuitzendingen waar we de komende maanden van kunnen gaan genieten. Ik moet toegeven: wie van wintersport houdt, hoeft zich, ook op de dagen dat hij er zelf niet op uit gaat in de sneeuw, niet te vervelen hier. Het populairst (op tv dan) zijn langlaufen, biatlon en schansspringen, op enige afstand gevolgd door skiën, schaatsen en ijshockey. Een wintertje langlaufen (met of zonder geweer op de rug) op tv volgen, en je bent precies op de hoogte van zowel het sportieve als het persoonlijke wel en wee van de toppers. Nu begin ik die sport inmiddels aardig te waarderen, maar als rechtgeaarde Nederlander ben ik natuurlijk vooral geïnteresseerd in het schaatsen. Daarmee kan ik dan in elk geval één cliché-beeld dat Noren van Nederlanders hebben (‘houden van schaatsen’) bevestigen. Een hele opluchting na de eerdere teleurstellingen op het gebied van klompen en hasjcake.
Tijdens gesprekken over schaatsen komen vaak dezelfde onderwerpen aan de orde. Met stip op nummer één staat Ard Schenk. Daar moest ik even aan wennen, want Ard is eigenlijk van voor mijn tijd. En als het dan over schaatsers van die tijd gaat, zou ik eerder denken aan Kees Verkerk. Die runt tenslotte een camping hier niet zo ver vandaan. Maar het gaat dus over Ard. Die is waanzinnig populair. ‘Spreekt zo goed Noors’, zeggen de heren. ‘Zo’n knappe man’, zwijmelen de dames. Ja, ik ben er nu achter dat Ard in zijn glorietijd op veel Noorse meisjeskamers aan de muur heeft gehangen. In posterformaat dan.
Gespreksonderwerp nummer twee is het schaatsen op de grachten, je weet wel, dat tafereel dat je weleens ziet op oude romantische foto’s en schilderijen. Mijn Noorse collega’s denken dat dit een standaard Nederlands winterbeeld is en zijn altijd een beetje teleurgesteld als ik vertel dat je in Nederland niet elke winter op de grachten kunt schaatsen (ondertussen verwoed in mijn geheugen gravend naar de laatste keer dat ik op natuurijs stond).
Over het schaatsen anno nu wordt niet zoveel gepraat, behalve dan af en toe de verzuchting dat het met het Noorse schaatsen niet meer is wat het geweest is.
Tja, schaatsen in Noorwegen. Tijdens wedstrijden in Hamar bestaat het publiek voor driekwart uit geëmigreerde of meegereisde Nederlanders. De rest van de aanwezigen is waarschijnlijk familie van Håvard Bøkko (en van zijn zusje, die kan namelijk ook hard schaatsen). Arme Håvard, moet de schaatsdroom van een heel land zien te verwezenlijken. En in elk interview de vraag beantwoorden wanneer hij Sven Kramer gaat verslaan. In elk interview geeft hij monter hetzelfde antwoord: ‘Ik ga hard mijn best doen om zo dicht mogelijk bij Sven te komen, en hopelijk er voorbij’. En dan schaatst of traint hij weer verder. Weinig tumult rond de enige Noorse schaats-ster van dit moment. Lawaai komt hier hoofdzakelijk van de trainer, Peter Mueller. Jaren staat hij alweer naast de baan hier, en net als in Nederland is hij elk seizoen wel goed voor een paar fikse rellen.
Grappig is dat we nu zowel de Noorse als de Nederlandse versie van de gebeurtenissen op en rond het ijs kunnen volgen. Vermaak in stereo.
Toch wel leuk dat het weer winter is.
Tv-zender NRK heeft ook dit jaar een ‘Hoera het is winter’-filmpje in elkaar gedraaid om ons warm te maken voor alle sportuitzendingen waar we de komende maanden van kunnen gaan genieten. Ik moet toegeven: wie van wintersport houdt, hoeft zich, ook op de dagen dat hij er zelf niet op uit gaat in de sneeuw, niet te vervelen hier. Het populairst (op tv dan) zijn langlaufen, biatlon en schansspringen, op enige afstand gevolgd door skiën, schaatsen en ijshockey. Een wintertje langlaufen (met of zonder geweer op de rug) op tv volgen, en je bent precies op de hoogte van zowel het sportieve als het persoonlijke wel en wee van de toppers. Nu begin ik die sport inmiddels aardig te waarderen, maar als rechtgeaarde Nederlander ben ik natuurlijk vooral geïnteresseerd in het schaatsen. Daarmee kan ik dan in elk geval één cliché-beeld dat Noren van Nederlanders hebben (‘houden van schaatsen’) bevestigen. Een hele opluchting na de eerdere teleurstellingen op het gebied van klompen en hasjcake.
Tijdens gesprekken over schaatsen komen vaak dezelfde onderwerpen aan de orde. Met stip op nummer één staat Ard Schenk. Daar moest ik even aan wennen, want Ard is eigenlijk van voor mijn tijd. En als het dan over schaatsers van die tijd gaat, zou ik eerder denken aan Kees Verkerk. Die runt tenslotte een camping hier niet zo ver vandaan. Maar het gaat dus over Ard. Die is waanzinnig populair. ‘Spreekt zo goed Noors’, zeggen de heren. ‘Zo’n knappe man’, zwijmelen de dames. Ja, ik ben er nu achter dat Ard in zijn glorietijd op veel Noorse meisjeskamers aan de muur heeft gehangen. In posterformaat dan.
Gespreksonderwerp nummer twee is het schaatsen op de grachten, je weet wel, dat tafereel dat je weleens ziet op oude romantische foto’s en schilderijen. Mijn Noorse collega’s denken dat dit een standaard Nederlands winterbeeld is en zijn altijd een beetje teleurgesteld als ik vertel dat je in Nederland niet elke winter op de grachten kunt schaatsen (ondertussen verwoed in mijn geheugen gravend naar de laatste keer dat ik op natuurijs stond).
Over het schaatsen anno nu wordt niet zoveel gepraat, behalve dan af en toe de verzuchting dat het met het Noorse schaatsen niet meer is wat het geweest is.
Tja, schaatsen in Noorwegen. Tijdens wedstrijden in Hamar bestaat het publiek voor driekwart uit geëmigreerde of meegereisde Nederlanders. De rest van de aanwezigen is waarschijnlijk familie van Håvard Bøkko (en van zijn zusje, die kan namelijk ook hard schaatsen). Arme Håvard, moet de schaatsdroom van een heel land zien te verwezenlijken. En in elk interview de vraag beantwoorden wanneer hij Sven Kramer gaat verslaan. In elk interview geeft hij monter hetzelfde antwoord: ‘Ik ga hard mijn best doen om zo dicht mogelijk bij Sven te komen, en hopelijk er voorbij’. En dan schaatst of traint hij weer verder. Weinig tumult rond de enige Noorse schaats-ster van dit moment. Lawaai komt hier hoofdzakelijk van de trainer, Peter Mueller. Jaren staat hij alweer naast de baan hier, en net als in Nederland is hij elk seizoen wel goed voor een paar fikse rellen.
