zondag 5 oktober 2008

Herfstzondag


De storm die Nederland vannacht teisterde, heeft ook in delen van Noorwegen huisgehouden. Toen ik vanochtend beneden kwam, lagen de tuinstoelen op een hoop in een hoek van het terras en had de klimroos van de overbuurvrouw het loodje gelegd. Ik was eerlijk gezegd een beetje verrast, want toen ik zaterdag op de Noorse weersite yr.no keek, had ik niet gezien dat er zo'n storm voorspeld werd. Dat zeg misschien meer over mij dan over yr.no al is het natuurlijk de vraag in hoeverre je een weersite die zich vertaald in het Nederlands motregen.nl zou noemen, serieus kunt nemen.

Vandaag waait het nog steeds behoorlijk. De golven op zee hebben woeste witte schuimkoppen en denderen in volle vaart tegen de rotseilandjes voor de kust aan. Een mooi gezicht met de zon er op. Want die schijnt gelukkig weer. Behalve dat alles er leuker uit ziet, heeft de zon nog een ander voordeel. Het is een belangrijke verwarming voor ons huis. Zolang de zon schijnt, hoeft de kachel niet aan en dat is lekker voordelig. Ja, we blijven natuurlijk Nederlanders...

Helaas schijnt ook hier de zon niet elke dag, dus we hebben onze maatregelen voor het winterseizoen al getroffen. Vorige winter hebben we veel elektrisch gestookt (geen cv hier) en weinig op hout. Omdat we halverwege de winter verhuisden, hadden we namelijk geen grote houtvoorraad aangelegd. Elektrisch verwarmen is echter niet erg economisch, zeker niet nu de elektriciteitsprijzen stijgen, en daarnaast mist het ook nog eens de knusheid van de houtkachel. Dit jaar moest het anders, besloten we.
Wil je een beetje goed hout kopen tegen een redelijke prijs, dan moet je er op tijd bij zijn, dus John begon in augustus al met een belrondje. Enige tijd later belde de uitverkoren houtboer terug met de mededeling dat hij in de loop van de volgende week twee pallets zou komen bezorgen. Nu namen we dat bericht met een flinke korrel zout, want we hebben intussen wel geleerd dat men hier niet al te veel haast maakt als er iets geleverd moet worden. Maar deze houtboer was de uitzondering op de regel. Exact op het afgesproken tijdstip stopte zijn vrachtwagen voor de deur en even later stonden er twee pallets hout naast de weg. Nu kwam de grootste klus: het hout verslepen van de pallets naar de houtschuur. Die is onder het huis, aan de achterkant en het was dan ook een heel gesjouw om de voorraad daar te krijgen. Maar nu ligt alles netjes opgestapeld in de schuur. De kachel heeft al een paar keer gebrand. Laat de winter maar komen!

dinsdag 23 september 2008

Een gewone werkdag

Het werk als P&O adviseur bij de gemeente Risør lijkt op veel punten op het werk van een P&O adviseur bij een willekeurig ander bedrijf, of dat nou Nederlands of Noors is. Op een paar punten is het heel anders. Daar zou ik met gemak een paar blogjes aan kunnen wijden. En dat doe ik misschien nog wel eens, maar niet vandaag. Vandaag gaat het over een doorsnee-dag op mijn werk. Gewoon, voor wie het leuk vindt om te lezen hoe zo’n dag er uit ziet.

Maandagochtend. Na ongeveer een kwartiertje wandelen, klik ik tegen achten met mijn toegangspasje de deur van het gemeentehuis open. Het pasje is een aantal jaar geleden ingevoerd om te voorkomen dat brutale Risørburgers te pas en te onpas in de gemeentelijke (meestal bouw-)archieven komen graaien. Eenmaal op mijn kamer verwissel ik mijn gympen voor een paar nette schoenen en start mijn pc op. Ik heb een kamer alleen, zoals bijna iedereen hier. De kamer is niet gigantisch, maar toch wel zo groot dat ik hem in Nederland zeker met iemand had moeten delen om niet het maximale (tevens minimale) aantal vierkante meters per persoon te overschrijden.
Vervolgens richting de keuken die we delen met de collega’s van ”technisch”. Zij beginnen vaak vroeg, dus met een beetje geluk is de koffie al klaar. Met een beetje pech is-ie net op, dat kan ook. Voordeel is dan wel dat ik zelf koffie kan zetten. Weet ik in elk geval zeker dat het geen bak slootwater wordt.

Vorige week was erg hectisch, maar vandaag staan er geen afspraken op het programma. Mette-Marit, mijn collega, baas en kantoorbuurvrouw, is twee dagen weg. Het zou weleens een eenzaam dagje kunnen worden.
Ik begin met het wegwerken van wat losse eindjes van een paar sollicitatieprocedures: mensen bellen, brieven en mails schrijven, van zaken die klaar zijn de elektonische dossiers afsluiten. Het elektronische post- en dossiersysteem is echt een uitkomst. Als er nog wat op papier binnenkomt, wordt dat gescand en elektronisch naar de juiste persoon gestuurd. Geen stapels papier meer, en niet meer van die ergerlijke “bakjes” die ik toch al nooit gebruikte.
Het systeem is ook handig in verband met de verplichte “openbaarheid” van de verschillende gemeentelijke zaken. Via de website van Risør kommune kan iedereen alle inkomende en uitgaande post zien en desgewenst een kopie van het dokument opvragen. Gelukkig mogen we bepaalde persoonlijke informatie wel afschermen. Niet de hele wereld hoeft tenslotte te weten dat een langdurig zieke wordt uitgenodigd voor een re-integratiegesprek.
Re-integratie is het volgende onderwerp, Eens per maand hebben we een dag waarop we gesprekken voeren met mensen die langere (meestal) of kortere (soms) tijd ziek zijn. Dat is een heel circus. Behalve de persoon in kwestie, diens leidinggevende en ik, is er ook altijd iemand van de arbodienst aanwezig en iemand van NAV. NAV is een soort UWV en CWI in één, en betaalt o.a. ziekengeld uit. De reputatie van NAV is trouwens ook vergelijkbaar met die van UWV en CWI.
Ik brei de agenda voor de volgende gesprekkendag rond. Dat wordt overwerken. Gelijk maar even een mailtje naar de dames van NAV en de arbodienst. Dan weten die ook vast dat het eten die dag niet om vijf uur op tafel kan staan.

