De zomertijd is ingegaan! Niet alleen de bekende klok-een-uur-vooruit zomertijd, maar ook de gemeentelijke zomertijd. Sinds 1 april eindigt mijn werkdag niet meer om 4 uur, maar om 3 uur 's middags. Voor wie zich afvraagt of ze in Noorwegen ook aan 1 april grappen doen: zeker, volop, elke krant heeft op die datum wel een zogenaamd nieuwtje gepubliseerd dat achteraf een grap bleek. Maar die werktijden, dat is dus geen grap.
Ik moet toegeven, het was wel even wennen om zo vroeg naar huis te gaan. Vooral de eerste dag toen er nog grote hopen sneeuw langs de kant van de weg lagen, ik blij was dat ik mijn handschoenen aan had en eigenlijk ook wenste dat ik mijn muts mee had genomen. Maar nu heeft de natuur het dan eindelijk ook begrepen. De zon schijnt volop, we hebben alweer op ons terras gezeten en de verwarming kan uit. Nu nog even de spijkerbanden verwisselen voor zomerbanden voordat we tegen een bekeuring aan rijden.
Wij zijn klaar voor de zomer en Risør is dat ook: de bootjes worden van stal gehaald en er is weer schepijs te koop.
De zomer duurt hier tot 1 oktober...
vrijdag 4 april 2008
donderdag 27 maart 2008
De Laatste Lift
Zoals Emmy in een eerder stukje al schreef: de belangrijkste reden dat we in de paasvakantie naar Røros gingen, was dat mijn ski's er nog lagen. Uitermate irritant natuurlijk, want als je dan toch in Noorwegen woont, wil je wel van tijd tot tijd op de lange latten staan. Omdat ik niet meteen bij Gørild - onze Noorse vriendin - terecht kon om mijn ski's op te halen, huurde ik de eerste paar dagen een snowboard. Het was alweer vier jaar geleden sinds ik daar voor het laatst op stond, en al te vaak heb ik het nog niet gedaan, dus ik was benieuwd. Het menselijk lichaam is een wonderlijk apparaat, zo bleek al snel. Na een paar bochtjes voelde het al weer enigszins vertrouwd, en een uurtje later draaide het alsof ik nooit anders gedaan had.
De laatste dag had ik echter voor het skiën bewaard. De omstandigheden waren schitterend: strakblauwe hemel, zonovergoten pistes en kakelverse poedersneeuw. Met een graadje of tien onder nul was het hooguit wat fris. In een van de weinige geslaagde liedjes die ik geschreven heb, komt dit zinnetje voor: The world, the past, the grief: we leave it all behind. Als dat voor mij ergens op van toepassing is, dan is het wel op skiën. Als ik op volle snelheid van de berg afsuis, de kanten van mijn ski's scherp de sneeuw in stuur en in een wervelend spel met zwaartekracht en berg al slalommend mijn weg naar beneden vind, weet ik het weer. Ik heb veel gesport in mijn leven, en ja, een fraai doelpunt, een geslaagde schouderworp, met een listig dropshot je opponent verrassen, een snoeiharde topspin forehand diagonaal over de tafel, een lob die net voor de baseline over je verbouwereerde tegenstander valt, in een onweerstaanbare eindsprint de concurrentie voorbijsnellen: het is allemaal fantastisch. Maar er is voor mij maar één sport die synoniem is met het ultieme geluksgevoel. De dag dat ik niet meer naar skiën verlang, is die ene dag die we allemaal gaan meemaken. De lift die me dan naar hemel of hel gaat brengen moet nog maar even wachten: eerst moet ik hier beneden de laatste lift halen!
De laatste dag had ik echter voor het skiën bewaard. De omstandigheden waren schitterend: strakblauwe hemel, zonovergoten pistes en kakelverse poedersneeuw. Met een graadje of tien onder nul was het hooguit wat fris. In een van de weinige geslaagde liedjes die ik geschreven heb, komt dit zinnetje voor: The world, the past, the grief: we leave it all behind. Als dat voor mij ergens op van toepassing is, dan is het wel op skiën. Als ik op volle snelheid van de berg afsuis, de kanten van mijn ski's scherp de sneeuw in stuur en in een wervelend spel met zwaartekracht en berg al slalommend mijn weg naar beneden vind, weet ik het weer. Ik heb veel gesport in mijn leven, en ja, een fraai doelpunt, een geslaagde schouderworp, met een listig dropshot je opponent verrassen, een snoeiharde topspin forehand diagonaal over de tafel, een lob die net voor de baseline over je verbouwereerde tegenstander valt, in een onweerstaanbare eindsprint de concurrentie voorbijsnellen: het is allemaal fantastisch. Maar er is voor mij maar één sport die synoniem is met het ultieme geluksgevoel. De dag dat ik niet meer naar skiën verlang, is die ene dag die we allemaal gaan meemaken. De lift die me dan naar hemel of hel gaat brengen moet nog maar even wachten: eerst moet ik hier beneden de laatste lift halen!
zaterdag 22 maart 2008
Napoli
Paasvakantie, in Noorwegen bestaat het nog. Hier is namelijk niet alleen tweede paasdag een feestdag, maar ook goede vrijdag en witte donderdag. Laat die Noren maar schuiven als het om feestdagen gaat!
Omdat iedereen met zoveel vrije dagen achter elkaar graag naar zijn hytte (tweede huisje) gaat en daar woensdag natuurlijk niet midden in de nacht wil aankomen, zijn veel mensen woensdagmiddag al vrij. Ach, eigenlijk kun je wel stellen dat er op maandag en dinsdag ook niet zo veel gewerkt wordt. En nu ik er aan terugdenk: halverwege vorige week begon het al vrij rustig te worden.
Als ijverig integrerende immigrant wil je natuurlijk niet achterblijven, dus wij ook op paasvakantie. Nu zijn we nog niet zo ver dat we een hytte hebben, we hebben zelfs nog geen goede kennissen met een hytte, maar dat mocht de pret niet drukken. We hadden namelijk twee bestemmingen: Sint-Pancras en Røros.
Op vrijdag 14 maart, de 80e verjaardag van mijn vader, stapten we rond lunchtijd (dat is hier om 11.30 uur) in de auto richting Oslo. Meestal gebruiken we dichterbij gelegen vliegvelden, maar met het oog op de doorreis naar Røros hadden we nu voor Oslo gekozen. Een kleine elf uur later deden we de achterdeur in Sint-Pancras open. Ik was benieuwd of mijn moeder onze komst geheim had weten te houden voor de jarige, maar toen we binnenkwamen zag ik meteen dat hij van niets wist. De verrassing was geslaagd!
Na een paar gezellige en gelukkig niet al te hectische dagen, vertrokken we dinsdag richting Røros. Dat we naar Røros gingen, was niet zozeer omdat John heimwee had naar zijn winterse bergdorp, maar omdat hij, toen hij er een kleine twee jaar geleden vertrok, "tijdelijk" wat spullen bij kennissen had opgeslagen. Wat het precies voor spullen waren (behalve zijn ski's), kon hij zich niet herinneren, maar het was hoe dan ook tijd om de boel eens op te halen. En een paar dagen skiën, daar hadden we natuurlijk ook wel zin in.
Oslo-Røros is nog best een flinke rit, zeker als je bedenkt dat we niet bepaald kilometervreters zijn en op een slechte dag elkaar ongeveer elk halfuur moeten afwisselen achter het stuur omdat we anders in slaap vallen. Maar we hadden een goede dag en reden lekker door.