Grappig is dat we nu zowel de Noorse als de Nederlandse versie van de gebeurtenissen op en rond het ijs kunnen volgen. Vermaak in stereo.
Toch wel leuk dat het weer winter is.
zondag 19 oktober 2008
Congres
Afgelopen week was ik in Bergen op een congres met als thema "arbeidsmiljø". In Nederland zou het arbocongres geheten hebben denk ik. Kort samengevat ging het over veiligheid en gezondheid op het werk, de krapte op de arbeidsmarkt, import van buitenlandse werknemers en de vergrijzing. Een hoop onderwerpen voor je geld dus, en dat mocht ook wel want goedkoop was het niet. Daar komt nog bij dat je hier in de meeste gevallen niet alleen de deelnamekosten moet rekenen, maar ook (vlieg)reis en overnachting. We wonen nou eenmaal in een groot land met een beperkt wegennet.
Net als veel andere gemeenten zit Risør kommune krap bij kas (en dan staat het gemeentegeld nog niet eens geparkeerd bij een IJslandse bank, kun je nagaan). Het was daarom mooi dat we de verblijfskosten binnen de perken konden houden door te overnachten bij de zus van Marit, de collega met wie ik samen naar het congres ging. Nu kostte de overnachting slechts een bloempot van de lokale keramiekbakkerij plus een chrysant.
Goed, twee-en-een-halve dag congres dus. Nog wat opgestoken? Jazeker!
Om te beginnen was het een stoomcursus integratie voor gevorderden. Onder de sprekers waren een staatssecretaris en andere politici, professoren, een filosoof, een universitair onderzoeker tevens bekend van een populair tv-programma, en een komiek. Die laatste persifleerde een groot aantal vooraanstaande Noren waarvan ik er zowaar een paar (her)kende.
Daarnaast voorzag het congres in een verdieping van mijn kennis van de Noorse taal en overige Scandinavische talen. Er waren niet alleen sprekers uit de verschillende uithoeken van Noorwegen, maar ook uit Denemarken en Zweden en die hielden, zoals dat hier gaat, hun verhaal in hun eigen taal. Grofweg kun je stellen dat voor ons en de meeste Noren het Zweeds goed te verstaan is en wat moeilijker te lezen, terwijl het met Deens precies andersom is. Omdat alle sprekers naast hun mondelinge verhaal ook een Powerpointpresentatie met tekst bij zich hadden, kwamen we onder de streep toch nog in de plus uit, om het zo maar eens te zeggen.
Tot slot leerde ik weer iets bij over de mens. Dat ging zo: de laatste avond was er een diner voor alle congresgangers. Daartoe was een deel van een enorme parkeergarage afgezet en aangekleed. Ik hoorde tot dan toe bij dat deel van de bevolking dat nog nooit warm heeft gegeten in een parkeergarage, dus ik vond het wel een apart idee. We belandden aan tafel bij twee vrouwen uit Oslo en raakten aan de praat. Toen ze hoorden dat ik uit Nederland kwam, werden ze enthousiast. Zij hadden ook een collega uit Nederland en zouden onder zijn leiding binnenkort een reisje naar Haag (zoals ze hier Den Haag noemen) en Amsterdam ondernemen. Daar hadden ze enorm veel zin in, maar ehh... wat ze zich afvroegen was hoe het in Nederland nou zat met zaken als hasjcake en coffeeshops enzo... Tja... Ik wilde natuurlijk niet onbeleefd zijn, en kon met enige moeite voorkomen dat ik dubbelklapte van het lachten. Coffeeshops zijn er inderdaad, legde ik geduldig uit, maar niet op elke straathoek en het is ook niet zo dat alle Nederlanders daar vaste klant zijn. Mijn tafelgenoten waren oprecht verbaasd. Tjonge, het zat daar in Nederland dus heel anders in elkaar dan ze altijd gedacht hadden!
Later vroeg ik me af wat dit nu eigenlijk betekende.
Zei het iets over de Noren? Het is tenslotte een volk dat relatief weinig buiten de eigen landsgrenzen komt, met uitzondering van af en toe een kant-en-klaar reis naar een warm eiland en een vluchtige "harry-tur" (alcohol en sigaretten inkooptrip) naar Zweden. Hmm, zou kunnen.
Zei het iets over Nederland? Presenteren we ons op zo'n eenzijdige manier dat het logisch is dat buitenlanders een verdraaid beeld van de werkelijkheid krijgen? Misschien.
Of zei het gewoon iets over de mens in het algemeen? Zijn we zo kortzichtig dat we ons op grond van een paar indrukken een totaalbeeld vormen van een land en een volk dat we eigenlijk niet kennen? Een beeld dat we vervolgens maar moeilijk kunnen nuanceren?
Ik houd het op het laatste.
Over arbeidsmiljø heb ik overigens ook nog het één en ander geleerd. Goed congres.
Net als veel andere gemeenten zit Risør kommune krap bij kas (en dan staat het gemeentegeld nog niet eens geparkeerd bij een IJslandse bank, kun je nagaan). Het was daarom mooi dat we de verblijfskosten binnen de perken konden houden door te overnachten bij de zus van Marit, de collega met wie ik samen naar het congres ging. Nu kostte de overnachting slechts een bloempot van de lokale keramiekbakkerij plus een chrysant.
Goed, twee-en-een-halve dag congres dus. Nog wat opgestoken? Jazeker!
Om te beginnen was het een stoomcursus integratie voor gevorderden. Onder de sprekers waren een staatssecretaris en andere politici, professoren, een filosoof, een universitair onderzoeker tevens bekend van een populair tv-programma, en een komiek. Die laatste persifleerde een groot aantal vooraanstaande Noren waarvan ik er zowaar een paar (her)kende.
Daarnaast voorzag het congres in een verdieping van mijn kennis van de Noorse taal en overige Scandinavische talen. Er waren niet alleen sprekers uit de verschillende uithoeken van Noorwegen, maar ook uit Denemarken en Zweden en die hielden, zoals dat hier gaat, hun verhaal in hun eigen taal. Grofweg kun je stellen dat voor ons en de meeste Noren het Zweeds goed te verstaan is en wat moeilijker te lezen, terwijl het met Deens precies andersom is. Omdat alle sprekers naast hun mondelinge verhaal ook een Powerpointpresentatie met tekst bij zich hadden, kwamen we onder de streep toch nog in de plus uit, om het zo maar eens te zeggen.
Tot slot leerde ik weer iets bij over de mens. Dat ging zo: de laatste avond was er een diner voor alle congresgangers. Daartoe was een deel van een enorme parkeergarage afgezet en aangekleed. Ik hoorde tot dan toe bij dat deel van de bevolking dat nog nooit warm heeft gegeten in een parkeergarage, dus ik vond het wel een apart idee. We belandden aan tafel bij twee vrouwen uit Oslo en raakten aan de praat. Toen ze hoorden dat ik uit Nederland kwam, werden ze enthousiast. Zij hadden ook een collega uit Nederland en zouden onder zijn leiding binnenkort een reisje naar Haag (zoals ze hier Den Haag noemen) en Amsterdam ondernemen. Daar hadden ze enorm veel zin in, maar ehh... wat ze zich afvroegen was hoe het in Nederland nou zat met zaken als hasjcake en coffeeshops enzo... Tja... Ik wilde natuurlijk niet onbeleefd zijn, en kon met enige moeite voorkomen dat ik dubbelklapte van het lachten. Coffeeshops zijn er inderdaad, legde ik geduldig uit, maar niet op elke straathoek en het is ook niet zo dat alle Nederlanders daar vaste klant zijn. Mijn tafelgenoten waren oprecht verbaasd. Tjonge, het zat daar in Nederland dus heel anders in elkaar dan ze altijd gedacht hadden!