Met al dat geknutsel en gepuzzel vliegt de tijd voorbij en om 10 over 11 zak ik af naar de kantine: lunch. De tijd dat ik me moest inspannen om de gesprekken aan tafel te kunnen volgen, ligt gelukkig achter me. Het enige wat nog wel eens lastig kan zijn, is als het gesprek gaat over mensen uit het dorp (die iedereen kent, behalve ik). Vandaag gaat het over boeken die ik gelezen heb en een tv-serie die ik gevolgd heb, dus ik kan lekker meebomen.

Een halfuurtje later zit ik weer achter mijn bureau. Het is de hoogste tijd om eens aan de slag te gaan met de twee speerpunten uit het personeelsbeleid die (in goed overleg) op mijn bord terecht gekomen zijn: werving en selectie, en terugdringen ziekteverzuim. Ik loop even bij Else binnen om te overleggen hoe ik het beste input vanuit de organisatie kan krijgen voor deze punten. Else is de baas van Mette-Marit, in Nederland zou zij waarschijnlijk unit manager genoemd worden, hier heet ze eenheidsleider. Ze is ook de rechterhand van onze rådmann (de gemeentesecretaris) en dat komt mooi uit, want als je hier niet genoeg vrouwen in het management hebt, moet je in het strafbankje.

We worden het er over eens dat ik de punten inbreng in de volgende managementvergadering en ik regel vervolgens dat ik daar op de agenda beland. Mooi, nu weet ik dat ik over twee weken een deadline heb. Het gebeurt wel vaker dat ik, al dan niet samen met Mette-Marit, iets mag vertellen in het managementteam en ik bereid die bezoekjes altijd extra goed voor. Het is toch leuk als het er in -bijna- vloeiend Noors uitkomt, nietwaar? Gelukkig ken ik alle leidinggevenden en ook vele anderen intussen goed, inclusief al hun rare dialecten, waardoor ik niet meer zo nerveus ben voor dit soort optredens.

Een groot deel van de middag gaat heen met het verzamelen van statische personeelsgegevens. Daar hebben we jammer genoeg een nogal krakkemikkig programma voor.
Om drie uur houd ik het voor gezien. In het zonnetje wacht ik op John die even later van de berg af komt wandelen en samen lopen we naar huis. Deze week kan dat nog. Op 1 oktober gaat bij de gemeente de wintertijd weer in, die zware zes maanden waarin ik tot vier uur moet werken.

zaterdag 13 september 2008

Sopptur


Sinds 1 september is het officieel herfst hier en herfst betekent paddestoelen. Paddestoelen die je kunt plukken en in de vriezer kunt stoppen zodat je er het hele jaar van kunt eten. Dan moet je natuurlijk wel weten wat goed is en wat niet en op dat punt hadden we uiteraard een klein probleem. Maar geen nood, een Noorse kennis bood de helpende hand. Zoals gewoonlijk, zou ik bijna zeggen. Noren mogen dan de reputatie hebben dat ze wat nors zijn en dat het moeilijk is contact met ze te krijgen, maar daar hebben wij tot nu toe nog niet zoveel van gemerkt.

Een jaar geleden zag het er al even naar uit dat we op sopptur (paddestoelentocht) zouden gaan, maar toen kwam het er niet van. Nu kreeg John opnieuw een aanbod van collega Ragnhild en we besloten meteen toe te slaan. Zo kwam het dat we vorige week zondag, in de motregen, koers zetten richting de benzinepomp. Daar troffen we Ann Kristin, een andere collega van John, en Ragnhild met man Tore en hun twee honden. Gezamenlijk tuften we naar het begin van een bospad, een eindje buiten het dorp. Het was intussen opgehouden met zachtjes regenen, maar daar lieten we ons niet door weerhouden. Getooid in regenkleding en gewapend met manden en messen trokken we het bos in. Op jacht naar onze allereerste zelf geplukte paddestoel.

Wij waren tot deze sopptur in de veronderstelling dat alle Noren verstand hadden van paddestoelen, dat ze al vanaf kleuterleeftijd leerden welke paddestoelen eetbaar en lekker waren, welke eetbaar maar minder lekker waren en welke je vooral niet in je mond moest stoppen omdat ze giftig waren. Dit deel van ons cliché-beeld van de Noor bleek echter niet helemaal te kloppen, want Ann Kristin was net zo'n beginner op paddestoelengebied als wij.

Ragnhild ging ons voor op het pad en al na 30 meter had ze de eerste eetbare paddestoel gevonden. Het zou niet bij die ene paddestoel blijven. Drie uur later hadden we een mand en een zak (een papieren zak, want plastic is uit den boze als je paddestoelen plukt) vol met verschillende soorten paddestoelen. Als we zonder paddestoelenkenner op stap waren gegaan, zou ons dat nooit gelukt zijn. Sterker nog, we hadden waarschijnlijk geen paddestoel durven plukken. Ongelooflijk zoveel verschillende soorten als we in het bos zijn tegengekomen. Onschuldig ogende exemplaren die in de categorie "beslist niet eten" bleken te vallen, paddestoelen die op zich goed waren, maar al te oud om nog lekker te smaken, en heel veel die zo onze mand in konden. Aan het eind van de rit kregen we nog het boek "smakelijke paddestoelen" te leen, met allerlei nuttige informatie voor beginners zoals wij. In dat boek staan niet alleen de "gewoon goede" en de "gewoon giftige" paddestoelen, maar bijvoorbeeld ook de zogenaamde dubbelgangers: niet eetbare (of soms wel eetbare maar niet lekkere) paddestoelen die bijna het evenbeeld zijn van een wel goed eetbare variant.