Aan het begin van de avond moesten we beslissen wat we zouden doen met eten. We besloten ons geluk te beproeven in Koppang. Over Koppang valt niet zoveel te vertellen, behalve dat het in mijn ogen een typisch Noors plaatsje is: aan een rivier, tussen de heuvels, overdag waarschijnlijk idyllisch mooi. Toen wij er aan kwamen, was het er donker en stil. We reden het centrum binnen, waar we zagen dat we de keuze hadden uit twee restaurants: het ene zag er uit als een klassiek Noors restaurant. Zo te zien zater er geen gasten. Het andere had een uithangbord met "Restaurant Pizzeria Napoli", plastic kleedjes op de tafels en eveneens nul klanten. Dat werd nog lastig kiezen...
Omdat snelheid ons belangrijkste criterium was die avond, gingen we voor Napoli. Daar bleken ze niet alleen in pizza's en pasta's te doen, maar ook in Mexicaans, Grieks, Turks en hamburgers. Het eten kwam snel en smaakte zoals verwacht. Wat is dat toch hier? Bijna elk dorp heeft zijn eigen Napoli en vaak is het eten bij die "Napoli's" matig, of zeg maar: slecht. In het eerste het beste Nederlandse studentenhuis krijg je gegarandeerd betere pasta. En betere hamburgers, Mexicaanse hap enzovoort. Waarom kiezen die Napoli's er voor om van alles en nog wat te serveren en alles van belabberde kwaliteit? Hoe overleven ze in die kleine dorpen met nauwelijks klanten? Maar vooral: waarom zijn de uitbaters desondanks altijd goed gehumeurd?
Ja, de Noorse samenleving stelt ons voor vele raadsels. Napoli is er slechts één van.
Omdat iedereen met zoveel vrije dagen achter elkaar graag naar zijn hytte (tweede huisje) gaat en daar woensdag natuurlijk niet midden in de nacht wil aankomen, zijn veel mensen woensdagmiddag al vrij. Ach, eigenlijk kun je wel stellen dat er op maandag en dinsdag ook niet zo veel gewerkt wordt. En nu ik er aan terugdenk: halverwege vorige week begon het al vrij rustig te worden.
Als ijverig integrerende immigrant wil je natuurlijk niet achterblijven, dus wij ook op paasvakantie. Nu zijn we nog niet zo ver dat we een hytte hebben, we hebben zelfs nog geen goede kennissen met een hytte, maar dat mocht de pret niet drukken. We hadden namelijk twee bestemmingen: Sint-Pancras en Røros.
Op vrijdag 14 maart, de 80e verjaardag van mijn vader, stapten we rond lunchtijd (dat is hier om 11.30 uur) in de auto richting Oslo. Meestal gebruiken we dichterbij gelegen vliegvelden, maar met het oog op de doorreis naar Røros hadden we nu voor Oslo gekozen. Een kleine elf uur later deden we de achterdeur in Sint-Pancras open. Ik was benieuwd of mijn moeder onze komst geheim had weten te houden voor de jarige, maar toen we binnenkwamen zag ik meteen dat hij van niets wist. De verrassing was geslaagd!
Na een paar gezellige en gelukkig niet al te hectische dagen, vertrokken we dinsdag richting Røros. Dat we naar Røros gingen, was niet zozeer omdat John heimwee had naar zijn winterse bergdorp, maar omdat hij, toen hij er een kleine twee jaar geleden vertrok, "tijdelijk" wat spullen bij kennissen had opgeslagen. Wat het precies voor spullen waren (behalve zijn ski's), kon hij zich niet herinneren, maar het was hoe dan ook tijd om de boel eens op te halen. En een paar dagen skiën, daar hadden we natuurlijk ook wel zin in.
Oslo-Røros is nog best een flinke rit, zeker als je bedenkt dat we niet bepaald kilometervreters zijn en op een slechte dag elkaar ongeveer elk halfuur moeten afwisselen achter het stuur omdat we anders in slaap vallen. Maar we hadden een goede dag en reden lekker door.
Aan het begin van de avond moesten we beslissen wat we zouden doen met eten. We besloten ons geluk te beproeven in Koppang. Over Koppang valt niet zoveel te vertellen, behalve dat het in mijn ogen een typisch Noors plaatsje is: aan een rivier, tussen de heuvels, overdag waarschijnlijk idyllisch mooi. Toen wij er aan kwamen, was het er donker en stil. We reden het centrum binnen, waar we zagen dat we de keuze hadden uit twee restaurants: het ene zag er uit als een klassiek Noors restaurant. Zo te zien zater er geen gasten. Het andere had een uithangbord met "Restaurant Pizzeria Napoli", plastic kleedjes op de tafels en eveneens nul klanten. Dat werd nog lastig kiezen...
Omdat snelheid ons belangrijkste criterium was die avond, gingen we voor Napoli. Daar bleken ze niet alleen in pizza's en pasta's te doen, maar ook in Mexicaans, Grieks, Turks en hamburgers. Het eten kwam snel en smaakte zoals verwacht. Wat is dat toch hier? Bijna elk dorp heeft zijn eigen Napoli en vaak is het eten bij die "Napoli's" matig, of zeg maar: slecht. In het eerste het beste Nederlandse studentenhuis krijg je gegarandeerd betere pasta. En betere hamburgers, Mexicaanse hap enzovoort. Waarom kiezen die Napoli's er voor om van alles en nog wat te serveren en alles van belabberde kwaliteit? Hoe overleven ze in die kleine dorpen met nauwelijks klanten? Maar vooral: waarom zijn de uitbaters desondanks altijd goed gehumeurd?
Ja, de Noorse samenleving stelt ons voor vele raadsels. Napoli is er slechts één van.
donderdag 13 maart 2008
De snelweg
In Noorwegen is er gemiddeld beduidend minder wind dan in Nederland. Op ons terras profiteren we hier extra van, omdat ons huis tussen twee rotsen in ligt, waardoor we goed beschut kunnen zitten. Tot ons grote genoegen hebben we dit jaar dan ook al diverse keren lekker buiten op het terras gezeten, terwijl de thermometer niet meer dan een graad of vijf aangaf. Ongelofelijk maar waar. Zolang er weinig wind is en de zon schijnt, is het daar ronduit heerlijk.
Zo ook op een zondag, begin maart. Samen met de katten koesteren we ons in de voorzichtig plagende, maar o zo aangename zonnestralen, onder het genot van een kopje koffie. We verbazen ons er nog eens over dat we met deze temperatuur zonder jas en zonder te verkleumen buiten kunnen zitten. En die rust, heerlijk. Alleen wat vogels die de lente in hun kop hebben, verder niks. Of... Wat hoor ik daar voor irritant geruis op de achtergrond? Een oude ergernis dringt zich razendsnel naar boven, als een woekerend onkruid: verkeerslawaai, die vervloekte snelweg natuurlijk! Zonder na te denken floep ik er geïrriteerd uit: ‘Wat hoor ik daar toch voor vervelende ruis?’ Emmy kijkt me aan met een blik van ‘Waar heb ik deze sukkel toch aan verdiend,’ en zegt meewarig: ‘Da’s de zee, slimmerd’.
Oh ja, da’s waar ook, we wonen tegenwoordig aan zee. En de snelweg is hier toch wel een slordige twintig kilometer vandaan.
De achtergrondruis werd er niet minder door, maar klonk plotseling wel een stuk aangenamer.
Zo ook op een zondag, begin maart. Samen met de katten koesteren we ons in de voorzichtig plagende, maar o zo aangename zonnestralen, onder het genot van een kopje koffie. We verbazen ons er nog eens over dat we met deze temperatuur zonder jas en zonder te verkleumen buiten kunnen zitten. En die rust, heerlijk. Alleen wat vogels die de lente in hun kop hebben, verder niks. Of... Wat hoor ik daar voor irritant geruis op de achtergrond? Een oude ergernis dringt zich razendsnel naar boven, als een woekerend onkruid: verkeerslawaai, die vervloekte snelweg natuurlijk! Zonder na te denken floep ik er geïrriteerd uit: ‘Wat hoor ik daar toch voor vervelende ruis?’ Emmy kijkt me aan met een blik van ‘Waar heb ik deze sukkel toch aan verdiend,’ en zegt meewarig: ‘Da’s de zee, slimmerd’.