Later vroeg ik me af wat dit nu eigenlijk betekende.
Zei het iets over de Noren? Het is tenslotte een volk dat relatief weinig buiten de eigen landsgrenzen komt, met uitzondering van af en toe een kant-en-klaar reis naar een warm eiland en een vluchtige "harry-tur" (alcohol en sigaretten inkooptrip) naar Zweden. Hmm, zou kunnen.
Zei het iets over Nederland? Presenteren we ons op zo'n eenzijdige manier dat het logisch is dat buitenlanders een verdraaid beeld van de werkelijkheid krijgen? Misschien.
Of zei het gewoon iets over de mens in het algemeen? Zijn we zo kortzichtig dat we ons op grond van een paar indrukken een totaalbeeld vormen van een land en een volk dat we eigenlijk niet kennen? Een beeld dat we vervolgens maar moeilijk kunnen nuanceren?
Ik houd het op het laatste.
Over arbeidsmiljø heb ik overigens ook nog het één en ander geleerd. Goed congres.
zondag 12 oktober 2008
Obi
Gisteren hebben we Obi uitgezwaaid. Obi was onze eerste grote aanschaf in Noorwegen, een zwarte Honda Civic. Nou ja, eigenlijk was hij auberginekleurig (vandaar de naam), maar dat zag je alleen als hij net gewassen was.
We kwamen op een maandag aan in Noorwegen, dinsdag gingen we Obi bekijken en woensdag was hij van ons. Een week later kreeg hij een zusje, Sjø (zee), een zeegroene Nissan. In de maanden die volgden brachten Obi en Sjø ons dagelijks van ons campinghuis naar onze verschillende werkplekken. Tot we in december naar ‘de stad’ verhuisden. Toen woonden we op loopafstand van ons werk en hadden we eigenlijk geen twee auto's meer nodig. (En voor de verstokte OV-fans die zich afvragen of we ze dan eerst echt wel nodig hadden: ja! Met de bus van hier naar Arendal is geen feest en een trein hebben we niet.)
We besloten de nieuwe situatie even aan te kijken en na een maand of twee-drie te evalueren. Halverwege februari waren we wel uitgeëvalueerd. Het was duidelijk: we hadden genoeg aan één auto. Dat we de auto pas twee weken geleden te koop zetten, bewijst dat we al aardig ingeburgerd raken in het Noorse tempo: je hebt een project en je hebt geen idee wanneer het klaar is...
Maar goed, nu is Obi dus verkocht en weg. Het is natuurlijk niet veel meer dan een blik op wielen, maar ik moet toch even wennen aan het idee dat hij niet meer van ons is. Wat me wèl bevalt is dat het een stuk ruimer is in de garage, nu er vier winterbanden verdwenen zijn.
Ach ja, de garage, ook zo'n project. Beetje groot project, dat wel. Het is nu niet veel meer dan een paar planken op een stuk aarde. Donker en vochtig en met een deur die niet goed dicht kan. Al is dat laatste niet direct een probleem hier. Maar voor de garage hebben we alleen nog maar een vaag idee, geen concreet plan. Dat zal nog wel een paar jaar duren dus.
We kwamen op een maandag aan in Noorwegen, dinsdag gingen we Obi bekijken en woensdag was hij van ons. Een week later kreeg hij een zusje, Sjø (zee), een zeegroene Nissan. In de maanden die volgden brachten Obi en Sjø ons dagelijks van ons campinghuis naar onze verschillende werkplekken. Tot we in december naar ‘de stad’ verhuisden. Toen woonden we op loopafstand van ons werk en hadden we eigenlijk geen twee auto's meer nodig. (En voor de verstokte OV-fans die zich afvragen of we ze dan eerst echt wel nodig hadden: ja! Met de bus van hier naar Arendal is geen feest en een trein hebben we niet.)
We besloten de nieuwe situatie even aan te kijken en na een maand of twee-drie te evalueren. Halverwege februari waren we wel uitgeëvalueerd. Het was duidelijk: we hadden genoeg aan één auto. Dat we de auto pas twee weken geleden te koop zetten, bewijst dat we al aardig ingeburgerd raken in het Noorse tempo: je hebt een project en je hebt geen idee wanneer het klaar is...
Maar goed, nu is Obi dus verkocht en weg. Het is natuurlijk niet veel meer dan een blik op wielen, maar ik moet toch even wennen aan het idee dat hij niet meer van ons is. Wat me wèl bevalt is dat het een stuk ruimer is in de garage, nu er vier winterbanden verdwenen zijn.
Ach ja, de garage, ook zo'n project. Beetje groot project, dat wel. Het is nu niet veel meer dan een paar planken op een stuk aarde. Donker en vochtig en met een deur die niet goed dicht kan. Al is dat laatste niet direct een probleem hier. Maar voor de garage hebben we alleen nog maar een vaag idee, geen concreet plan. Dat zal nog wel een paar jaar duren dus.
zondag 5 oktober 2008
Herfstzondag

De storm die Nederland vannacht teisterde, heeft ook in delen van Noorwegen huisgehouden. Toen ik vanochtend beneden kwam, lagen de tuinstoelen op een hoop in een hoek van het terras en had de klimroos van de overbuurvrouw het loodje gelegd. Ik was eerlijk gezegd een beetje verrast, want toen ik zaterdag op de Noorse weersite yr.no keek, had ik niet gezien dat er zo'n storm voorspeld werd. Dat zeg misschien meer over mij dan over yr.no al is het natuurlijk de vraag in hoeverre je een weersite die zich vertaald in het Nederlands motregen.nl zou noemen, serieus kunt nemen.
Vandaag waait het nog steeds behoorlijk. De golven op zee hebben woeste witte schuimkoppen en denderen in volle vaart tegen de rotseilandjes voor de kust aan. Een mooi gezicht met de zon er op. Want die schijnt gelukkig weer. Behalve dat alles er leuker uit ziet, heeft de zon nog een ander voordeel. Het is een belangrijke verwarming voor ons huis. Zolang de zon schijnt, hoeft de kachel niet aan en dat is lekker voordelig. Ja, we blijven natuurlijk Nederlanders...
Helaas schijnt ook hier de zon niet elke dag, dus we hebben onze maatregelen voor het winterseizoen al getroffen. Vorige winter hebben we veel elektrisch gestookt (geen cv hier) en weinig op hout. Omdat we halverwege de winter verhuisden, hadden we namelijk geen grote houtvoorraad aangelegd. Elektrisch verwarmen is echter niet erg economisch, zeker niet nu de elektriciteitsprijzen stijgen, en daarnaast mist het ook nog eens de knusheid van de houtkachel. Dit jaar moest het anders, besloten we.