Op 1 portie na die 's avonds meteen de pan in ging, moesten de paddestoelen natuurlijk verder verwerkt worden. Dat bleek nog een aardig klusje: sorteren, even laten liggen, schoonpoetsen, laten wellen in hun eigen vocht, afkoelen en naar schatting een stuk of 25 diepvriesporties klaar maken. Na een avond ambachtelijke keukenarbeid kon ik even geen paddestoel meer zien, maar dat hoefde ook niet want ze zaten veilig weggestopt onder het deksel van de vriezer. Was die (de vriezer dus) ook eindelijk eens in gebruik genomen. De vorige bewoners hadden hem voor ons achtergelaten en hoewel we er blij mee waren, hadden we nog niet meegemaakt dat we meer diepvriesdingen in huis hadden dan de laden in de koel-vriescombinatie aan konden.

Er is nog aardig wat ruimte over in de vriezer. Ik zit te denken...volgende maand begint het jachtseizoen. Zou zo'n eland er nog bij passen?

woensdag 3 september 2008

Oogst

Vier potten met goudbruine pruimenjam lachen me toe vanaf het aanrecht. Tjonge, wat ziet het er mooi uit. Heb ik dit echt zelf gemaakt?

Op ons grasveldje staat een pruimenboom, een mooie oude. Ik verbeeld me in elk geval graag dat-ie er al staat vanaf 1963, het jaar waarin het huis is gebouwd. Deze pruimenboom is onze eerste echte eigen fruitboom en we waren natuurlijk benieuwd of hij het net zo goed zo doen als de vorige bewoners van het huis beloofd hadden.
Zoals met alles tot nu toe, bleek ook nu hun informatie helemaal te kloppen. De boom bloeide prachtig en in de loop van de zomer kwamen er langzaam maar zeker talloze minipruimpjes tevoorschijn. De groeiperiode leek eindeloos te duren en toen de pruimpjes eenmaal pruim waren geworden, duurde het nog zo lang voordat ze begonnen te kleuren dat ik me begon af te vragen of we misschien groene pruimen hadden in plaats van rode.

Maar plotseling was het zo ver: de eerste rijpe pruim kon geplukt worden. Een paar dagen later hadden we zoveel pruimen dat we er aan begonnen te twijfelen of we ze ooit op gingen krijgen. Pruimentaart bakken was het eerste middel dat we inzetten. Gelukkig was Benjamin net een week bij ons, waardoor we er in slaagden in korte tijd niet één maar wel twee pruimentaarten te verorberen. Toch slonk de voorraad nog niet echt. Ik zag eigenlijk maar één oplossing: jam maken. Hoewel het jam maken een lange traditie kent in mijn familie, was de vonk tot nu toe niet op mij overgeslagen. Ik kon nog net bedenken dat er waarschijnlijk geleisuiker aan te pas kwam, maar had geen idee hoe het verder in zijn werk ging. Een telefoontje naar mijn moeder bracht echter uitkomst en twee dagen later stond er een pan dampende pruimenjam in wording op de kookplaat. Een kilo pruimen was er in gegaan. Niet zo veel (de boom is nog lang niet leeg), maar je moet klein beginnen nietwaar? Vier potten heeft het dus opgeleverd. De eerste lepel jam ging op een echte Noorse wafel. Mjam, lekker!

woensdag 20 augustus 2008

Kaaskoppen en hansworsten

Nu we ons eenjarig jubileum gevierd hebben, is het tijd om eens wat meer te vertellen over het dagelijks leven hier. Noorwegen mag dan qua "cultuur" niet zo extreem anders zijn dan Nederland, er zijn toch behoorlijk wat verschillen. Naarmate we hier langer wonen, krijgen we daar beter zicht op. Laten we beginnen met het onderwerp "eten".

Noren zijn trots op hun producten en tradities, maakt niet uit in welke categorie die vallen. Toen een collega me maanden geleden belangstellend vroeg of Nederland traditionele gerechten kende, zat ik met mijn mond vol tanden. Toen ik het later aan John vertelde, dreunde die meteen een heel lijstje met gerechten op, boerenkoolstamppot bovenaan. O ja... Niet aan gedacht. Nee, ik ben bepaald geen ster als het gaat om het vertellen over wat nou typisch Nederlands is. Al weet ik niet of het wat zou uitmaken voor het beeld dat Noren van Nederland hebben. Ik heb al vaak proberen uit te leggen dat echt niet alle Nederlanders op klompen lopen, maar dat wil er geloof ik nog niet helemaal in bij onze Noorse vrienden.