Oh ja, da’s waar ook, we wonen tegenwoordig aan zee. En de snelweg is hier toch wel een slordige twintig kilometer vandaan.
De achtergrondruis werd er niet minder door, maar klonk plotseling wel een stuk aangenamer.
zaterdag 16 februari 2008
Achtertuin
Het is zaterdag. John is in Nederland, de katten liggen te slapen, ik ben klaar met het verven van weer een paar muren en het is prachtig weer. Een mooi moment voor een wandeling. Ik heb bedacht dat ik mijn wandeling van vandaag in de achtertuin begin. Onze achtertuin bestaat uit bos en rots en gaat ergens op een onmogelijk te herkennen punt over in gemeentegrond. Door de tuin en verder door het gemeentebos loopt een paadje naar beneden. Daar komt het uit op een wandelpad langs de kust. Mijn pad van vandaag.
De eerste en laatste keer dat we het pad naar beneden namen, was in oktober. We hadden het huis net gekocht en gingen met de toen-nog-eigenaars de tuin door. Ik kon me niet precies meer herinneren hoe de route naar het wandelpad was, dus ik ging een beetje op goed geluk op pad.
Na een meter of 15 stuit ik op een den die dwars over het paadje ligt Zeker geveld door de storm van een paar weken geleden. Ik klauter er overheen en vervolg mijn weg. Nou ja, weg...Door de wirwar van struiken en takken is het pad nauwelijks meer herkenbaar. Uiteindelijk kom ik toch op het echte wandelpad aan. Dat loopt een stuk beter.
Bij een bankje op een rots blijf ik even staan. Het uitzicht is hier prachtig. De middagzon schijnt op de eilandjes voor de kust, de zee kabbelt rustig en de eerste meeuwen krijsen alweer. Op een mooie septemberdag had ik lang op dit bankje zitten lezen, niet wetend dat ik op een steenworp afstand van onze toekomstige achtertuin zat.
Na een tijdje wandelen kom ik bij een afslag. Die heb ik nog niet eerder genomen, maar als het goed is komt dit pad boven bij de weg uit en dan kan ik zo terug naar huis lopen. Het duurt niet zo lang of het duidelijke pad wordt een vaag klein paadje. Eigenlijk doet het me behoorlijk denken aan ons tuinpad. Boven me zie ik een huis en aangezien dit niet ons huis is, kan maar tot één conclusie komen: ik loop in de achtertuin van iemand anders.
Intussen behoorlijk zwetend baan ik me een weg naar boven. Daar word ik begroet door een opgewekte zestiger die in -inderdaad- zijn tuin aan het werk is. "Hee, gezellig dat je langskomt", zegt hij. "Je bent niet de eerste die door onze tuin boven komt", voegt hij er aan toe als ik me wil verontschuldigen. We babbelen nog een beetje sociaal en hij wijst me hoe ik bij de weg kom. Even later stamp ik met mijn bergschoenen over zijn keurige terras en langs zijn garage waarvan, zoals meestal hier, de deur wijd open staat. Daar is de weg. Een kwartiertje later ben ik weer thuis. Volgende keer misschien toch de kaart meenemen!
De eerste en laatste keer dat we het pad naar beneden namen, was in oktober. We hadden het huis net gekocht en gingen met de toen-nog-eigenaars de tuin door. Ik kon me niet precies meer herinneren hoe de route naar het wandelpad was, dus ik ging een beetje op goed geluk op pad.
Na een meter of 15 stuit ik op een den die dwars over het paadje ligt Zeker geveld door de storm van een paar weken geleden. Ik klauter er overheen en vervolg mijn weg. Nou ja, weg...Door de wirwar van struiken en takken is het pad nauwelijks meer herkenbaar. Uiteindelijk kom ik toch op het echte wandelpad aan. Dat loopt een stuk beter.
Bij een bankje op een rots blijf ik even staan. Het uitzicht is hier prachtig. De middagzon schijnt op de eilandjes voor de kust, de zee kabbelt rustig en de eerste meeuwen krijsen alweer. Op een mooie septemberdag had ik lang op dit bankje zitten lezen, niet wetend dat ik op een steenworp afstand van onze toekomstige achtertuin zat.
Na een tijdje wandelen kom ik bij een afslag. Die heb ik nog niet eerder genomen, maar als het goed is komt dit pad boven bij de weg uit en dan kan ik zo terug naar huis lopen. Het duurt niet zo lang of het duidelijke pad wordt een vaag klein paadje. Eigenlijk doet het me behoorlijk denken aan ons tuinpad. Boven me zie ik een huis en aangezien dit niet ons huis is, kan maar tot één conclusie komen: ik loop in de achtertuin van iemand anders.
Intussen behoorlijk zwetend baan ik me een weg naar boven. Daar word ik begroet door een opgewekte zestiger die in -inderdaad- zijn tuin aan het werk is. "Hee, gezellig dat je langskomt", zegt hij. "Je bent niet de eerste die door onze tuin boven komt", voegt hij er aan toe als ik me wil verontschuldigen. We babbelen nog een beetje sociaal en hij wijst me hoe ik bij de weg kom. Even later stamp ik met mijn bergschoenen over zijn keurige terras en langs zijn garage waarvan, zoals meestal hier, de deur wijd open staat. Daar is de weg. Een kwartiertje later ben ik weer thuis. Volgende keer misschien toch de kaart meenemen!
zondag 20 januari 2008
Ringveien 29 - deel 2: huizen kijken
Nu we onze vraagtekens bij het kopen van de kavel op Spirekleiv hadden gezet, diende zich de vraag aan wat het alternatief was. Een bestaande woning kopen natuurlijk, maar waar? Ondanks dat we een optie op een kavel hadden, hadden we al aardig wat huizen bekeken, deels uit nieuwgierigheid, deels om een beter beeld te krijgen van de markt.
Onze eerste serie bezichtigingen vond al plaats in mei, toen we net wisten dat we naar Risør zouden verhuizen. Een bezichtiging kun je hier op verschillende manieren regelen. Een van de meest gangbare manieren is het open huis. Dit wordt meestal georganiseerd direct nadat het huis op de markt is gekomen. De makelaar is dan aanwezig met folders en leidt de belangstellenden rond. Een open huis is vooral interessant voor woningen die goed in de markt liggen. Het idee is dat er meerdere belangstellenden zijn die tegen elkaar op gaan bieden waardoor het huis voor een goede prijs weggaat. Kun je niet naar het open huis dan kun je via de makelaar een afspraak maken voor een bezichtiging. Meestal word je dan rondgeleid door de bewoner en is de makelaar niet aanwezig. Staat het huis al leeg, dan vertelt de makelaar op welke plek in de schuur of brievenbus de sleutel ligt, zodat je zelf kunt gaan kijken. Je kunt ook op de gok naar een te koop staand huis toegaan en vragen of je even mag kijken. Grote kans dat het geen enkel probleem is.