Wil je een beetje goed hout kopen tegen een redelijke prijs, dan moet je er op tijd bij zijn, dus John begon in augustus al met een belrondje. Enige tijd later belde de uitverkoren houtboer terug met de mededeling dat hij in de loop van de volgende week twee pallets zou komen bezorgen. Nu namen we dat bericht met een flinke korrel zout, want we hebben intussen wel geleerd dat men hier niet al te veel haast maakt als er iets geleverd moet worden. Maar deze houtboer was de uitzondering op de regel. Exact op het afgesproken tijdstip stopte zijn vrachtwagen voor de deur en even later stonden er twee pallets hout naast de weg. Nu kwam de grootste klus: het hout verslepen van de pallets naar de houtschuur. Die is onder het huis, aan de achterkant en het was dan ook een heel gesjouw om de voorraad daar te krijgen. Maar nu ligt alles netjes opgestapeld in de schuur. De kachel heeft al een paar keer gebrand. Laat de winter maar komen!
dinsdag 23 september 2008
Een gewone werkdag
Het werk als P&O adviseur bij de gemeente Risør lijkt op veel punten op het werk van een P&O adviseur bij een willekeurig ander bedrijf, of dat nou Nederlands of Noors is. Op een paar punten is het heel anders. Daar zou ik met gemak een paar blogjes aan kunnen wijden. En dat doe ik misschien nog wel eens, maar niet vandaag. Vandaag gaat het over een doorsnee-dag op mijn werk. Gewoon, voor wie het leuk vindt om te lezen hoe zo’n dag er uit ziet.
Maandagochtend. Na ongeveer een kwartiertje wandelen, klik ik tegen achten met mijn toegangspasje de deur van het gemeentehuis open. Het pasje is een aantal jaar geleden ingevoerd om te voorkomen dat brutale Risørburgers te pas en te onpas in de gemeentelijke (meestal bouw-)archieven komen graaien. Eenmaal op mijn kamer verwissel ik mijn gympen voor een paar nette schoenen en start mijn pc op. Ik heb een kamer alleen, zoals bijna iedereen hier. De kamer is niet gigantisch, maar toch wel zo groot dat ik hem in Nederland zeker met iemand had moeten delen om niet het maximale (tevens minimale) aantal vierkante meters per persoon te overschrijden.
Vervolgens richting de keuken die we delen met de collega’s van ”technisch”. Zij beginnen vaak vroeg, dus met een beetje geluk is de koffie al klaar. Met een beetje pech is-ie net op, dat kan ook. Voordeel is dan wel dat ik zelf koffie kan zetten. Weet ik in elk geval zeker dat het geen bak slootwater wordt.
Vorige week was erg hectisch, maar vandaag staan er geen afspraken op het programma. Mette-Marit, mijn collega, baas en kantoorbuurvrouw, is twee dagen weg. Het zou weleens een eenzaam dagje kunnen worden.
Ik begin met het wegwerken van wat losse eindjes van een paar sollicitatieprocedures: mensen bellen, brieven en mails schrijven, van zaken die klaar zijn de elektonische dossiers afsluiten. Het elektronische post- en dossiersysteem is echt een uitkomst. Als er nog wat op papier binnenkomt, wordt dat gescand en elektronisch naar de juiste persoon gestuurd. Geen stapels papier meer, en niet meer van die ergerlijke “bakjes” die ik toch al nooit gebruikte.
Het systeem is ook handig in verband met de verplichte “openbaarheid” van de verschillende gemeentelijke zaken. Via de website van Risør kommune kan iedereen alle inkomende en uitgaande post zien en desgewenst een kopie van het dokument opvragen. Gelukkig mogen we bepaalde persoonlijke informatie wel afschermen. Niet de hele wereld hoeft tenslotte te weten dat een langdurig zieke wordt uitgenodigd voor een re-integratiegesprek.
Re-integratie is het volgende onderwerp, Eens per maand hebben we een dag waarop we gesprekken voeren met mensen die langere (meestal) of kortere (soms) tijd ziek zijn. Dat is een heel circus. Behalve de persoon in kwestie, diens leidinggevende en ik, is er ook altijd iemand van de arbodienst aanwezig en iemand van NAV. NAV is een soort UWV en CWI in één, en betaalt o.a. ziekengeld uit. De reputatie van NAV is trouwens ook vergelijkbaar met die van UWV en CWI.
Ik brei de agenda voor de volgende gesprekkendag rond. Dat wordt overwerken. Gelijk maar even een mailtje naar de dames van NAV en de arbodienst. Dan weten die ook vast dat het eten die dag niet om vijf uur op tafel kan staan.
Met al dat geknutsel en gepuzzel vliegt de tijd voorbij en om 10 over 11 zak ik af naar de kantine: lunch. De tijd dat ik me moest inspannen om de gesprekken aan tafel te kunnen volgen, ligt gelukkig achter me. Het enige wat nog wel eens lastig kan zijn, is als het gesprek gaat over mensen uit het dorp (die iedereen kent, behalve ik). Vandaag gaat het over boeken die ik gelezen heb en een tv-serie die ik gevolgd heb, dus ik kan lekker meebomen.
Een halfuurtje later zit ik weer achter mijn bureau. Het is de hoogste tijd om eens aan de slag te gaan met de twee speerpunten uit het personeelsbeleid die (in goed overleg) op mijn bord terecht gekomen zijn: werving en selectie, en terugdringen ziekteverzuim. Ik loop even bij Else binnen om te overleggen hoe ik het beste input vanuit de organisatie kan krijgen voor deze punten. Else is de baas van Mette-Marit, in Nederland zou zij waarschijnlijk unit manager genoemd worden, hier heet ze eenheidsleider. Ze is ook de rechterhand van onze rådmann (de gemeentesecretaris) en dat komt mooi uit, want als je hier niet genoeg vrouwen in het management hebt, moet je in het strafbankje.
We worden het er over eens dat ik de punten inbreng in de volgende managementvergadering en ik regel vervolgens dat ik daar op de agenda beland. Mooi, nu weet ik dat ik over twee weken een deadline heb. Het gebeurt wel vaker dat ik, al dan niet samen met Mette-Marit, iets mag vertellen in het managementteam en ik bereid die bezoekjes altijd extra goed voor. Het is toch leuk als het er in -bijna- vloeiend Noors uitkomt, nietwaar? Gelukkig ken ik alle leidinggevenden en ook vele anderen intussen goed, inclusief al hun rare dialecten, waardoor ik niet meer zo nerveus ben voor dit soort optredens.
Een groot deel van de middag gaat heen met het verzamelen van statische personeelsgegevens. Daar hebben we jammer genoeg een nogal krakkemikkig programma voor.
Om drie uur houd ik het voor gezien. In het zonnetje wacht ik op John die even later van de berg af komt wandelen en samen lopen we naar huis. Deze week kan dat nog. Op 1 oktober gaat bij de gemeente de wintertijd weer in, die zware zes maanden waarin ik tot vier uur moet werken.