"Kunnen we iets voor jullie meenemen?". Iedereen die tot nu toe op bezoek is geweest heeft die vraag gesteld. En wij zeggen altijd ja! Het gaat wat te ver om te zeggen dat er dingen zijn die we echt missen. In Noorwegen is tenslotte zo'n beetje alles te koop wat je in Nederland ook hebt. Alleen zijn sommige dingen in Nederland gewoon lekkerder (vinden wij).
Bovenaan de lijst met importvoedsel staan kaas en pure chocolade. Gedeelde eerste plaats zou ik zeggen.
Het assortiment pure chocolade is in de gewone supermarkten niet groot. "Wij zijn niet zo van de pure chocolade", zeggen ze hier, "maar onze melkchocolade is super". Tja, het is natuurlijk een kwestie van smaak, en we moeten constateren dat ons idee van chocolade anders is dan dat van de Noren.
Dan de kaas. Ehh, kaas??? Die smakeloze gele stukjes rubber uit de supermarkt bedoel je? ja, die ja, ik kan er ook niets aan doen dat die als kaas verkocht worden. OK, toegegeven, de Noren hebben brunost, bruine kaas. Dat vind ik nou toevallig heel erg lekker, maar met kaas heeft het niet zoveel te maken. Het grappige is dat veel Noren hun eigen gele kaas ook niet lekker vinden. Maak dan iets beters, zou je denken. Maar nee. Overigens kun je hier als je heel goed zoekt en je ogen dicht doet als je je geld uit je portemonnee haalt, wel echte Goudse (dus niet aangepast aan de smaak hier) kaas vinden, maar niet in ons dorp. Te oordelen naar de stukken kaas die mijn ouders het afgelopen jaar naar Noorwegen hebben vervoerd of laten vervoeren, moet de omzet van de firma Beemsterkaas flink gestegen zijn.
Ook populair op het importlijstje zijn Nutella en koffie.

Net we als in Nederland deden, bakken we hier zelf brood. Dat klinkt rustieker dan het is, want we gebruiken gewoon zo'n zelfs-de-grootste-sukkel-kan-het broodbakmachine. En broodmix van Lidl. Zolang de voorraad strekt. Lidl constateerde namelijk dat ze geen poot aan de grond kregen in Noorwegen en heeft zijn supermarkten verkocht aan de nationale boodschappengigant Rema. Het was altijd lekker boodschappen doen bij Lidl: geen mens in de winkel. Maar dat heeft dus ook z'n nadelen. Op het gebied van brood zou het trouwens leuk zijn geweest als de Deense overheersers destijds wat meer hun sporen hadden achtergelaten. Het uitgebreide broodassortiment bij de bakkers in Skagen is me goed bijgebleven. Daarbij vergeleken, is het hier niet veel soeps.

Nou, als ik mijn verhaal zo teruglees, lijkt het alsof er weinig deugt van de Noorse levensmiddelen. In de praktijk is het natuurlijk niet zo dramatisch. We laden elke week vrolijk onze kar vol bij de Rema en we eten lekker. Naast de brunost in zijn vele varianten, zijn er meer dingen die ons bevallen, vooral de vis: veel keuze en over het algemeen betaalbaar. Dankzij de goede vangst zijn de (ongepelde) garnalen dit jaar zelfs bijna te geef. Garnalen eten is een populaire bezigheid hier, vooral op zomerse bedrijfsuitjes. Het is niet voor niets dat John op dit moment samen met zijn collega's op "garnalenavond" is.

Waar Noren van houden? Het eerste dat bij me opkomt, is vlees. Het tweede dat bij me opkomt, is ook vlees. Ik heb de statistieken er niet op na geslagen, maar het kan niet anders of Noorwegen gooit hoge ogen in de strijd om de titel "meestercarnivoren". Vleeswaren, worsten, lappen, bouten; op brood, in de pan, en -het allerliefst- op de barbecue. Boodschappenkarren vol met vlees worden behendig door de supermarkt gestuurd. Hebben we een cursusdag waarop de lunch is inbegrepen, dan zit er op twee van de drie broodjes vlees (en op het derde garnalen). Koop je bij de kiosk op het vliegveld een kop koffie, is de kans groot dat degene voor je en degene na je met een worstenbroodje de zaak uit stappen.
Vegaburgers heb ik nog niet kunnen ontdekken. Wie geen vlees eet, moet hier in elk geval creatiever zijn dan in Nederland.

Ach ja, ben benieuwd wat we morgen eten.

zondag 10 augustus 2008

Zomervakantie



Drie weken geleden begon onze zomervakantie, of eigenlijk mijn zomervakantie, want die van John was natuurlijk al een tijdje aan de gang. Drie weken geleden vierden we ook dat we precies een jaar in Noorwegen woonden. Tijd voor reflectie dus, maar eerst op vakantie!

De reis ging naar Noord-Italië en Slovenië. Niet geheel toevallig, want in Ljubljana werd deze zomer het EK atletiek voor masters (een mooi woord voor veteranen = iedereen boven de 35) gehouden, en John had zich daarvoor aangemeld. De handigste manier om in Slovenië te komen was bij Ryanair een ticket naar Bergamo kopen en vandaar met de auto verder gaan.

De eerste stop was dus Bergamo, de moeite waard vanwege de mooie oude stad en heerlijk ijs. Vervolgens ging de reis naar naar Triëst. Die stad doet zijn naam eer aan als je hem op z'n Nederlands uitspreekt. Je mist er niets aan als je er niet geweest bent, maar ze hebben er wel goede koffie.
Na Triëst was dan de beurt aan Slovenië waar we een week zijn gebleven. We logeerden op verschillende plaatsen binnen een straal van niet al te veel kilometers van het atletiekstadion.
Het EK trok veel deelnemers, vooral uit de landen in de buurt van Slovenië, maar ook uit Nederland en Noorwegen. In de meeste takken van de atletiek gingen de leeftijdscategorieën (steeds per vijf jaar) wel tot 85+. Soms maar met één of twee deelnemers per categorie, maar toch. Het is nauwelijks voor te stellen hoe fit al die ‘bejaarde’ deelnemers zijn. En fanatiek ook! Sommigen gaven zoveel tijdens de wedstrijd dat ze vervolgens maar met moeite het podium konden beklimmen.
John liep de series van de 400m en de series en halve finale van de 800m. Aangezien je vooraf ook nog eens je deelname persoonlijk moet bevestigen, betekende dat dus heel wat ritjes naar het stadion. Het was warm, om niet te zeggen snikheet toen John, in het oranje, zijn rondje(s) moest lopen. Maar hij doorstond het goed, en bereikte met de halve finale van de 800m zijn doelstelling.
Tussen de atletiekbedrijven door maakten we uitstapjes en zochten we verkoeling in zwembaden en meren.
Afgelopen weekend was het tijd om weer langzaamaan naar het westen op te schuiven. We reden langs de noordkant terug naar Italië, net ten zuiden van de grens met Oostenrijk. Het laatste deel van de vakantie brachten we door met luieren, zwemmen, en (natuurlijk) trainen. Terug in Italië misten we de vriendelijkheid en de wat modernere inslag van Slovenië, maar in ruil daarvoor hadden we weer lekkere koffie.