Van die eerste serie bezichtigingen is me vooral bijgebleven dat we tot de conclusie kwamen dat het een hele kluif zou worden een leuk bestaand huis te vinden. Op de foto zagen de meeste woningen er nog wel aardig uit. Dat moet ik de makelaars nageven: zelfs het grootste krot weten ze nog leuk op de foto te zetten. Eenmaal ter plekke werden we echter geconfronteerd met de harde werkelijkheid. Om te beginnen was daar natuurlijk de authentieke Noorse keuken- en badinrichting. Ik ken niets in Nederland waarmee je die zou kunnen vergelijken. Het zal best bestaan hebben, maar dat moet dan lang voor onze tijd geweest zijn. Verder zijn er veel huizen die je gerust het etiket "project" kunt opplakken. Niet gewoon een project voor de handige doe-het-zelver, maar een project voor de superhandige, alleskunnende en vooral onvermoeibare doe-het-zelver.
Op een dag bekeken we een huis in Risør. We werden rondgeleid door de eigenaar die inmiddels naar Brazilië was verhuisd. De begane grond zag er al niet al te fantastisch uit, maar als je de jaren 70 decoratie wegdacht, was er nog wel iets van te maken. Toen kwamen we in de kelder. Of wat daar voor door moest gaan. Bouwput was misschien een betere benaming. "Ja", verklaarde de eigenaar, "ik was ooit van plan hier een zwembad te bouwen, maar het is niet helemaal afgekomen..."
De bezichtigingen die we vanaf augustus deden, verliepen iets beter. We leerden door de foto's heen kijken en kregen door welke dingen hier van belang zijn voor de prijs van een huis. Uitzicht op zee en een eigen aanlegplaats voor een boot staan boven aan de lijst van prijsverhogende elementen. Binnen een straal van 200 meter van Risør centrum doet het ook goed. Alles wat verder is, heet "buiten de stad" en levert minder op. Ruimte om het huis betekent weinig want er is hier ruimte zat.
Zo kwamen we bij een huis dat tussen Risør en onze camping in lag, op ongeveer een kwartier rijden van het centrum. Op een heuvel, uitzicht op de fjord, goede buitenruimte, in goede staat, grote garage. Er waren ook wat nadelen: kleine slaapkamers met schuine wand, een badkamer die zo was ingericht dat je alleen zittend in het bad kon douchen, een kelderverdieping waarvan de helft nog afgewerkt moest worden. Maar het was, om in makelaarstermen te spreken, een huis met mogelijkheden. We besloten een bod uit te brengen. Een bod doe je hier schriftelijk en als de verkoper ja zegt, is het direct bindend. Je kunt dus niet meer terug. Het was daarom prettig dat we wisten dat we de kavel terug konden geven, als we dat wilden. Om een lang verhaal kort te maken: we kwamen er niet uit met de verkoper. Wij wilden eigenlijk niet meer betalen dan de vraagprijs (anders dan in Nederland zet men hier vaak een vraagprijs in de advertentie die iets lager ligt dan het bedrag dat men uiteindelijk hoopt te vangen). De verkoper wilde 100.000 kronen meer hebben dan de vraagprijs. Geen onoverkomelijk bedrag, maar toch wilden we het niet op tafel leggen. Zou dat betekenen dat dit niet het huis voor ons was?
Er verscheen een nieuw huis op internet, in Risør zelf. Bij John op school werd er druk over gesproken. Het huis had een fantastisch uizicht op zee, er woonden nu Nederlanders, ze hadden er aardig wat aan gedaan sinds ze er ruim twee jaar geleden in waren getrokken. Moesten we daar misschien gaan kijken? We bekeken de foto's op internet, maar erg enthousiast werden we er niet van. "Niet interessant", besloot ik, "en bovendien te duur." Daarbij was de bezichtiging wat te vroeg voor mij (ik werkte toen nog in Arendal). John zag ook niet zo veel in het huis, maar aan de andere kant, hij was toch in de buurt op het tijdstip van het open huis. Dus hij besloot - grotendeels uit nieuwsgierigheid - te gaan kijken. Voor die verbijsterend hoge vraagprijs moest toch een reden zijn?
Onze eerste serie bezichtigingen vond al plaats in mei, toen we net wisten dat we naar Risør zouden verhuizen. Een bezichtiging kun je hier op verschillende manieren regelen. Een van de meest gangbare manieren is het open huis. Dit wordt meestal georganiseerd direct nadat het huis op de markt is gekomen. De makelaar is dan aanwezig met folders en leidt de belangstellenden rond. Een open huis is vooral interessant voor woningen die goed in de markt liggen. Het idee is dat er meerdere belangstellenden zijn die tegen elkaar op gaan bieden waardoor het huis voor een goede prijs weggaat. Kun je niet naar het open huis dan kun je via de makelaar een afspraak maken voor een bezichtiging. Meestal word je dan rondgeleid door de bewoner en is de makelaar niet aanwezig. Staat het huis al leeg, dan vertelt de makelaar op welke plek in de schuur of brievenbus de sleutel ligt, zodat je zelf kunt gaan kijken. Je kunt ook op de gok naar een te koop staand huis toegaan en vragen of je even mag kijken. Grote kans dat het geen enkel probleem is.
Van die eerste serie bezichtigingen is me vooral bijgebleven dat we tot de conclusie kwamen dat het een hele kluif zou worden een leuk bestaand huis te vinden. Op de foto zagen de meeste woningen er nog wel aardig uit. Dat moet ik de makelaars nageven: zelfs het grootste krot weten ze nog leuk op de foto te zetten. Eenmaal ter plekke werden we echter geconfronteerd met de harde werkelijkheid. Om te beginnen was daar natuurlijk de authentieke Noorse keuken- en badinrichting. Ik ken niets in Nederland waarmee je die zou kunnen vergelijken. Het zal best bestaan hebben, maar dat moet dan lang voor onze tijd geweest zijn. Verder zijn er veel huizen die je gerust het etiket "project" kunt opplakken. Niet gewoon een project voor de handige doe-het-zelver, maar een project voor de superhandige, alleskunnende en vooral onvermoeibare doe-het-zelver.
Op een dag bekeken we een huis in Risør. We werden rondgeleid door de eigenaar die inmiddels naar Brazilië was verhuisd. De begane grond zag er al niet al te fantastisch uit, maar als je de jaren 70 decoratie wegdacht, was er nog wel iets van te maken. Toen kwamen we in de kelder. Of wat daar voor door moest gaan. Bouwput was misschien een betere benaming. "Ja", verklaarde de eigenaar, "ik was ooit van plan hier een zwembad te bouwen, maar het is niet helemaal afgekomen..."
De bezichtigingen die we vanaf augustus deden, verliepen iets beter. We leerden door de foto's heen kijken en kregen door welke dingen hier van belang zijn voor de prijs van een huis. Uitzicht op zee en een eigen aanlegplaats voor een boot staan boven aan de lijst van prijsverhogende elementen. Binnen een straal van 200 meter van Risør centrum doet het ook goed. Alles wat verder is, heet "buiten de stad" en levert minder op. Ruimte om het huis betekent weinig want er is hier ruimte zat.
Zo kwamen we bij een huis dat tussen Risør en onze camping in lag, op ongeveer een kwartier rijden van het centrum. Op een heuvel, uitzicht op de fjord, goede buitenruimte, in goede staat, grote garage. Er waren ook wat nadelen: kleine slaapkamers met schuine wand, een badkamer die zo was ingericht dat je alleen zittend in het bad kon douchen, een kelderverdieping waarvan de helft nog afgewerkt moest worden. Maar het was, om in makelaarstermen te spreken, een huis met mogelijkheden. We besloten een bod uit te brengen. Een bod doe je hier schriftelijk en als de verkoper ja zegt, is het direct bindend. Je kunt dus niet meer terug. Het was daarom prettig dat we wisten dat we de kavel terug konden geven, als we dat wilden. Om een lang verhaal kort te maken: we kwamen er niet uit met de verkoper. Wij wilden eigenlijk niet meer betalen dan de vraagprijs (anders dan in Nederland zet men hier vaak een vraagprijs in de advertentie die iets lager ligt dan het bedrag dat men uiteindelijk hoopt te vangen). De verkoper wilde 100.000 kronen meer hebben dan de vraagprijs. Geen onoverkomelijk bedrag, maar toch wilden we het niet op tafel leggen. Zou dat betekenen dat dit niet het huis voor ons was?