Maandagochtend. Na ongeveer een kwartiertje wandelen, klik ik tegen achten met mijn toegangspasje de deur van het gemeentehuis open. Het pasje is een aantal jaar geleden ingevoerd om te voorkomen dat brutale Risørburgers te pas en te onpas in de gemeentelijke (meestal bouw-)archieven komen graaien. Eenmaal op mijn kamer verwissel ik mijn gympen voor een paar nette schoenen en start mijn pc op. Ik heb een kamer alleen, zoals bijna iedereen hier. De kamer is niet gigantisch, maar toch wel zo groot dat ik hem in Nederland zeker met iemand had moeten delen om niet het maximale (tevens minimale) aantal vierkante meters per persoon te overschrijden.
Vervolgens richting de keuken die we delen met de collega’s van ”technisch”. Zij beginnen vaak vroeg, dus met een beetje geluk is de koffie al klaar. Met een beetje pech is-ie net op, dat kan ook. Voordeel is dan wel dat ik zelf koffie kan zetten. Weet ik in elk geval zeker dat het geen bak slootwater wordt.
Vorige week was erg hectisch, maar vandaag staan er geen afspraken op het programma. Mette-Marit, mijn collega, baas en kantoorbuurvrouw, is twee dagen weg. Het zou weleens een eenzaam dagje kunnen worden.
Ik begin met het wegwerken van wat losse eindjes van een paar sollicitatieprocedures: mensen bellen, brieven en mails schrijven, van zaken die klaar zijn de elektonische dossiers afsluiten. Het elektronische post- en dossiersysteem is echt een uitkomst. Als er nog wat op papier binnenkomt, wordt dat gescand en elektronisch naar de juiste persoon gestuurd. Geen stapels papier meer, en niet meer van die ergerlijke “bakjes” die ik toch al nooit gebruikte.
Het systeem is ook handig in verband met de verplichte “openbaarheid” van de verschillende gemeentelijke zaken. Via de website van Risør kommune kan iedereen alle inkomende en uitgaande post zien en desgewenst een kopie van het dokument opvragen. Gelukkig mogen we bepaalde persoonlijke informatie wel afschermen. Niet de hele wereld hoeft tenslotte te weten dat een langdurig zieke wordt uitgenodigd voor een re-integratiegesprek.
Re-integratie is het volgende onderwerp, Eens per maand hebben we een dag waarop we gesprekken voeren met mensen die langere (meestal) of kortere (soms) tijd ziek zijn. Dat is een heel circus. Behalve de persoon in kwestie, diens leidinggevende en ik, is er ook altijd iemand van de arbodienst aanwezig en iemand van NAV. NAV is een soort UWV en CWI in één, en betaalt o.a. ziekengeld uit. De reputatie van NAV is trouwens ook vergelijkbaar met die van UWV en CWI.
Ik brei de agenda voor de volgende gesprekkendag rond. Dat wordt overwerken. Gelijk maar even een mailtje naar de dames van NAV en de arbodienst. Dan weten die ook vast dat het eten die dag niet om vijf uur op tafel kan staan.
Met al dat geknutsel en gepuzzel vliegt de tijd voorbij en om 10 over 11 zak ik af naar de kantine: lunch. De tijd dat ik me moest inspannen om de gesprekken aan tafel te kunnen volgen, ligt gelukkig achter me. Het enige wat nog wel eens lastig kan zijn, is als het gesprek gaat over mensen uit het dorp (die iedereen kent, behalve ik). Vandaag gaat het over boeken die ik gelezen heb en een tv-serie die ik gevolgd heb, dus ik kan lekker meebomen.
Een halfuurtje later zit ik weer achter mijn bureau. Het is de hoogste tijd om eens aan de slag te gaan met de twee speerpunten uit het personeelsbeleid die (in goed overleg) op mijn bord terecht gekomen zijn: werving en selectie, en terugdringen ziekteverzuim. Ik loop even bij Else binnen om te overleggen hoe ik het beste input vanuit de organisatie kan krijgen voor deze punten. Else is de baas van Mette-Marit, in Nederland zou zij waarschijnlijk unit manager genoemd worden, hier heet ze eenheidsleider. Ze is ook de rechterhand van onze rådmann (de gemeentesecretaris) en dat komt mooi uit, want als je hier niet genoeg vrouwen in het management hebt, moet je in het strafbankje.
We worden het er over eens dat ik de punten inbreng in de volgende managementvergadering en ik regel vervolgens dat ik daar op de agenda beland. Mooi, nu weet ik dat ik over twee weken een deadline heb. Het gebeurt wel vaker dat ik, al dan niet samen met Mette-Marit, iets mag vertellen in het managementteam en ik bereid die bezoekjes altijd extra goed voor. Het is toch leuk als het er in -bijna- vloeiend Noors uitkomt, nietwaar? Gelukkig ken ik alle leidinggevenden en ook vele anderen intussen goed, inclusief al hun rare dialecten, waardoor ik niet meer zo nerveus ben voor dit soort optredens.
Een groot deel van de middag gaat heen met het verzamelen van statische personeelsgegevens. Daar hebben we jammer genoeg een nogal krakkemikkig programma voor.
Om drie uur houd ik het voor gezien. In het zonnetje wacht ik op John die even later van de berg af komt wandelen en samen lopen we naar huis. Deze week kan dat nog. Op 1 oktober gaat bij de gemeente de wintertijd weer in, die zware zes maanden waarin ik tot vier uur moet werken.
zaterdag 13 september 2008
Sopptur

Sinds 1 september is het officieel herfst hier en herfst betekent paddestoelen. Paddestoelen die je kunt plukken en in de vriezer kunt stoppen zodat je er het hele jaar van kunt eten. Dan moet je natuurlijk wel weten wat goed is en wat niet en op dat punt hadden we uiteraard een klein probleem. Maar geen nood, een Noorse kennis bood de helpende hand. Zoals gewoonlijk, zou ik bijna zeggen. Noren mogen dan de reputatie hebben dat ze wat nors zijn en dat het moeilijk is contact met ze te krijgen, maar daar hebben wij tot nu toe nog niet zoveel van gemerkt.
Een jaar geleden zag het er al even naar uit dat we op sopptur (paddestoelentocht) zouden gaan, maar toen kwam het er niet van. Nu kreeg John opnieuw een aanbod van collega Ragnhild en we besloten meteen toe te slaan. Zo kwam het dat we vorige week zondag, in de motregen, koers zetten richting de benzinepomp. Daar troffen we Ann Kristin, een andere collega van John, en Ragnhild met man Tore en hun twee honden. Gezamenlijk tuften we naar het begin van een bospad, een eindje buiten het dorp. Het was intussen opgehouden met zachtjes regenen, maar daar lieten we ons niet door weerhouden. Getooid in regenkleding en gewapend met manden en messen trokken we het bos in. Op jacht naar onze allereerste zelf geplukte paddestoel.