Donderdag vertrokken we weer naar huis. Jammer, maar heerlijk om aan te komen in de rust van de kleine luchthaven Torp in plaats van in de mierenhoop op Schiphol. Thuis werden we warm ontvangen door Yvonne, Eltjo, Stefan en Arnoud, die twee weken lang op huis en katten hadden gepast. Het huis zag er goed uit, Nelson en Pebbles waren in prima vorm, hooguit was hun vacht wat versleten door het vele aaien. Kortom, we hadden ons geen betere thuiskomst kunnen wensen.

Nu is het zondag. Morgen wacht het gemeentehuis, donderdag de school.
Na één jaar Noorwegen kunnen we in elk geval de conclusie trekken dat we hier een gewoon leven leiden, met een ongewoon uitzicht...

zondag 20 juli 2008

Prinsheerlijk

Een maand of twee geleden stond Risør plotseling op de voorpagina van alle Noorse kranten. Niet zomaar, want er was groot nieuws: de kroonprins en zijn vrouw hadden een zomerhuisje in Risør gekocht!

Ook in Noorwegen is het koningshuis dankbaar onderwerp van gesprek in de roddel- en overige pers. En net als zijn Nederlandse evenknie maakt kroonprins Haakon soms keuzes die niet bij iedereen in de smaak vallen. Zo moest het land wel even slikken toen hij met zijn Mette-Marit op de proppen kwam. Een vrouw die al een zoon had uit een eerdere relatie, ai... En dat was dan nog maar een van de vele bedenkelijke kanten van deze Mette-Marit.
Maar de tijd doet wonderen. Intussen zijn we vele jaren en (niet onbelangrijk) twee zuivere prinsenkindjes verder, en heeft de gemiddelde Noor wel sympathie voor het kroonprinspaar.

Terug naar het zomerhuisje. Na lang zoeken, hadden Haakon en Mette-Marit hun huisje gevonden. Ze betaalden er 9 miljoen voor. Dat zijn natuurlijk een hoop kroontjes, maar daarvoor heb je dan wel je eigen eiland. Het huisje heeft het comfort van de jaren 60 en geen elektriciteit of stromend water. De familie heeft aangegeven voorlopig niets te willen veranderen aan het huis en dat bericht viel zeer goed in de smaak bij de bevolking hier, de burgemeester voorop. Als ze straks wel wat willen veranderen, wordt het pas echt interessant. Gelden voor hen dezelfde regels bij het aanvragen van een bouwvergunning als voor andere zomerhuiseigenaren? Kan veiligheid een argument zijn op grond waarvan zij anders behandeld worden? Je hoort nu al uiteenlopende meningen. Dat wordt nog lachen.
Voorlopig is alles echter koek en ei. De familie viert op dit moment vakantie op hun eiland en zijn al een paar keer in het dorp gesignaleerd (niet door mij). De spannendste berichten tot nu toe zijn dat het dochtertje op blote voeten rondrende en dat de kroonprins gedoucht heeft bij de Esso (achter het tankstation liggen sanitaire voorzieningen voor bootgasten).

Voor wie het optrekje wil zien, is Aftenposten zo aardig geweest een korte animatie in elkaar te draaien.

donderdag 10 juli 2008

De Snelweg (2)

Noren zijn altijd erg geïnteresseerd in je verhaal als je vertelt dat je uit Nederland komt. De vragen die ze dan stellen, zijn over het algemeen echter niet bijster origineel. Op de tweede plaats: hoe we toch zo snel Noors hebben leren spreken. Altijd een leuk onderwerp van gesprek, maar als je al duizend keer hetzelfde verhaal hebt gehouden begint het een beetje te vervelen. Dé immigrantenvraag bij uitstek is echter een heel andere, en één die ik me in Nederland nooit voor had kunnen stellen: "Hebben jullie al een boot?"

Tja, je gelooft het niet, maar er is geen gesprek met Risør-autochtonen waarin deze vraag niet wordt gesteld. De oorzaak is simpel: in Risør heeft iedereen een boot, en is een leven zonder boot nauwelijks voor te stellen (voor de Noren dan - ons lukt het nog uitstekend). Als je in de winter door het dorp loopt, zie je ze ook in talloze achtertuinen liggen. De riantste jachten blijken op de onwaarschijnlijkste achterafplekjes terecht te kunnen komen, met behulp van een flinke kraan en wat kabels. De meeste boten zijn echter van het simpele type: eenvoudig sloepje met 10 pk buitenboordmotortje erachter. De gemiddelde Noor is namelijk niet zo geïnteresseerd in het varen op zich, nee, het doel is om je weg te kunnen vinden naar de talloze eilandjes aan de scherenkust. Aldaar is het in de zomer elke dag feest, bestaande uit enkele simpele hoofingrediënten: luieren, wandelen, zwemmen, maar vooral: barbecuen. Hierbij is vooral het verschijnsel 'uit-de-kluiten-gewassen-knakworst' grenzeloos populair. In alle varianten worden ze gegeten. Met veel ketchup, mosterd en mayonaise natuurlijk, en bij voorkeur op langgerekte, kleffe witte kadetjes. Eet smakelijk.