Er verscheen een nieuw huis op internet, in Risør zelf. Bij John op school werd er druk over gesproken. Het huis had een fantastisch uizicht op zee, er woonden nu Nederlanders, ze hadden er aardig wat aan gedaan sinds ze er ruim twee jaar geleden in waren getrokken. Moesten we daar misschien gaan kijken? We bekeken de foto's op internet, maar erg enthousiast werden we er niet van. "Niet interessant", besloot ik, "en bovendien te duur." Daarbij was de bezichtiging wat te vroeg voor mij (ik werkte toen nog in Arendal). John zag ook niet zo veel in het huis, maar aan de andere kant, hij was toch in de buurt op het tijdstip van het open huis. Dus hij besloot - grotendeels uit nieuwsgierigheid - te gaan kijken. Voor die verbijsterend hoge vraagprijs moest toch een reden zijn?
zondag 6 januari 2008
Winter
Een witte kerst zat er niet in, maar woensdagnacht was het dan zo ver: het sneeuwde!
Donderdagochtend lag er een dun laagje en volgens de weerdeskundigen zou het daar niet bij blijven. Zuid-Noorwegen (of liever: het zuiden van Zuid-Noorwegen, want Zuid-Noorwegen begint al op een plek die naar Nederlandse maatstaven behoorlijk noordelijk ligt) bereidde zich voor op zware sneeuwval. Een klein jaar geleden leidde een meter sneeuw in korte tijd hier in de omgeving tot enorme chaos. Er werd dus druk gespeculeerd over hoe het nu zou verlopen. Zouden de sneeuwschuivers hun werk behoorlijk doen, zouden de mensen het advies opvolgen om lekker binnen te blijven? De internetkrant hield zelfs een poll: "Rijden de mensen in Zuid-Noorwegen slechter onder winterse omstandigheden dan de gemiddelde Noor?".
Bij ons in het dorp ligt zo'n 40-50 centimeter sneeuw. De sneeuwschuiver kwam regelmatig door de straat en schoof de sneeuw netjes aan de kant. Na een dag was er zo een behoorlijke sneeuwmuur ontstaan, waarachter onze auto's stonden... Ja, dat wisten we vantevoren, maar echt praktisch is het natuurlijk niet. Wel lekker dat we lopend naar ons werk kunnen! Gisteren en vandaag zijn we heel wat uurtjes zoet geweest met sneeuwschuiven. De vorige bewoners hadden hun schuiver gelukkig voor ons achtergelaten.
Het paadje naar het huis is weer begaanbaar, één van de auto's hebben we uit de sneeuw bevrijd en de postbode kan weer normaal bij de brievenbus komen. De sneeuw storten we in de kloof die ons huis van dat van de buren scheidt. Meteen kennis gemaakt met de buurman die "zijn" sneeuw in dezelfde kloof stort.
Na het harde werken volgde het NK sprint via internet om lekker in de winterse stemming te blijven. Het ziet er leuk uit, die witte wereld, maar de sneeuwbuien mogen van mij wel weer even wegblijven.
Chaos werd het overigens niet, al was de uitslag van de poll niet zo bemoedigend: volgens 60% van de inzenders rijden wij, Sørlendinger, slechter op winterse wegen dan de gemiddelde Noor :-(
zondag 23 december 2007
Ringveien 29 - Deel 1: bouwen of niet bouwen?
Sinds een week wonen we op Ringveien 29 en dat is nieuws. Niet alleen omdat een nieuw huis nu eenmaal altijd nieuws is, maar vooral omdat we helemaal niet op Ringveien 29 zouden gaan wonen. We zouden immers een huis gaan bouwen op Spirekleiv 15. Wat is dit nu toch allemaal? Een verslag -in nog onbekend aantal delen- van onze jacht op een plek om te wonen.
Zoals eerder op de blog te lezen was, hadden we na ons bezoek aan Risør in mei een kavel gereserveerd op Spirekleiv, een kavelgebiedje vlak bij de camping waar we een tijdelijk onderkomen hadden geregeld. Op grond van gesprekken met verschillende bewoners van Spirekleiv, met mensen van de gemeente (ja, diezelfde mensen met wie ik nu een paar keer per week in de kantine mijn boterhammen eet), en met bouwers, dachten we dat we een redelijke indruk hadden van de mogelijkheden en de kosten.
Toen de eerste drukte met het regelen van bankrekeningen en verblijfsvergunningen achter de rug was, stortten we ons dan ook vol overgave op het project “huis bouwen”. Het was het begin van een ontelbaar aantal gesprekken en mailwisselingen met Agnar, Anders en Jan, en dan noem ik nog niet eens de bouwers die na een eerste kennismaking weer afvielen. We bekeken tekeningen, aangepaste tekeningen en materialen. De bouwmannen kwamen stuk voor stuk naar de kavel waar de één fronsend iets mompelde in de trant van “best wel steil” en de ander uitriep “schitterende plek”. Op een zonnige weekenddag huurden we zelfs een motorbootje van onze vrienden van de camping om vanaf de fjord een foto van de kavel te nemen, waarop het toekomstige huis ingetekend zou kunnen worden. Wel zo handig voor het insturen van de bouwaanvraag naar de gemeente. Die zou dan makkelijk kunnen beoordelen of het door ons gekozen huistype goed in de omgeving paste.
We hadden het er druk mee... en we gingen twijfelen. Het werd al snel duidelijk dat het een behoorlijk prijzig project zou worden. Vraag 1 was dan ook “kunnen we dat betalen?” (want we hadden nog maar één vast inkomen), en vraag 2 “willen we dat betalen?”. We gingen eerst maar eens praten met onze eigen bank. Die zag geen probleem. De lening kon er komen. Dat ik op dat moment nog geen vaste baan had, was geen belemmering. Ze kenden ons immers, dat zat wel goed. Dat was dus positief, maar we waren nog steeds in twijfel. Moesten we het “goedkoop” houden en een huis bouwen dat eigenlijk niet helemaal was zoals we wilden? Dat was niet het idee dat we hadden toen we de kavel reserveerden. Moesten we bouwen wat we graag wilden en de hoge kosten voor lief nemen? Was het dan eigenlijk wel een verstandige investering? Dat vroeg om nader onderzoek. Via het kadaster vonden we uit wat niet zo lang geleden verkochte huizen op Spirekleiv hadden opgebracht. Daar werden we niet vrolijk van. De bouw van ons huis zou veel meer kosten en het huis zou bij een eventuele verkoop dus ook veel meer moeten opbrengen dan de buurhuizen. Dat was geen gunstig scenario.
Tijd voor een telefoontje naar de gemeente: “Zeg eh, wat als we die kavel nou toch niet willen?” (de termijn waarbinnen we de gemeente moesten betalen, was nog niet verstreken).
“Nou”, luidde het antwoord, “als je het allemaal niet rond kunt krijgen, dan stuur je gewoon een brief dat je ervan afziet, en dan halen we de reservering van jullie naam af”. Zonder kosten, want we zijn hier natuurlijk niet in Nederland...
Ha, dat gaf lucht. We hadden al een paar keer wat huizen bezichtigd om een indruk te krijgen van wat er te koop was, en nu konden we er ook voor kiezen om een bestaand huis te kopen. Mogelijkheden genoeg dus, maar om nou te zeggen dat de situatie er eenvoudiger op werd...