Wij waren tot deze sopptur in de veronderstelling dat alle Noren verstand hadden van paddestoelen, dat ze al vanaf kleuterleeftijd leerden welke paddestoelen eetbaar en lekker waren, welke eetbaar maar minder lekker waren en welke je vooral niet in je mond moest stoppen omdat ze giftig waren. Dit deel van ons cliché-beeld van de Noor bleek echter niet helemaal te kloppen, want Ann Kristin was net zo'n beginner op paddestoelengebied als wij.
Ragnhild ging ons voor op het pad en al na 30 meter had ze de eerste eetbare paddestoel gevonden. Het zou niet bij die ene paddestoel blijven. Drie uur later hadden we een mand en een zak (een papieren zak, want plastic is uit den boze als je paddestoelen plukt) vol met verschillende soorten paddestoelen. Als we zonder paddestoelenkenner op stap waren gegaan, zou ons dat nooit gelukt zijn. Sterker nog, we hadden waarschijnlijk geen paddestoel durven plukken. Ongelooflijk zoveel verschillende soorten als we in het bos zijn tegengekomen. Onschuldig ogende exemplaren die in de categorie "beslist niet eten" bleken te vallen, paddestoelen die op zich goed waren, maar al te oud om nog lekker te smaken, en heel veel die zo onze mand in konden. Aan het eind van de rit kregen we nog het boek "smakelijke paddestoelen" te leen, met allerlei nuttige informatie voor beginners zoals wij. In dat boek staan niet alleen de "gewoon goede" en de "gewoon giftige" paddestoelen, maar bijvoorbeeld ook de zogenaamde dubbelgangers: niet eetbare (of soms wel eetbare maar niet lekkere) paddestoelen die bijna het evenbeeld zijn van een wel goed eetbare variant.
Op 1 portie na die 's avonds meteen de pan in ging, moesten de paddestoelen natuurlijk verder verwerkt worden. Dat bleek nog een aardig klusje: sorteren, even laten liggen, schoonpoetsen, laten wellen in hun eigen vocht, afkoelen en naar schatting een stuk of 25 diepvriesporties klaar maken. Na een avond ambachtelijke keukenarbeid kon ik even geen paddestoel meer zien, maar dat hoefde ook niet want ze zaten veilig weggestopt onder het deksel van de vriezer. Was die (de vriezer dus) ook eindelijk eens in gebruik genomen. De vorige bewoners hadden hem voor ons achtergelaten en hoewel we er blij mee waren, hadden we nog niet meegemaakt dat we meer diepvriesdingen in huis hadden dan de laden in de koel-vriescombinatie aan konden.
Er is nog aardig wat ruimte over in de vriezer. Ik zit te denken...volgende maand begint het jachtseizoen. Zou zo'n eland er nog bij passen?
woensdag 3 september 2008
Oogst
Vier potten met goudbruine pruimenjam lachen me toe vanaf het aanrecht. Tjonge, wat ziet het er mooi uit. Heb ik dit echt zelf gemaakt?
Op ons grasveldje staat een pruimenboom, een mooie oude. Ik verbeeld me in elk geval graag dat-ie er al staat vanaf 1963, het jaar waarin het huis is gebouwd. Deze pruimenboom is onze eerste echte eigen fruitboom en we waren natuurlijk benieuwd of hij het net zo goed zo doen als de vorige bewoners van het huis beloofd hadden.
Zoals met alles tot nu toe, bleek ook nu hun informatie helemaal te kloppen. De boom bloeide prachtig en in de loop van de zomer kwamen er langzaam maar zeker talloze minipruimpjes tevoorschijn. De groeiperiode leek eindeloos te duren en toen de pruimpjes eenmaal pruim waren geworden, duurde het nog zo lang voordat ze begonnen te kleuren dat ik me begon af te vragen of we misschien groene pruimen hadden in plaats van rode.
Maar plotseling was het zo ver: de eerste rijpe pruim kon geplukt worden. Een paar dagen later hadden we zoveel pruimen dat we er aan begonnen te twijfelen of we ze ooit op gingen krijgen. Pruimentaart bakken was het eerste middel dat we inzetten. Gelukkig was Benjamin net een week bij ons, waardoor we er in slaagden in korte tijd niet één maar wel twee pruimentaarten te verorberen. Toch slonk de voorraad nog niet echt. Ik zag eigenlijk maar één oplossing: jam maken. Hoewel het jam maken een lange traditie kent in mijn familie, was de vonk tot nu toe niet op mij overgeslagen. Ik kon nog net bedenken dat er waarschijnlijk geleisuiker aan te pas kwam, maar had geen idee hoe het verder in zijn werk ging. Een telefoontje naar mijn moeder bracht echter uitkomst en twee dagen later stond er een pan dampende pruimenjam in wording op de kookplaat. Een kilo pruimen was er in gegaan. Niet zo veel (de boom is nog lang niet leeg), maar je moet klein beginnen nietwaar? Vier potten heeft het dus opgeleverd. De eerste lepel jam ging op een echte Noorse wafel. Mjam, lekker!
Op ons grasveldje staat een pruimenboom, een mooie oude. Ik verbeeld me in elk geval graag dat-ie er al staat vanaf 1963, het jaar waarin het huis is gebouwd. Deze pruimenboom is onze eerste echte eigen fruitboom en we waren natuurlijk benieuwd of hij het net zo goed zo doen als de vorige bewoners van het huis beloofd hadden.
Zoals met alles tot nu toe, bleek ook nu hun informatie helemaal te kloppen. De boom bloeide prachtig en in de loop van de zomer kwamen er langzaam maar zeker talloze minipruimpjes tevoorschijn. De groeiperiode leek eindeloos te duren en toen de pruimpjes eenmaal pruim waren geworden, duurde het nog zo lang voordat ze begonnen te kleuren dat ik me begon af te vragen of we misschien groene pruimen hadden in plaats van rode.
Maar plotseling was het zo ver: de eerste rijpe pruim kon geplukt worden. Een paar dagen later hadden we zoveel pruimen dat we er aan begonnen te twijfelen of we ze ooit op gingen krijgen. Pruimentaart bakken was het eerste middel dat we inzetten. Gelukkig was Benjamin net een week bij ons, waardoor we er in slaagden in korte tijd niet één maar wel twee pruimentaarten te verorberen. Toch slonk de voorraad nog niet echt. Ik zag eigenlijk maar één oplossing: jam maken. Hoewel het jam maken een lange traditie kent in mijn familie, was de vonk tot nu toe niet op mij overgeslagen. Ik kon nog net bedenken dat er waarschijnlijk geleisuiker aan te pas kwam, maar had geen idee hoe het verder in zijn werk ging. Een telefoontje naar mijn moeder bracht echter uitkomst en twee dagen later stond er een pan dampende pruimenjam in wording op de kookplaat. Een kilo pruimen was er in gegaan. Niet zo veel (de boom is nog lang niet leeg), maar je moet klein beginnen nietwaar? Vier potten heeft het dus opgeleverd. De eerste lepel jam ging op een echte Noorse wafel. Mjam, lekker!
woensdag 20 augustus 2008
Kaaskoppen en hansworsten
Nu we ons eenjarig jubileum gevierd hebben, is het tijd om eens wat meer te vertellen over het dagelijks leven hier. Noorwegen mag dan qua "cultuur" niet zo extreem anders zijn dan Nederland, er zijn toch behoorlijk wat verschillen. Naarmate we hier langer wonen, krijgen we daar beter zicht op. Laten we beginnen met het onderwerp "eten".