In de zomer is Risør dus een echt watersportplaatsje. Dat geeft wel een apart sfeertje, moet ik toegeven. Al die boten, al die zeilen, overal uitgelaten kinderen, het in de regio beroemde 'houten boten festival': het zorgt ervoor dat de zomer net iets meer zomer wordt. Vanaf onze veranda hebben we uitzicht op een van de bekendste eilandjes in de buurt: Stangholmen. In de zomer is dit een populaire aanlegplaats voor de schippers, met name dankzij de aanwezigheid van het gelijknamige café en restaurant, waar je tot laat op de avond in het zonnetje kunt genieten van je maaltijd of je biertje. Al deze waterpret heeft echter één nadeel. Voor enkele maanden in het jaar verandert onze 'achtertuin' (de zee dus) in iets dat we in Nederland hebben geprobeerd te ontvluchten: de snelweg. Met boten in plaats van auto's, maar toch. Gelukkig is het een leuk schouwspel. En over een paar maanden liggen al die boten weer op hun vertrouwde winterstekjes in de tuin, wachtend op een volgende mooie bootzomer.

maandag 23 juni 2008

Op de fiets (2)



Wat hebben een makelaar, een ziekenhuis en een aantal gemeentes in het zuiden van Noorwegen met elkaar gemeen? Ze gaan op Skagentur!
Ik was ongeveer drie uur in dienst bij de gemeente toen ik de vraag kreeg of ik zin had om mee te gaan op Skagentur, een fietstocht van Hirtshals naar Skagen v.v. (in Noord-Denemarken). Ja, dat had ik wel. Ik was er toen nog niet achter dat Noren nauwelijks fietsen en dat de Skagentur daarom onmogelijk fietsen als hoofddoel kon hebben.

In de maanden die volgden werd ik al een stuk wijzer, maar desondanks zou de Noorse tur-kultuur mijn stoutste verwachtingen overtreffen.
Het centrale thema tijdens zo'n tur is alcohol. De Noren drinken. En dan bedoel ik niet een biertje op het terras en een wijntje bij het eten. Nee, dan bedoel ik gammel dansk (een naar ziekenhuis stinkend goedje dat onderweg ook uitstekend dienst bleek te doen als ontsmettingsmiddel voor schaafwonden), bier en wijn in grote hoeveelheden en de hele dag door, te beginnen om 5 uur 's ochtends, het tijdstip waarop de bus vanuit Risør richting boot vertrok.
Nou ja, in Nederland zijn er natuurlijk ook mensen die veel drinken om 5 uur 's ochtends, maar dat is dan meestal het einde van het feest en niet het begin.

Eenmaal op de boot kwam ik tot de ontdekking dat wij uit Risør eigenlijk een hele rustige groep waren, vergeleken met de andere op Skagentur zijnde gezelschappen. Tja, alles is relatief. Ook hier.

Noren hebben een gespannen relatie met het verschijnsel alcohol. Wijn en sterke drank wordt alleen verkocht in staatwinkels. Niks aantrekkelijk ingerichte etalages daar, maar oostblokachtige hokken waar je tot voor kort als klant niet eens zelf een fles uit het schap mocht pakken. Komen kinderen op een leeftijd dat ze zich voor drank gaan interesseren, dan wordt er bij voorkeur thuis niets meer gedronken (in elk geval niet voordat het kroost veilig en wel in bed ligt), want ze moeten vooral niet de indruk krijgen dat alcohol een normaal onderdeel van het leven zou kunnen zijn. Nu kun je natuurlijk lang en breed discussiëren over wat goed is en wat niet en er bestaan ongetwijfeld meerdere waarheden, maar als je ziet hoe volwassen mensen hier met drank omgaan, dan kun je haast niet anders dan constateren dat er onderweg ergens iets mis is gegaan.

De Skagentur dan, was het leuk? Ja, het grootste gedeelte van de tijd was het leuk. Iedereen kwam op vrijdag veilig aan in Skagen na een mooie fietstocht door duin en bos. We woonden met negen vrouwen in een comfortabel huis (de rest zat in een hotel). Overdag gingen we voornamelijk in groepjes op stap, de "stad" in of naar het strand, 's avonds uit eten. Twee avonden met de hele groep uit eten vond ik nogal vermoeiend. Dat kwam ten eerste doordat het Skagense restaurantwezen (nog) niet helemaal klaar was voor het hanteren van grote groepen, en ten tweede omdat Noren om de haverklap menen een toost te moeten uitbrengen. Ben je net aan het genieten van je vis en in gesprek met je tafelbuur en hup, er roept weer iemand skål. Waarvoor er dan geskåld wordt, is natuurlijk volslagen onduidelijk.
Zondag slaagde iedereen er wonder boven wonder in de fietstocht van Skagen naar Hirtshals zonder noemenswaardige problemen te volbrengen. Op de boot was het stil, al kan dat ook wat te maken hebben gehad met het feit dat ik mijn oordoppen in had. In de bus naar Risør was het echt stil.

Om kwart voor drie 's nachts stalde ik mijn fiets in de garage. Het begon al licht te worden. Snel naar bed, want de wekker moest op kwart over zes.

Ik heb een halve week nodig gehad om bij te komen van de Skagentur. Als het goed is, duurt het twee jaar tot de volgende tur, veertien maanden tot het moment van aanmelding. Veertien maanden om te bedenken of ik dit nog een keer wil, veertien maanden om me te buigen over een mogelijk dilemma. De Noren zijn er namelijk achter gekomen dat Nederland net zo lekker vlak is als Denemarken en dat het daar dus vast ook heerlijk fietsen is. En ehh, of ik niet in de commissie voor de volgende tur wilde...

zondag 8 juni 2008

Naar het strand

Het is al weken mooi weer hier en aangezien we op de meeste werkdagen niet later dan vier uur thuis zijn, kunnen we daar volop van genieten. Dat genieten deden we tot nu toe vooral op ons eigen terras, maar toen we het weerbericht voor het weekend zagen, waren we het er over eens dat er nu eindelijk eens een keer gezwommen moest worden.