Zoals eerder op de blog te lezen was, hadden we na ons bezoek aan Risør in mei een kavel gereserveerd op Spirekleiv, een kavelgebiedje vlak bij de camping waar we een tijdelijk onderkomen hadden geregeld. Op grond van gesprekken met verschillende bewoners van Spirekleiv, met mensen van de gemeente (ja, diezelfde mensen met wie ik nu een paar keer per week in de kantine mijn boterhammen eet), en met bouwers, dachten we dat we een redelijke indruk hadden van de mogelijkheden en de kosten.
Toen de eerste drukte met het regelen van bankrekeningen en verblijfsvergunningen achter de rug was, stortten we ons dan ook vol overgave op het project “huis bouwen”. Het was het begin van een ontelbaar aantal gesprekken en mailwisselingen met Agnar, Anders en Jan, en dan noem ik nog niet eens de bouwers die na een eerste kennismaking weer afvielen. We bekeken tekeningen, aangepaste tekeningen en materialen. De bouwmannen kwamen stuk voor stuk naar de kavel waar de één fronsend iets mompelde in de trant van “best wel steil” en de ander uitriep “schitterende plek”. Op een zonnige weekenddag huurden we zelfs een motorbootje van onze vrienden van de camping om vanaf de fjord een foto van de kavel te nemen, waarop het toekomstige huis ingetekend zou kunnen worden. Wel zo handig voor het insturen van de bouwaanvraag naar de gemeente. Die zou dan makkelijk kunnen beoordelen of het door ons gekozen huistype goed in de omgeving paste.
We hadden het er druk mee... en we gingen twijfelen. Het werd al snel duidelijk dat het een behoorlijk prijzig project zou worden. Vraag 1 was dan ook “kunnen we dat betalen?” (want we hadden nog maar één vast inkomen), en vraag 2 “willen we dat betalen?”. We gingen eerst maar eens praten met onze eigen bank. Die zag geen probleem. De lening kon er komen. Dat ik op dat moment nog geen vaste baan had, was geen belemmering. Ze kenden ons immers, dat zat wel goed. Dat was dus positief, maar we waren nog steeds in twijfel. Moesten we het “goedkoop” houden en een huis bouwen dat eigenlijk niet helemaal was zoals we wilden? Dat was niet het idee dat we hadden toen we de kavel reserveerden. Moesten we bouwen wat we graag wilden en de hoge kosten voor lief nemen? Was het dan eigenlijk wel een verstandige investering? Dat vroeg om nader onderzoek. Via het kadaster vonden we uit wat niet zo lang geleden verkochte huizen op Spirekleiv hadden opgebracht. Daar werden we niet vrolijk van. De bouw van ons huis zou veel meer kosten en het huis zou bij een eventuele verkoop dus ook veel meer moeten opbrengen dan de buurhuizen. Dat was geen gunstig scenario.
Tijd voor een telefoontje naar de gemeente: “Zeg eh, wat als we die kavel nou toch niet willen?” (de termijn waarbinnen we de gemeente moesten betalen, was nog niet verstreken).
“Nou”, luidde het antwoord, “als je het allemaal niet rond kunt krijgen, dan stuur je gewoon een brief dat je ervan afziet, en dan halen we de reservering van jullie naam af”. Zonder kosten, want we zijn hier natuurlijk niet in Nederland...
Ha, dat gaf lucht. We hadden al een paar keer wat huizen bezichtigd om een indruk te krijgen van wat er te koop was, en nu konden we er ook voor kiezen om een bestaand huis te kopen. Mogelijkheden genoeg dus, maar om nou te zeggen dat de situatie er eenvoudiger op werd...
zaterdag 17 november 2007
Noors voor Nederlanders
Welkom bij de cursus Noors voor Nederlanders. Een nieuwe taal leren valt niet mee. We beginnen daarom met woorden die u al kent. Het volgende rijtje woorden kunt u zonder problemen gebruiken in Noorwegen. Kijk er even rustig naar:
ark
bil
bom
bord
gul
kast
lek
mat
middag
rommelig
stift
straks
storting
Makkelijk, toch? Maar pas op: het is niet altijd wat u denkt dat het is. Hieronder hetzelfde rijtje nog een keer, maar dan met de Nederlandse betekenis erachter:
ark - blad papier
bil - auto
bom - slagboom
bord - tafel
gul - geel
kast - worp
lek - spel
mat - eten (voedsel)
middag - avondeten
rommelig - ruim
stift - nietje
straks - nu meteen
storting - parlement
In sommige gevallen wordt het Noorse woord anders uitgesproken dan hetzelfde woord in het Nederlands. Omdat dit een schriftelijke cursus is, gaan we hier niet op de uitspraak in. Voor de cursus spreekvaardigheid bent van harte welkom in ons trainingscentrum in Risør.
Graag tot ziens!
ark
bil
bom
bord
gul
kast
lek
mat
middag
rommelig
stift
straks
storting
Makkelijk, toch? Maar pas op: het is niet altijd wat u denkt dat het is. Hieronder hetzelfde rijtje nog een keer, maar dan met de Nederlandse betekenis erachter:
ark - blad papier
bil - auto
bom - slagboom
bord - tafel
gul - geel
kast - worp
lek - spel
mat - eten (voedsel)
middag - avondeten
rommelig - ruim
stift - nietje
straks - nu meteen
storting - parlement
In sommige gevallen wordt het Noorse woord anders uitgesproken dan hetzelfde woord in het Nederlands. Omdat dit een schriftelijke cursus is, gaan we hier niet op de uitspraak in. Voor de cursus spreekvaardigheid bent van harte welkom in ons trainingscentrum in Risør.
Graag tot ziens!
zondag 11 november 2007
De baan of de buurvrouw?
“Wat ben jij nou aan het doen?”, vraagt John als hij me met een verbeten gezicht achter de computer ziet zitten. “Ik solliciteer bij de gemeente Risør”, mompel ik. Ik werkte nog niet zo lang bij Sevan Marine en was eigenlijk niet van plan om met andere sollicitaties aan de slag te gaan, totdat mijn oog viel op de advertentie van de gemeente. Een baan als personeelsadviseur is in een kleine stad als Risør niet zo makkelijk te vinden. Hier moest ik gewoon op solliciteren.
Net als in Nederland staan in Noorwegen de kranten bol van het dreigende personeelstekort in bepaalde sectoren. Je zou dan ook verwachten dat er voor sollicitanten zo weinig mogelijk drempels worden opgeworpen. Helaas.... Niet alleen komt er vaak geen of heel trage respons van bedrijven, om je sollicitatie ingestuurd te krijgen moet je al heel wat hindernissen nemen. De grootste hindernis heet Het Elektronische Sollicitatieformulier. Niks leuke brief en mooi vormgegeven cv, nee, je moet een aantal voorgeprogrammeerde velden invullen die natuurlijk zijn bedacht door iemand die de Noorse situatie als uitgangspunt heeft genomen. Vooral voor het onderdeel opleiding is dat lastig. Het onderwijssysteem is hier zo anders dan in Nederland dat je nooit precies kunt weergeven wat je gedaan hebt. De opeennagrootste hindernis wordt overigens niet gevormd door de formulieren, maar door het feit dat we hier op de camping een matige internetverbinding hebben. Zaken als internetbankieren en gegevens downloaden stellen daardoor je geduld danig op de proef. En dus ook het insturen van voorgeprogrammeerde sollicitatieformulieren. Maar goed, na een uurtje ploeteren verscheen de automatische ontvangstbevestiging op mijn scherm: ik had gesolliciteerd!