Noren zijn trots op hun producten en tradities, maakt niet uit in welke categorie die vallen. Toen een collega me maanden geleden belangstellend vroeg of Nederland traditionele gerechten kende, zat ik met mijn mond vol tanden. Toen ik het later aan John vertelde, dreunde die meteen een heel lijstje met gerechten op, boerenkoolstamppot bovenaan. O ja... Niet aan gedacht. Nee, ik ben bepaald geen ster als het gaat om het vertellen over wat nou typisch Nederlands is. Al weet ik niet of het wat zou uitmaken voor het beeld dat Noren van Nederland hebben. Ik heb al vaak proberen uit te leggen dat echt niet alle Nederlanders op klompen lopen, maar dat wil er geloof ik nog niet helemaal in bij onze Noorse vrienden.
"Kunnen we iets voor jullie meenemen?". Iedereen die tot nu toe op bezoek is geweest heeft die vraag gesteld. En wij zeggen altijd ja! Het gaat wat te ver om te zeggen dat er dingen zijn die we echt missen. In Noorwegen is tenslotte zo'n beetje alles te koop wat je in Nederland ook hebt. Alleen zijn sommige dingen in Nederland gewoon lekkerder (vinden wij).
Bovenaan de lijst met importvoedsel staan kaas en pure chocolade. Gedeelde eerste plaats zou ik zeggen.
Het assortiment pure chocolade is in de gewone supermarkten niet groot. "Wij zijn niet zo van de pure chocolade", zeggen ze hier, "maar onze melkchocolade is super". Tja, het is natuurlijk een kwestie van smaak, en we moeten constateren dat ons idee van chocolade anders is dan dat van de Noren.
Dan de kaas. Ehh, kaas??? Die smakeloze gele stukjes rubber uit de supermarkt bedoel je? ja, die ja, ik kan er ook niets aan doen dat die als kaas verkocht worden. OK, toegegeven, de Noren hebben brunost, bruine kaas. Dat vind ik nou toevallig heel erg lekker, maar met kaas heeft het niet zoveel te maken. Het grappige is dat veel Noren hun eigen gele kaas ook niet lekker vinden. Maak dan iets beters, zou je denken. Maar nee. Overigens kun je hier als je heel goed zoekt en je ogen dicht doet als je je geld uit je portemonnee haalt, wel echte Goudse (dus niet aangepast aan de smaak hier) kaas vinden, maar niet in ons dorp. Te oordelen naar de stukken kaas die mijn ouders het afgelopen jaar naar Noorwegen hebben vervoerd of laten vervoeren, moet de omzet van de firma Beemsterkaas flink gestegen zijn.
Ook populair op het importlijstje zijn Nutella en koffie.
Net we als in Nederland deden, bakken we hier zelf brood. Dat klinkt rustieker dan het is, want we gebruiken gewoon zo'n zelfs-de-grootste-sukkel-kan-het broodbakmachine. En broodmix van Lidl. Zolang de voorraad strekt. Lidl constateerde namelijk dat ze geen poot aan de grond kregen in Noorwegen en heeft zijn supermarkten verkocht aan de nationale boodschappengigant Rema. Het was altijd lekker boodschappen doen bij Lidl: geen mens in de winkel. Maar dat heeft dus ook z'n nadelen. Op het gebied van brood zou het trouwens leuk zijn geweest als de Deense overheersers destijds wat meer hun sporen hadden achtergelaten. Het uitgebreide broodassortiment bij de bakkers in Skagen is me goed bijgebleven. Daarbij vergeleken, is het hier niet veel soeps.
Nou, als ik mijn verhaal zo teruglees, lijkt het alsof er weinig deugt van de Noorse levensmiddelen. In de praktijk is het natuurlijk niet zo dramatisch. We laden elke week vrolijk onze kar vol bij de Rema en we eten lekker. Naast de brunost in zijn vele varianten, zijn er meer dingen die ons bevallen, vooral de vis: veel keuze en over het algemeen betaalbaar. Dankzij de goede vangst zijn de (ongepelde) garnalen dit jaar zelfs bijna te geef. Garnalen eten is een populaire bezigheid hier, vooral op zomerse bedrijfsuitjes. Het is niet voor niets dat John op dit moment samen met zijn collega's op "garnalenavond" is.
Waar Noren van houden? Het eerste dat bij me opkomt, is vlees. Het tweede dat bij me opkomt, is ook vlees. Ik heb de statistieken er niet op na geslagen, maar het kan niet anders of Noorwegen gooit hoge ogen in de strijd om de titel "meestercarnivoren". Vleeswaren, worsten, lappen, bouten; op brood, in de pan, en -het allerliefst- op de barbecue. Boodschappenkarren vol met vlees worden behendig door de supermarkt gestuurd. Hebben we een cursusdag waarop de lunch is inbegrepen, dan zit er op twee van de drie broodjes vlees (en op het derde garnalen). Koop je bij de kiosk op het vliegveld een kop koffie, is de kans groot dat degene voor je en degene na je met een worstenbroodje de zaak uit stappen.
Vegaburgers heb ik nog niet kunnen ontdekken. Wie geen vlees eet, moet hier in elk geval creatiever zijn dan in Nederland.
Ach ja, ben benieuwd wat we morgen eten.
Noren zijn trots op hun producten en tradities, maakt niet uit in welke categorie die vallen. Toen een collega me maanden geleden belangstellend vroeg of Nederland traditionele gerechten kende, zat ik met mijn mond vol tanden. Toen ik het later aan John vertelde, dreunde die meteen een heel lijstje met gerechten op, boerenkoolstamppot bovenaan. O ja... Niet aan gedacht. Nee, ik ben bepaald geen ster als het gaat om het vertellen over wat nou typisch Nederlands is. Al weet ik niet of het wat zou uitmaken voor het beeld dat Noren van Nederland hebben. Ik heb al vaak proberen uit te leggen dat echt niet alle Nederlanders op klompen lopen, maar dat wil er geloof ik nog niet helemaal in bij onze Noorse vrienden.
"Kunnen we iets voor jullie meenemen?". Iedereen die tot nu toe op bezoek is geweest heeft die vraag gesteld. En wij zeggen altijd ja! Het gaat wat te ver om te zeggen dat er dingen zijn die we echt missen. In Noorwegen is tenslotte zo'n beetje alles te koop wat je in Nederland ook hebt. Alleen zijn sommige dingen in Nederland gewoon lekkerder (vinden wij).
Bovenaan de lijst met importvoedsel staan kaas en pure chocolade. Gedeelde eerste plaats zou ik zeggen.
Het assortiment pure chocolade is in de gewone supermarkten niet groot. "Wij zijn niet zo van de pure chocolade", zeggen ze hier, "maar onze melkchocolade is super". Tja, het is natuurlijk een kwestie van smaak, en we moeten constateren dat ons idee van chocolade anders is dan dat van de Noren.