Wij naar het strand. Een van de populairste zwemplekjes van Risør ligt niet ver bij ons huis vandaan. Een kindvriendelijk zandstrandje met grasveld en douche. Als we aankomen, tellen we er toch wel zeker zo'n 20 andere bezoekers, maar desondanks is er genoeg ruimte over om ons riant te installeren.
We lopen het water in en net als ik overweeg helemaal door te gaan, zie ik 'm drijven: een kwal! Oh-o, vergeten dat een fjord toch gewoon een soort van open zee is. "Ach, een paar kwalletjes", zegt John, "kijk dat jongetje maakt er ook geen probleem van". Hij wijst op een kleuter die bedachtzaam een witroze kwal in model kneedt. Maar ik hoef niet meer. Het eind van het liedje is dat John zwemt en ik terugwaad naar het strand.

Het zit me toch niet lekker dat ik niet verder ben gekomen dan een paar minuten pootjebaden. Ik wil in de herkansing, maar dan wel op een plek zonder kwallen. Dat moet dus een binnenwatertje worden. Op de kaart van Risør staat netjes aangegeven waar je kunt zwemmen. We zoeken een meertje uit en stappen in de auto, de kaart bij de hand. Dat laatste is geen overbodige luxe, want, zoals we al vermoedden, staat er nergens een bordje richting zwemwater.
We parkeren de auto in de berm van de grindweg, en vinden zowaar meteen een wandelpad. Na even spoorzoeken zien we ook het meertje. Nu nog een plek vinden waar we er in kunnen. Aan de overkant bij die rotsen misschien? We lopen het meertje driekwart rond (ja, inderdaad, andersom was handiger geweest...) en komen dan bij de rotspartij. Er is niemand, maar dit is duidelijk de zwemplek. Er is zelfs een natuurlijke, in de rotsen uitgesleten duik"plank".
John ligt al in het water en ik sta nog een beetje te schuifelen op de rots. Waar is de tijd dat ik zo het water in sprong? OK, daar ga ik, ik zwem!
Het water is lekker van temperatuur en helder. We hebben het meertje voor onszelf. Opdrogen op de privérots en weer naar huis. Van zwempartijen in Nederland herinner ik me dat ik bij thuiskomst liefst meteen onder de douche dook om waterplanten en een onbestemd gevoel van plakkerigheid van me af te spoelen, maar hier voel ik me alleen maar lekker opgefrist.
Jammer dat het zomerse weer bijna voorbij is.

woensdag 21 mei 2008

Met mij gaat het goed


bericht van Pebbles

Beste bloglezers,

Dat was schrikken afgelopen zaterdag. Ik kan me niet meer herinneren wat er gebeurd is, maar opeens lag ik tussen de brandnetels en kon ik niet meer voor- of achteruit. Eerst dacht ik nog dat mijn nieuwe vriend, de grote rode kater, me wel snel zou komen redden, maar toen die niet op kwam dagen en het donker werd, begon ik het een beetje benauwd te krijgen.

John en Emmy hingen natuurlijk voor de tv samen met Nelson, die luie broer van me. Maar uiteindelijk kwamen ze toch naar buiten. Ik wist niet hoe hard ik moest mauwen om hun aandacht te trekken. Ik geloof dat ze nogal schrokken toen ze me zagen. Geen wonder want ik kon niet op mijn achterpoten staan en mijn staart deed het ook niet meer. En ik verrekte natuurlijk van de pijn.

Niet veel later lag ik op de behandeltafel van de dierenarts. Die wilde een foto van me maken. Nou vraag ik je! Ik bedoel, welke zichzelf respecterende poes wil er nou op de foto als ze net 2 uur in de brandnetels heeft gelegen? Gelukkig bleek het om een of andere saaie zwart wit foto van mijn binnenkant te gaan. Een hele meevaller! De dierenarts zei dat de foto er goed uitzag. Ik begreep eerlijk gezegd niet wat-ie er aan vond, maar OK. Smaken verschillen, zullen we maar zeggen.
Voordat ik weer naar huis mocht, kreeg ik nog twee spuiten in mijn nek. Alsof ik niet al genoeg pijn had...

De volgende dag kreeg ik door dat het ook zo z'n voordelen heeft om aan je mand gekluisterd te zijn. Er werd een apart hoekje voor me ingericht met mijn bak, eten en drinken, mijn mand dus en mijn favoriete slaapkleedje. Alles binnen pootbereik. Best lekker! Ik voelde me alweer wat beter en besloot het er goed van te nemen. Eten, drinken, slapen, wat wil een poes nog meer? Dit kon ik nog wel een tijdje volhouden.

Vanochtend werd ik tot mijn schrik opeens weer in de auto geladen. Ja hoor, naar de dierenarts natuurlijk. Uit pure stress ging ik wat heen en weer lopen door de behandelkamer. Hee, ik kon weer lopen. Het deed nog wel pijn, maar het ging! iedereen blij. Ik ook natuurlijk. Alhoewel... Nu beginnen John en Emmy opeens te praten over revalideren, etensbakje verder weg zetten en dat soort grappen. Ik geloof dat het over is met het luie leventje. Nou ja, als ik dan toch weer in beweging moet komen, hoop ik maar dat ik snel naar buiten mag. Kan ik mijn rode vriend opzoeken. Hij mist me vast.

zondag 18 mei 2008

17 mei



17 mei

Dag van de grondwet, grootste nationale feestdag in Noorwegen.