Drie weken later stap ik op een vrijdagochtend het gemeentehuis binnen. Jawel, ik ben uitgenodigd voor een gesprek. Eerlijk gezegd heb ik er niet zo heel veel verwachtingen van, maar tot mijn verrassing wordt het een leuk gesprek met het hoofd personeelszaken, het hoofd ondersteunende diensten en een vertrouwenspersoon/bondsman. Als ik anderhalf uur later weer buiten sta, weet ik dat ik deze baan graag wil. Maar er komen nog vier andere kandidaten en ik tuf gewoon weer naar Arendal om de rest van de dag bij Sevan Marine door te brengen.
Nog een week later sta ik opeens voor een dilemma: ik mag kiezen tussen twee aanbiedingen! Sevan Marine wil me graag overnemen van Adecco en de gemeente Risør heeft mij uitgekozen uit het vijftal dat op gesprek is geweest. De baan bij Sevan afslaan is net zoiets als een staatslot met het winnende nummer in de sloot gooien, op financieel gebied dan. De keerzijde van de arbeidsvoorwaardenmedaille is een matig leuke baan en redelijk wat reistijd. De baan in Risør betekent minder geld, maar waarschijnlijk leuker werk en kortere reistijd (straks zelfs lopend naar het werk). Bij die baan speelt echter ook nog iets anders mee: de buurvrouw. De toekomstige buurvrouw wel te verstaan, tevens echtgenote van een collega van John. Op de dag dat de gemeente mij belt om me de baan aan te bieden, wordt John aangesproken door zijn collega. “Zeg, hoe gaat het eigenlijk met het werk van je vriendin?”, vraagt die. Niet zo’n gekke vraag, er wordt regelmatig belangstellend geïnformeerd naar ons wel een wee. John vertelt van de twee aanbiedingen. “Maar ik denk dat ze voor Risør gaat kiezen”, zegt hij erbij. “Ja ehhh, dat is eigenlijk ook een reden dat ik het vraag”, zegt de collega, “mijn vrouw heeft ook op die baan bij de gemeente gesolliciteerd en zij is in de procedure op de tweede plaats geëindigd.” Oeps...
Voor wie zich afvraagt hoe hij kon weten dat ik “eerste” was geworden in de sollicitatieprocedure: in Noorwegen zijn sollicitaties bij de overheid openbaar. Dat betekent dat je als sollicitant altijd informatie mag opvragen over je concurrenten. Zo kun je na afloop ook de ranglijst zien van de mensen die op gesprek zijn geweest, in mijn geval dus hoe de indeling van plek 1 t/m 5 was. Zegt nummer 1 nee, dan komt nummer 2 aan de beurt enzovoort.
In dit geval zei de nummer 1 ja. Vanaf morgen ben ik ambtenaar.
Sorry buuf!
Net als in Nederland staan in Noorwegen de kranten bol van het dreigende personeelstekort in bepaalde sectoren. Je zou dan ook verwachten dat er voor sollicitanten zo weinig mogelijk drempels worden opgeworpen. Helaas.... Niet alleen komt er vaak geen of heel trage respons van bedrijven, om je sollicitatie ingestuurd te krijgen moet je al heel wat hindernissen nemen. De grootste hindernis heet Het Elektronische Sollicitatieformulier. Niks leuke brief en mooi vormgegeven cv, nee, je moet een aantal voorgeprogrammeerde velden invullen die natuurlijk zijn bedacht door iemand die de Noorse situatie als uitgangspunt heeft genomen. Vooral voor het onderdeel opleiding is dat lastig. Het onderwijssysteem is hier zo anders dan in Nederland dat je nooit precies kunt weergeven wat je gedaan hebt. De opeennagrootste hindernis wordt overigens niet gevormd door de formulieren, maar door het feit dat we hier op de camping een matige internetverbinding hebben. Zaken als internetbankieren en gegevens downloaden stellen daardoor je geduld danig op de proef. En dus ook het insturen van voorgeprogrammeerde sollicitatieformulieren. Maar goed, na een uurtje ploeteren verscheen de automatische ontvangstbevestiging op mijn scherm: ik had gesolliciteerd!
Drie weken later stap ik op een vrijdagochtend het gemeentehuis binnen. Jawel, ik ben uitgenodigd voor een gesprek. Eerlijk gezegd heb ik er niet zo heel veel verwachtingen van, maar tot mijn verrassing wordt het een leuk gesprek met het hoofd personeelszaken, het hoofd ondersteunende diensten en een vertrouwenspersoon/bondsman. Als ik anderhalf uur later weer buiten sta, weet ik dat ik deze baan graag wil. Maar er komen nog vier andere kandidaten en ik tuf gewoon weer naar Arendal om de rest van de dag bij Sevan Marine door te brengen.
Nog een week later sta ik opeens voor een dilemma: ik mag kiezen tussen twee aanbiedingen! Sevan Marine wil me graag overnemen van Adecco en de gemeente Risør heeft mij uitgekozen uit het vijftal dat op gesprek is geweest. De baan bij Sevan afslaan is net zoiets als een staatslot met het winnende nummer in de sloot gooien, op financieel gebied dan. De keerzijde van de arbeidsvoorwaardenmedaille is een matig leuke baan en redelijk wat reistijd. De baan in Risør betekent minder geld, maar waarschijnlijk leuker werk en kortere reistijd (straks zelfs lopend naar het werk). Bij die baan speelt echter ook nog iets anders mee: de buurvrouw. De toekomstige buurvrouw wel te verstaan, tevens echtgenote van een collega van John. Op de dag dat de gemeente mij belt om me de baan aan te bieden, wordt John aangesproken door zijn collega. “Zeg, hoe gaat het eigenlijk met het werk van je vriendin?”, vraagt die. Niet zo’n gekke vraag, er wordt regelmatig belangstellend geïnformeerd naar ons wel een wee. John vertelt van de twee aanbiedingen. “Maar ik denk dat ze voor Risør gaat kiezen”, zegt hij erbij. “Ja ehhh, dat is eigenlijk ook een reden dat ik het vraag”, zegt de collega, “mijn vrouw heeft ook op die baan bij de gemeente gesolliciteerd en zij is in de procedure op de tweede plaats geëindigd.” Oeps...
Voor wie zich afvraagt hoe hij kon weten dat ik “eerste” was geworden in de sollicitatieprocedure: in Noorwegen zijn sollicitaties bij de overheid openbaar. Dat betekent dat je als sollicitant altijd informatie mag opvragen over je concurrenten. Zo kun je na afloop ook de ranglijst zien van de mensen die op gesprek zijn geweest, in mijn geval dus hoe de indeling van plek 1 t/m 5 was. Zegt nummer 1 nee, dan komt nummer 2 aan de beurt enzovoort.
In dit geval zei de nummer 1 ja. Vanaf morgen ben ik ambtenaar.
Sorry buuf!
dinsdag 6 november 2007
De Kapper, de Tafel en de Boer
Het Noors is geen al te moeilijke taal voor Nederlanders. Voor de beginnende leerling Noors zijn er echter toch tal van valkuilen. Om te beginnen kent Noorwegen twee officiële talen, die alle kinderen op school moeten leren. Je hebt ‘rijkstaal’ (bokmål – letterlijk ‘boekentaal’) en ‘nieuw Noors’ (nynorsk), welke behoorlijk van elkaar verschillen. Het Samisch, dat ook officieel erkend is, wordt alleen door de Samische minderheid in het hoge noorden gesproken en reken ik voor het gemak niet eens mee. Maar het Grote Struikelblok ligt ergens anders: de talloze dialecten. Als ik beweer dat er geen Noor is die ‘Algemeen Beschaafd Noors’ spreekt, overdrijf ik eigenlijk nauwelijks. In mijn ‘eerste Noorse periode’ in Røros ben ik door de plaatselijke bevolking dan ook vaak voor onoplosbare taalraadsels gesteld.