Dan de kaas. Ehh, kaas??? Die smakeloze gele stukjes rubber uit de supermarkt bedoel je? ja, die ja, ik kan er ook niets aan doen dat die als kaas verkocht worden. OK, toegegeven, de Noren hebben brunost, bruine kaas. Dat vind ik nou toevallig heel erg lekker, maar met kaas heeft het niet zoveel te maken. Het grappige is dat veel Noren hun eigen gele kaas ook niet lekker vinden. Maak dan iets beters, zou je denken. Maar nee. Overigens kun je hier als je heel goed zoekt en je ogen dicht doet als je je geld uit je portemonnee haalt, wel echte Goudse (dus niet aangepast aan de smaak hier) kaas vinden, maar niet in ons dorp. Te oordelen naar de stukken kaas die mijn ouders het afgelopen jaar naar Noorwegen hebben vervoerd of laten vervoeren, moet de omzet van de firma Beemsterkaas flink gestegen zijn.
Ook populair op het importlijstje zijn Nutella en koffie.
Net we als in Nederland deden, bakken we hier zelf brood. Dat klinkt rustieker dan het is, want we gebruiken gewoon zo'n zelfs-de-grootste-sukkel-kan-het broodbakmachine. En broodmix van Lidl. Zolang de voorraad strekt. Lidl constateerde namelijk dat ze geen poot aan de grond kregen in Noorwegen en heeft zijn supermarkten verkocht aan de nationale boodschappengigant Rema. Het was altijd lekker boodschappen doen bij Lidl: geen mens in de winkel. Maar dat heeft dus ook z'n nadelen. Op het gebied van brood zou het trouwens leuk zijn geweest als de Deense overheersers destijds wat meer hun sporen hadden achtergelaten. Het uitgebreide broodassortiment bij de bakkers in Skagen is me goed bijgebleven. Daarbij vergeleken, is het hier niet veel soeps.
Nou, als ik mijn verhaal zo teruglees, lijkt het alsof er weinig deugt van de Noorse levensmiddelen. In de praktijk is het natuurlijk niet zo dramatisch. We laden elke week vrolijk onze kar vol bij de Rema en we eten lekker. Naast de brunost in zijn vele varianten, zijn er meer dingen die ons bevallen, vooral de vis: veel keuze en over het algemeen betaalbaar. Dankzij de goede vangst zijn de (ongepelde) garnalen dit jaar zelfs bijna te geef. Garnalen eten is een populaire bezigheid hier, vooral op zomerse bedrijfsuitjes. Het is niet voor niets dat John op dit moment samen met zijn collega's op "garnalenavond" is.
Waar Noren van houden? Het eerste dat bij me opkomt, is vlees. Het tweede dat bij me opkomt, is ook vlees. Ik heb de statistieken er niet op na geslagen, maar het kan niet anders of Noorwegen gooit hoge ogen in de strijd om de titel "meestercarnivoren". Vleeswaren, worsten, lappen, bouten; op brood, in de pan, en -het allerliefst- op de barbecue. Boodschappenkarren vol met vlees worden behendig door de supermarkt gestuurd. Hebben we een cursusdag waarop de lunch is inbegrepen, dan zit er op twee van de drie broodjes vlees (en op het derde garnalen). Koop je bij de kiosk op het vliegveld een kop koffie, is de kans groot dat degene voor je en degene na je met een worstenbroodje de zaak uit stappen.
Vegaburgers heb ik nog niet kunnen ontdekken. Wie geen vlees eet, moet hier in elk geval creatiever zijn dan in Nederland.
Ach ja, ben benieuwd wat we morgen eten.
zondag 10 augustus 2008
Zomervakantie
Drie weken geleden begon onze zomervakantie, of eigenlijk mijn zomervakantie, want die van John was natuurlijk al een tijdje aan de gang. Drie weken geleden vierden we ook dat we precies een jaar in Noorwegen woonden. Tijd voor reflectie dus, maar eerst op vakantie!
De reis ging naar Noord-Italië en Slovenië. Niet geheel toevallig, want in Ljubljana werd deze zomer het EK atletiek voor masters (een mooi woord voor veteranen = iedereen boven de 35) gehouden, en John had zich daarvoor aangemeld. De handigste manier om in Slovenië te komen was bij Ryanair een ticket naar Bergamo kopen en vandaar met de auto verder gaan.
De eerste stop was dus Bergamo, de moeite waard vanwege de mooie oude stad en heerlijk ijs. Vervolgens ging de reis naar naar Triëst. Die stad doet zijn naam eer aan als je hem op z'n Nederlands uitspreekt. Je mist er niets aan als je er niet geweest bent, maar ze hebben er wel goede koffie.
Na Triëst was dan de beurt aan Slovenië waar we een week zijn gebleven. We logeerden op verschillende plaatsen binnen een straal van niet al te veel kilometers van het atletiekstadion.
Het EK trok veel deelnemers, vooral uit de landen in de buurt van Slovenië, maar ook uit Nederland en Noorwegen. In de meeste takken van de atletiek gingen de leeftijdscategorieën (steeds per vijf jaar) wel tot 85+. Soms maar met één of twee deelnemers per categorie, maar toch. Het is nauwelijks voor te stellen hoe fit al die ‘bejaarde’ deelnemers zijn. En fanatiek ook! Sommigen gaven zoveel tijdens de wedstrijd dat ze vervolgens maar met moeite het podium konden beklimmen.
John liep de series van de 400m en de series en halve finale van de 800m. Aangezien je vooraf ook nog eens je deelname persoonlijk moet bevestigen, betekende dat dus heel wat ritjes naar het stadion. Het was warm, om niet te zeggen snikheet toen John, in het oranje, zijn rondje(s) moest lopen. Maar hij doorstond het goed, en bereikte met de halve finale van de 800m zijn doelstelling.
Tussen de atletiekbedrijven door maakten we uitstapjes en zochten we verkoeling in zwembaden en meren.
Afgelopen weekend was het tijd om weer langzaamaan naar het westen op te schuiven. We reden langs de noordkant terug naar Italië, net ten zuiden van de grens met Oostenrijk. Het laatste deel van de vakantie brachten we door met luieren, zwemmen, en (natuurlijk) trainen. Terug in Italië misten we de vriendelijkheid en de wat modernere inslag van Slovenië, maar in ruil daarvoor hadden we weer lekkere koffie.
Donderdag vertrokken we weer naar huis. Jammer, maar heerlijk om aan te komen in de rust van de kleine luchthaven Torp in plaats van in de mierenhoop op Schiphol. Thuis werden we warm ontvangen door Yvonne, Eltjo, Stefan en Arnoud, die twee weken lang op huis en katten hadden gepast. Het huis zag er goed uit, Nelson en Pebbles waren in prima vorm, hooguit was hun vacht wat versleten door het vele aaien. Kortom, we hadden ons geen betere thuiskomst kunnen wensen.
Nu is het zondag. Morgen wacht het gemeentehuis, donderdag de school.
Na één jaar Noorwegen kunnen we in elk geval de conclusie trekken dat we hier een gewoon leven leiden, met een ongewoon uitzicht...
Abonneren op:
Posts (Atom)