De afgelopen weken werd er onophoudelijk over gepraat door iedereen om ons heen, de laatste dagen niet in het minst vanwege het weerbericht dat de koudste 17 mei in 50 jaar voorspelde.

Wij wisten niet zo goed wat we van onze eerste 17 mei in Noorwegen moesten verwachten. OK, er was netjes een dagprogramma gepubliceerd op de website van de gemeente en collega’s informeerden ons welwillend: “nou, eerst heb je dus de optocht van 7 uur (‘s ochtends), die is nogal statig, meer een herdenkingsoptocht, dan heb je later op de dag de kinderoptocht en tot slot de burgeroptocht. En veel mensen hebben die dag hun bunad (klederdracht) aan.” “Oh, ehh, en is er verder nog iets?” informeerden wij voorzichtig, denkend aan markthandel in oude troep, eetkraampjes, loterijen en spelletjes. “O ja, jazeker`’, was het antwoord, “op 17 mei eet iedereen ijs”.
Wat betreft dat ijs eten vroegen we ons af wat het verschil kon zijn tussen 17 mei en een gewone dag, want in onze ogen eten Noren altijd ijs, zomer en winter, weer of geen weer. Maar goed, het was wel duidelijk dat 17 mei iets is wat je moet meemaken wil je het begrijpen.

06.45
John gelooft het wel met de optocht van 7 uur, maar ik wil zoveel mogelijk zien vandaag en wandel daarom richting dorp. Hier en daar kom ik al mensen in bunad tegen. Er hangt een donkere lucht boven zee.

07.00
Salut met kanonschoten, en daar komt de optocht aan. Ik herken een paar collega’s. Ik maak wat foto’s en volg de stoet naar Kastellet, een oud stukje verdedigingsgrond aan zee. Terwijl ik naar de vlaggenzee kijk, bedenk ik dat je 17 mei niet alleen als een leuke feestdag kunt opvatten, maar ook als een tamelijk fanatieke vorm van nationalisme. Het is maar hoe je het bekijkt. Het motregent.

07.10
De stoetgangers proberen een plekje te vinden op en rond Kastellet. De motregen wordt een fikse bui. Ik steek mijn paraplu op.

07.20
Het stortregent. De paraplu kan het niet aan. Tijd voor ontbijt. Ik ga naar huis.

10.00
Het is droog en begint voorzichtig op te klaren! Gestoken in nette en ook een beetje feestelijke kleding begeven we ons richting dorp om de kinderoptocht te bekijken. Hierin loopt alles wat iets met school te maken heeft, van de allerkleinsten in de kinderopvang (in buggy) tot Risør Videregående. “Sluit aan”, gebaart een collge van John enthousiast. John gebarentaalt beleefd terug dat zijn eerste 17e mei bestaat uit het maken van foto’s. Foto’s van leerlingen in bunad (meisjes) en in pak (jongens), foto’s van ijs etende leerlingen. We groeten bekenden hier en daar. Op zo’n dag is het knus om in een dorp te wonen. We proberen er aan te wennen dat iedereen elkaar “gratulerer med dagen” toeroept, een uitspraak die wij vooral associeren met verjaardagen. Bij de bakker genieten we van koffie met marsepeintaart. Voor ijs vinden we het een beetje te koud.

15.00
Na een pauze van een uur of twee daal ik weer af naar dorp, nu om de burgeroptocht bij te wonen. Hierin lopen alle verenigingen mee en tot slot iedereen die nergens bij hoort, maar toch mee wil doen. De stemming zit er nog steeds goed in, al meen ik bij een collega die voor de derde keer die dag de vlag van het muziekkorps draagt, wat sporen van slijtage te bespeuren.

17.30
We bellen aan bij het huis van Jon Olav en Else. Zij hebben ons en nog een paar mensen uitgenodigd op de koffie. Koffie om half zes? Ja, Noren gaan er van uit dat je dan al gegeten hebt. Heb je onverhoopt niet gegeten, dan hoef je geen honger te lijden, want bij zo’n koffieafspraak is er taart in overvloed. Het is gezellig en ongedwongen. Leuk om eens anderen te spreken.

23.00
We willen tevreden ons bed in rollen, maar bedenken opeens dat we Pebbles niet meer gezien hebben sinds we haar twee uur eerder naar buiten lieten. Het is niks voor haar om zo lang weg te blijven. Na lang zoeken en roepen vinden we haar uiteindelijk zielig mauwend in de tuin tussen de brandnetels. Ze kan niet meer op haar achterpoten staan. Paniek! De weekenddierenarts stelt voor het een nachtje aan te kijken. Als het echt niet gaat, kunnen we komen, maar dan moeten we wel naar Grimstad (ruim een uur rijden). We kijken elkaar aan en denken allebei hetzelfde: “kunnen we het maken?” “Ik ga kijken of er nog licht brandt bij Erik”, zegt John, en vertrekt.

00.00
Erik, onze eigen dierenarts, die twee minuten lopen bij ons vandaan woont en praktijk heeft, bekijkt de röntgenfoto’s van Pebbles. “ik zie geen breuk”, zegt hij, “kijk, het ziet er netjes uit. Dat is goed nieuws.” Maar ze heeft wel iets aan haar rug waardoor ze weinig kan met achterpoten en staart. Is ze aangereden, of van een rots gevallen? We weten het niet. Injecties, pillen voor de komende dagen, laten rusten, dinsdag nog even langs komen en kijken hoe het zich ontwikkelt. Het kan een paar weken duren, maar de kans is groot dat ze herstelt.

00.45
We installeren Pebbles in de keuken en gaan eindelijk zelf ook slapen. 17 mei was een enerverende dag, in meerdere opzichten.