De Noren zijn vrijwel allemaal trots op hun eigen aftakking van het ABN. Zo ook mijn kapper. Na mij gecomplimenteerd te hebben met mijn Noors, merkt hij op dat ik het vast moeilijk heb met al die dialecten. “Ik kom bijvoorbeeld uit een streek die Austre Moland heet,” vertelt hij, “en daar hebben we ook een heel eigen dialect. Zo zeggen wij bijvoorbeeld ‘veke’ in plaats van ‘uke’.”
Nu spreek je ‘veke’ ongeveer uit als ‘weehke’, dus de relatie met het Nederlandse ‘week’ is al snel gelegd. Bovendien kende ik dit dialectwoord al, omdat het behoorlijk vaak gebruikt wordt. “Oh, maar dat is bijna Nederlands,” zeg ik dan ook, “wij zeggen ‘week’.” De kapper bromt wat, maar laat zich niet uit het veld slaan. “In plaats van ‘nå’ (spreek uit als ‘noh’) zeggen wij ‘nu’,” gaat hij onverstoorbaar verder. In de spiegel zie ik hem glimlachen. ‘Daar heeft hij niet van terug,’ lijkt hij te denken. Als ik geamuseerd vertel dat ‘nu’ een gewoon Nederlands woord is, zie ik direct dat dit niet de gewenste reactie is. Zijn gezicht verstrakt iets, de schaar schiet uit en hij knipt een flinke hak in mijn haar. Oei. Ik schrik ervan.
Een stilte van enkele minuten volgt. Door de spanning die plotseling in de lucht hangt weet ik even geen nieuw gespreksonderwerp te bedenken. Gelukkig doorbreekt de kapper het stilzwijgen met zijn laatste troef. “In plaats van ‘bord’ (spreek uit als ‘boer’) zeggen wij ‘taffel’.”
Triomfantelijk kijkt hij me via de spiegel aan. Ik kan een schaterlach bijna niet onderdrukken, maar weet me in te houden. De beste man is de enige betaalbare kapper in het dorp, dus ik zal me er van tijd tot tijd toch moeten melden. Er ontsnapt nog wel een vreemd geluid uit mijn mond, maar uiteindelijk weet ik met een redelijk serieus gezicht uit te brengen: “Taffel, tjonge jonge, dat is inderdaad iets heel anders dan ‘bord’. Ik ben blij dat niet iedereen dat dialect van jullie spreekt.”
De Noren zijn vrijwel allemaal trots op hun eigen aftakking van het ABN. Zo ook mijn kapper. Na mij gecomplimenteerd te hebben met mijn Noors, merkt hij op dat ik het vast moeilijk heb met al die dialecten. “Ik kom bijvoorbeeld uit een streek die Austre Moland heet,” vertelt hij, “en daar hebben we ook een heel eigen dialect. Zo zeggen wij bijvoorbeeld ‘veke’ in plaats van ‘uke’.”
Nu spreek je ‘veke’ ongeveer uit als ‘weehke’, dus de relatie met het Nederlandse ‘week’ is al snel gelegd. Bovendien kende ik dit dialectwoord al, omdat het behoorlijk vaak gebruikt wordt. “Oh, maar dat is bijna Nederlands,” zeg ik dan ook, “wij zeggen ‘week’.” De kapper bromt wat, maar laat zich niet uit het veld slaan. “In plaats van ‘nå’ (spreek uit als ‘noh’) zeggen wij ‘nu’,” gaat hij onverstoorbaar verder. In de spiegel zie ik hem glimlachen. ‘Daar heeft hij niet van terug,’ lijkt hij te denken. Als ik geamuseerd vertel dat ‘nu’ een gewoon Nederlands woord is, zie ik direct dat dit niet de gewenste reactie is. Zijn gezicht verstrakt iets, de schaar schiet uit en hij knipt een flinke hak in mijn haar. Oei. Ik schrik ervan.
Een stilte van enkele minuten volgt. Door de spanning die plotseling in de lucht hangt weet ik even geen nieuw gespreksonderwerp te bedenken. Gelukkig doorbreekt de kapper het stilzwijgen met zijn laatste troef. “In plaats van ‘bord’ (spreek uit als ‘boer’) zeggen wij ‘taffel’.”
Triomfantelijk kijkt hij me via de spiegel aan. Ik kan een schaterlach bijna niet onderdrukken, maar weet me in te houden. De beste man is de enige betaalbare kapper in het dorp, dus ik zal me er van tijd tot tijd toch moeten melden. Er ontsnapt nog wel een vreemd geluid uit mijn mond, maar uiteindelijk weet ik met een redelijk serieus gezicht uit te brengen: “Taffel, tjonge jonge, dat is inderdaad iets heel anders dan ‘bord’. Ik ben blij dat niet iedereen dat dialect van jullie spreekt.”
vrijdag 2 november 2007
Gele poppetjes
Donderdagmiddag kwart over vijf. Ik bedenk me opeens dat ik vergeten ben eieren te kopen. Gelukkig hebben we voor dergelijke ”noodgevallen” een oplossing in de vorm van de Joker. Joker is een keten van kleine lokale supermarkten die nog een laatste vertwijfelde poging doen om in leven te blijven. Of ze het redden, is maar de vraag. We helpen er zelf ook niet echt aan mee. Elke keer als in de Joker sta met mijn mandje waarin alleen een pak eieren of een paar gele kiwi’s liggen (vreemd genoeg verkopen ze die bij geen enkele andere supermarkt bij ons in de buurt), voel ik me een klein beetje schuldig. Maar niet schuldig genoeg blijkbaar, aangezien ik de volgende dag gewoon weer met mijn kar in de veel grotere Rema sta.
Goed, op naar de Joker dus, een lekker namiddagwandelingetje. Schoenen aan, jas aan, reflectiehesje aan. Vermomd als knalgeel michelinvrouwtje wandel ik even later de deur uit. Het reflectiehesje is niet nieuw, in Nederland kwam het ook wel eens uit de kast. Bij het hardlopen wel te verstaan. Het zou niet bij me opkomen in een reflectiehesje bij AH boodschappen te gaan doen. Maar hier wel, want hier is het ’s avonds donker. En met donker bedoel ik echt donker. Straatverlichting is er niet op Sandnes. Zolang je niet de weg op hoeft, heeft dat vooral positieve kanten: prachtige sterrenhemels, mooie zonsondergangen, geen lantaarnpalen voor je raam. Moet je wel de -smalle- weg op, dan wil je maar liever zichtbaar zijn. In een reflectiehesje over straat gaan is dan ook heel normaal. Wandelaars, fietsers, ruiters, jong, oud, groot, klein: als de avond valt, vullen de Noorse wegen zich met gele poppetjes...
Goed, op naar de Joker dus, een lekker namiddagwandelingetje. Schoenen aan, jas aan, reflectiehesje aan. Vermomd als knalgeel michelinvrouwtje wandel ik even later de deur uit. Het reflectiehesje is niet nieuw, in Nederland kwam het ook wel eens uit de kast. Bij het hardlopen wel te verstaan. Het zou niet bij me opkomen in een reflectiehesje bij AH boodschappen te gaan doen. Maar hier wel, want hier is het ’s avonds donker. En met donker bedoel ik echt donker. Straatverlichting is er niet op Sandnes. Zolang je niet de weg op hoeft, heeft dat vooral positieve kanten: prachtige sterrenhemels, mooie zonsondergangen, geen lantaarnpalen voor je raam. Moet je wel de -smalle- weg op, dan wil je maar liever zichtbaar zijn. In een reflectiehesje over straat gaan is dan ook heel normaal. Wandelaars, fietsers, ruiters, jong, oud, groot, klein: als de avond valt, vullen de Noorse wegen zich met gele poppetjes...
Abonneren op:
Posts (Atom)